Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN2829

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
196599 - HA ZA 09-1635
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade, gebrekkige opstal, kelderluikcriteria, artikelen 6:162 en 6:174 BW, eigen schuld.

Eiser is uitgegleden toen hij zijn afval inleverde op de gemeentelijke afvalinzamelingsplaat. De aldaar aanwezige betonplaten waren glad door algvorming. De rechtbank acht de gemeente als eigenaar van het terrein aansprakelijk omdat de situatie op het terrein niet voldeed aan de daaraan te stellen veiligheidseisen, althans de gemeente aldaar een gevaarzettende situatie heeft laten ontstaan en voortbestaan. De rechtbank neemt tevens eigen schuld aan aan de zijde van eiser (50%) omdat de schade mede een gevolg is van de aan eiser toe te rekenen omstandigheid dat hij onvoldoende oplettend is geweest. Volgt verklaring voor recht ten aanzien van aansprakelijkheid, toekenning van een voorschot en voor het overige een verwijzing naar de schadestaatprocedure.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2011/21
JA 2010/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 196599 / HA ZA 09-1635

Vonnis van 28 juli 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M. Berruezo te Zoetermeer,

tegen

DE GEMEENTE GEMERT-BAKEL,

gevestigd te Gemert,

gedaagde,

advocaat mr. A.J. Schoonen te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 oktober 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 1 februari 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vordering

2.1. [eiser] vordert - kort gezegd - een verklaring voor recht dat de gemeente jegens hem aansprakelijk is voor alle schade die hij lijdt ten gevolge van het ongeval dat op 13 januari 2007 in de gemeente Bakel heeft plaatsgevonden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, vermeerderd met rente en kosten. [eiser] vordert tevens betaling van een voorschot, na vermeerdering van eis gesteld op EUR 4.174,30.

2.2. De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. Het geschil en de beoordeling

3.1. [eiser] is op 13 januari 2007 op de voormalige gemeentewerf in Bakel ten val gekomen toen hij daar zijn afval inleverde. Volgens [eiser] waren de betonnen stelconplaten die op het terrein zijn aangebracht spiegelglad als gevolg van algvorming.

De gemeente is beheerder van het terrein. In deze procedure gaat het om de vraag of de gemeente de (letsel)schade die [eiser] bij deze val heeft opgelopen, dient te vergoeden.

3.2. [eiser] acht de gemeente aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW als bezitter van een gebrekkige opstal, dan wel op grond van artikel 6:162 BW omdat de gemeente een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen.

3.3. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt het volgende.

Op het terrein van de voormalige gemeentewerf in Bakel kunnen de inwoners van de omliggende kernen elke tweede zaterdag van de maand (tussen 10.00 en 12.00 uur) hun afval inleveren. Zij hoeven dan niet naar de (op grotere afstand gelegen) milieustraat in Gemert maar kunnen hun afval kwijt in de containers die dan op het terrein zijn geplaatst.

Op het terrein zijn zogenoemde stelconplaten aangebracht. Het terrein is op deze wijze verhard omdat het bij mindere weersomstandigheden veranderde in een modderpoel.

Op de inleverdagen wordt het terrein in opdracht van de gemeente beheerd door Adriaans Handel en Bestrating vof te Bakel, die indien nodig op het terrein blad en achtergebleven afval opruimt.

Toedracht

3.4. Tussen partijen bestaat geen overeenstemming over de toedracht van de valpartij. De gemeente betwist dat sprake was van gladheid als gevolg van algvorming.

3.5. Op de zitting heeft [eiser] over het ongeval het volgende verklaard:

“Op de dag dat ik gevallen ben, was het regenachtig weer. Op het moment dat ik viel was het droog, maar de platen waren wel nat en vuil. Ongeveer een week na mijn val zijn we foto’s gaan nemen en toen zagen we pas goed dat er mos op de platen lag. Ik heb eerst een eerste zak weggegooid in een andere container die links stond. Daar was het niet glad. Ik ging terug naar de auto, haalde de tweede zak (…) en ben toen gelopen naar de container die stond op de plek waar op de foto een graafmachine staat. Ongeveer een meter vóór die container ben ik gevallen. Daar was het wel glad, maar ik heb dat toen niet gezien. De platen zagen er allemaal hetzelfde uit.”

3.6. [eiser] heeft als productie 1 bij dagvaarding een verklaring overgelegd van de heer [X] uit [woonplaats] d.d. 20 januari 2007 (een week na het ongeval), waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Terwijl ik bezig was mijn afval uit mijn auto te laden werd mijn aandacht gevestigd op een klap gevolgd door luid geschreeuw bij enkele zogenaamde kliko’s. Deze afvalbakken stonden direct tegen de afrastering aan de openbare weg Geneneind.

Ik ben, mede doordat ik gediplomeerd EHBO’er ben, direct naar het slachtoffer gelopen om hulp te bieden. Enkele andere omstanders maakten mij attent op het feit dat de bestrating bestaande uit zogenaamde stelconplaten door de aanwezigheid van algen op de vochtige platen daar spiegelglad waren. Nadat ik het slachtoffer de heer [J] [eiser] had gevraagd wat de oorzaak was van het ongeval vertelde hij me dat hij nadat hij afval in de kliko had gegooid was uitgegleden door de gladde bestrating. (…) Tijdens de tijd die we op de ambulance hebben moeten wachten heb ik ook zelf vastgesteld dat de bestrating door de eerder genoemde omstandigheden zeer glad was. Nadat de ambulancemedewerkers de heer [eiser] hadden geholpen en middels een brancard in de ambulance hadden gelegd, zijn de afvalbakken verplaatst zodanig dat het meest groene (gladde) gedeelte niet hoeft te worden betreed.”

3.7. Ter onderbouwing van zijn stelling - dat de stelconplaten waarover hij is gevallen spiegelglad waren door algvorming - heeft [eiser] ook twee grote kleurenfoto’s van het terrein overgelegd (gemaakt een week na het ongeval) en heeft hij ter zitting daarop de plaats aangewezen waar hij ten val is gekomen.

3.8. In haar conclusie van antwoord heeft de gemeente betwist dat de platen glad waren door algvorming. Volgens de gemeente is algvorming, of groene aanslag, als zodanig niet door haar geconstateerd.

Ter zitting heeft de raadsman van de gemeente aangegeven dat na het ongeval de beheerder van het terrein aan de gemeente heeft laten weten dat volgens hem de platen niet glad waren. De raadsman heeft verklaard niet te weten of iemand van de gemeente nadien is gaan kijken of ze glad waren. Van de gemeente was - zonder opgave van redenen - niemand ter zitting aanwezig voor het geven van een nadere toelichting.

3.9. De rechtbank is van oordeel dat als vaststaand kan worden aangenomen niet alleen dat [eiser] op 13 januari 2007 ten val is gekomen op de door hem aangewezen plaats - dit is door de gemeente niet betwist - maar ook dat deze val werd veroorzaakt doordat de stelconplaten waarop hij liep glad waren door algvorming. De verklaring van [eiser] is aannemelijk en vindt bevestiging in de verklaring van getuige [X] en in de kleurenfoto’s waarop duidelijk de aanwezigheid van groene aanslag is te zien op de platen die dicht bij de afrastering (rechts op de foto) zijn gelegen. De gemeente heeft de aanwezigheid van algvorming betwist, maar de motivering daarvan is naar het oordeel van de rechtbank volstrekt onvoldoende. De gemeente stelt geen gladheid te hebben geconstateerd maar die stelling is zonder betekenis omdat niet bekend is of iemand van de gemeente ter plaatse is gaan kijken. De - niet onderbouwde - stelling van de gemeente dat de beheerder aan de gemeente zou hebben laten weten dat volgens hem de platen niet glad waren, vormt zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, ook geen gemotiveerde betwisting. De rechtbank gaat voor het vervolg daarom uit van de door [eiser] gestelde toedracht van de valpartij.

Aansprakelijkheid

3.10. Vervolgens is de vraag aan de orde of de gemeente op grond van artikel 6:174 en/of artikel 6:162 BW aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade van [eiser] als gevolg van de valpartij.

3.11. Een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW is een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert. Wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, is de bezitter van de opstal aansprakelijk, behoudens hier niet aan de orde zijnde uitzonderingen.

3.12. Het in het leven roepen van een gevaarzettende situatie kan, bij verwezenlijking van dat gevaar, leiden tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW indien is voldaan aan de criteria die door de Hoge Raad zijn geformuleerd in het Kelderluikarrest van 5 november 1965 (NJ 1966, 136). In dit arrest is bepaald dat alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval kan worden beoordeeld of en in hoeverre aan iemand, die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt. Daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. Deze criteria dienen in onderling verband te worden beschouwd.

3.13. De gemeente voert onder meer aan dat indien sprake is geweest van algvorming, dit de stelconplaten nog niet gebrekkig maakt als bedoeld in artikel 6:174 BW. De gemeente doet in dit verband een beroep op het arrest Rook-Staat (HR 3 mei 2002, NJ 2002,465).

De rechtbank overweegt dat uit dit arrest - dat handelt over ijzel op een ZOAB-wegdek - weliswaar kan volgen dat de aanwezigheid van algen de stelconplaten als zodanig niet gebrekkig maakt als bedoeld in artikel 6:174 BW, maar uit dit arrest volgt ook dat indien de gemeente niet is opgetreden tegen de algvorming en daardoor een gevaarlijke (gebrekkige) toestand onveranderd heeft gelaten, dit onder omstandigheden wel degelijk tot aansprakelijkheid van de gemeente kan leiden. Het betreft hier in feite de vraag naar schending van de op de gemeente rustende zorgplicht in de zin van artikel 6:162 BW.

Centraal in deze zaak staat daarom de vraag welke eisen men in de gegeven omstandigheden aan het terrein mocht stellen en hoever de zorgplicht van de gemeente reikt om het ontstaan en voortbestaan van gevaarlijke situaties op het terrein tegen te gaan.

3.14. De rechtbank acht onder meer van belang dat het hier een terrein betreft waar afval wordt ingezameld. Zoals door [eiser] ook is erkend, mogen aan de inrichting en het onderhoudsniveau van een dergelijke terrein niet al te hoge eisen worden gesteld. Dit geldt temeer wanneer, zoals in dit geval, het terrein slechts zeer beperkt wordt gebruikt en maar één ochtend per maand openstaat voor het publiek. Dit neemt niet weg dat het publiek dat van dit terrein gebruik maakt - gedurende die ene ochtend per maand - dit wel op een veilige wijze moet kunnen doen.

3.15. Vaststaat dat ten tijde hier van belang sprake was van algvorming op een of meer van de stelconplaten op het terrein. De rechtbank beschouwt het als een feit van algemene bekendheid dat algvorming op een betonnen plaat met name bij vochtig weer leidt tot gladheid en het risico in zich bergt dat iemand daarover uitglijdt. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Het bestaan van een dergelijk latent gevaar is echter op zichzelf niet voldoende om aansprakelijkheid van de gemeente in het leven te roepen. De gemeente is alleen dan aansprakelijk als de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval ten gevolge van die algvorming zo groot is dat de gemeente maatregelen had moeten nemen om dit te voorkomen. Anders gezegd, de gemeente is aansprakelijk als zij door het laten voortbestaan van de latent gevaarlijke situatie meer risico heeft genomen dan redelijkerwijze verantwoord is. Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria die zijn gegeven in het eerdergenoemde Kelderluikarrest.

3.16. De rechtbank is van oordeel dat men bijzonder oplettend en voorzichtig dient te zijn wanneer men loopt op betonplaten die begroeid zijn met algen. Vooral bij vochtig weer bestaat het risico op uitglijden. De gemeente diende er naar het oordeel van de rechtbank rekening mee te houden dat het publiek dat afval komt inleveren niet altijd die vereiste bijzonder oplettendheid en voorzichtigheid in acht zal nemen. Van het publiek mag wel worden verwacht dat men enigszins voorzichtig is omdat algemeen bekend is dat op terreinen waar afvalinzameling plaatsvindt sprake kan zijn van gladheid. Zo is een ervaringsgegeven dat een dergelijk terrein vaker dan andere openbare terreinen is vervuild met bijvoorbeeld modder (door het werkverkeer dat over het terrein rijdt), met rondslingerend afval of gemorste vloeistoffen. Maar zoals door de gemeente is gesteld en ook blijkt uit de overgelegde foto’s ziet het terrein in Bakel er tamelijk netjes en overzichtelijk uit. Het publiek dat het terrein betreedt zal er daarom vanuit gaan dat het goed begaanbaar is. Daar komt bij dat men in veel gevallen de handen vol zal hebben met zakken of dozen afval en de aandacht met name gericht zal zijn op de verschillende containers waarin het afval, naar afvalsoort gescheiden, moet worden gedeponeerd. De algengroei deed zich bovendien slechts voor op een beperkt deel van het terrein. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus sprake van een aanmerkelijke kans dat men de algengroei niet opmerkt en daarop wegglijdt.

In veel gevallen zal dit niet leiden tot een valpartij of zullen de gevolgen van een valpartij niet ernstig zijn. De kans bestaat evenwel dat men bij zo’n uitglijder ernstig letsel oploopt.

De gemeente acht het niet redelijk van haar te verlangen eventuele algvorming continu tegen te gaan, omdat het terrein slechts beperkt wordt gebruikt en maar één ochtend per maand open staat voor het publiek, uit serviceoverwegingen ten behoeve van de inwoners van omliggende dorpen. Ter zitting is er namens de gemeente nog op gewezen dat zij slechts over beperkte financiële middelen kan beschikken en dat het onderhoud van dit terrein een lagere prioriteit heeft dan het onderhoud van de openbare wegen.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat het een bijzondere service is van de gemeente richting haar inwoners om dit terrein maandelijks open te stellen nog niet betekent dat niet aan de normale veiligheidseisen hoeft te worden voldaan. Wel acht de rechtbank het begrijpelijk, gezien de aard van het terrein en de beperkte openstelling daarvan, dat onderhoud een lage prioriteit heeft en dat hiervoor slechts beperkte middelen beschikbaar zijn. [eiser] heeft gewezen op de mogelijkheid de stelconplaten regelmatig met een hogedrukreiniger schoon te spuiten. De gemeente heeft niet toegelicht waarom het voor haar bezwaarlijk is om de stelconplaten op deze wijze schoon te houden, temeer nu zij zelf stelt dat een beheerder aanwezig was die het terrein zonodig schoon hield. [eiser] heeft gewezen op de mogelijkheid de afvalcontainers die bij het gladde deel stonden te verplaatsen om ongevallen te voorkomen, zoals blijkens de verklaring van getuige [X] na het ongeval ook is gebeurd. Uit de stellingen van partijen en uit de overgelegde foto’s begrijpt de rechtbank dat slechts op een enkele plaats sprake was van algvorming (rechts op de foto’s, nabij de afrastering) en dat er ruimte was om de containers op een ander deel van het terrein te plaatsen. De gemeente heeft niet aangegeven dat en waarom een dergelijke eenvoudige en kosteloze maatregel niet mogelijk of voor haar bezwaarlijk is. De rechtbank ziet daarom geen grond om te oordelen dat het nemen van veiligheidsmaatregelen voor de gemeente bezwaarlijk is.

3.17. Het bovenstaande in onderling verband bezien brengt de rechtbank tot het oordeel dat de situatie op het afvalinzamelingsterrein in Bakel niet voldeed aan de veiligheidseisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden moet stellen en daardoor gevaar voor personen opleverde, althans dat de gemeente aldaar een gevaarzettende situatie heeft laten ontstaan en voortbestaan wat leidt tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW.

3.18. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gemeente aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade. De rechtbank is echter met de gemeente van oordeel dat deze schade mede een gevolg is van de aan [eiser] toe te rekenen omstandigheid dat hij onvoldoende oplettend is geweest. [eiser] heeft verklaard dat de platen nat en vuil waren en hij had er daarom op bedacht moeten zijn dat mogelijk sprake was van gladheid. Dat de groene aanslag niet te zien was en dat de platen er allemaal hetzelfde uitzagen, zoals door [eiser] is verklaard, acht de rechtbank niet aannemelijk omdat op de door [eiser] overgelegde kleurenfoto’s van de (natte) stelconplaten de groene aanslag duidelijk is te zien. [eiser] had daarom bij het naderen van de container, en ook nadat hij zijn afval had gestort, kunnen en moeten zien dat op deze plek sprake was van een groene aanslag op de natte ondergrond en hij diende daarom op deze plek - een meter vóór een afvalcontainer - rekening te houden met de mogelijkheid dat sprake was van gladheid door algen of vuiligheid. Gelet hierop dient de vergoedingsplicht van de gemeente te worden verminderd door de schade over [eiser] en de gemeente te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De rechtbank is van oordeel dat 50% van de ontstane schade het gevolg is van de aan [eiser] toe te rekenen omstandigheid dat hij in de hiervoor geschetste omstandigheden onvoldoende oplettend is geweest. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval geen reden om te oordelen dat de billijkheid een andere verdeling van de schade eist. De gevorderde verklaring voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor alle schade die [eiser] lijdt zal daarom in zoverre worden toegewezen dat voor recht wordt verklaard dat de gemeente aansprakelijk is voor 50% van de schade die [eiser] lijdt.

Schadestaat

3.19. [eiser] stelt dat hij bij de val een gebroken enkel heeft opgelopen, een gescheurde binnenband van de enkel en verbinding tussen kuit- en scheenbeen ter hoogte van de enkel. Hij is tweemaal geopereerd en heeft problemen met zijn linkerhak waardoor hij zijn verdere leven aangepaste zolen en goede schoenen met een stevige steun voor de enkel moet dragen. Hij kan geen sandalen meer dragen. Er zit nog een ijzeren pin in zijn hak die problemen kan gaan veroorzaken. [eiser] stelt dat hij lange tijd arbeidsongeschikt is geweest, dat hij zijn werk als eindaflasser niet meer kan doen maar nu montage-, zet- en kantwerk doet. Volgens [eiser] is sprake van blijvende lichamelijke beperkingen.

Een en ander is door de gemeente niet betwist.

3.20. [eiser] vordert verwijzing naar de schadestaat en betaling van een voorschot van EUR 4.174,30. [eiser] heeft als productie 4 bij dagvaarding een voorlopige schadestaat overgelegd d.d. 29 mei 2009:

1. kosten podotherapeut EUR 248,50

2. kosten fysiotherapeut EUR 100,25

3. extra stevige schoenen EUR 414,80

4. reiskosten (520 km x EUR 0,24) EUR 124,80

5. ziekenhuisdaggeldvergoeding (5 dgn x EUR 25,-) EUR 125,00

6. inlegzolen EUR 160,95

7. toekomstige kosten p.m.

8. smartengeld p.m.

9. wettelijke rente p.m. +

Totaal EUR 1.174,30

3.21. Gelet op de omstandigheden van het geval acht [eiser] een voorschot op de smartengeldvergoeding van EUR 3.000,- passend.

3.22. De gemeente voert als verweer aan dat bij de vaststelling van de schadepost sub 3 rekening moet worden gehouden met het feit dat [eiser] ook zonder ongeval schoenen zou hebben aangeschaft. De gemeente heeft bezwaar tegen een verwijzing naar de schadestaat en meent dat thans, twee jaar na de valpartij, een eindtoestand zal zijn ingetreden en de schade moet kunnen worden begroot.

3.23. [eiser] stelt dat nog niet duidelijk is of sprake is van een eindtoestand. Het osteosynthese materiaal bevindt zich nog in de enkel waardoor mogelijk nog een operatie moet volgen. Mogelijk moet rekening worden gehouden met vervroegde slijtageklachten. Schadeposten zoals economische kwetsbaarheid, blijvende invaliditeit en toekomstige kosten moeten volgens [eiser] nog worden onderzocht.

3.24. De rechtbank ziet in hetgeen door [eiser] is aangevoerd aanleiding de zaak voor het begroten van de hoogte van de totale schade te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Om te kunnen beoordelen in hoeverre sprake zal zijn van blijvende invaliditeit en van economische kwetsbaarheid zal mogelijk een deskundigenbericht moeten worden ingewonnen.

Wettelijke rente

3.25. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat de gemeente jegens hem aansprakelijk is voor alle schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de verschillende schadecomponenten opeisbaar zijn geworden. In het lichaam van de dagvaarding heeft [eiser] aangegeven wettelijke rente te vorderen met ingang van de dag van het ongeval, 13 januari 2007.

Van de zijde van de gemeente is op het punt van de wettelijke rente geen verweer gevoerd.

3.26. De rechtbank oordeelt dat de gevorderde verklaring voor recht op het punt van de wettelijke rente toewijsbaar is, waarbij zij opgemerkt dat voor wat betreft de immateriële schade geldt dat deze geacht moet worden te zijn geleden op het moment van het ongeval, zodat de wettelijke rente daarover berekend moet worden vanaf 13 januari 2007. Voor de overige schadecomponenten geldt dit niet en zal (in de schadestaatprocedure) afzonderlijk beoordeeld moeten worden wanneer de schade is geleden en de schadevergoeding opeisbaar is geworden.

Voorschot

3.27. Over het gevorderde voorschot oordeelt de rechtbank als volgt.

Door de gemeente is terecht aangevoerd dat [eiser] ook zonder ongeval met enige regelmaat nieuwe schoenen zou hebben aangeschaft en dat alleen de extra uitgaven waarvoor [eiser] door het ongeval is komen staan voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank acht aannemelijk dat [eiser] als een gevolg van het enkelletsel dat hij door zijn val heeft opgelopen niet langer in staat was op (een aantal van) zijn schoenen te lopen en daardoor genoodzaakt was nieuwe (extra stevige) schoenen te kopen. Door [eiser] is drie paar schoenen opgevoerd (voor een totaalbedrag van EUR 414,80) over de periode van bijna tweeënhalf jaar na het ongeval. De rechtbank acht aannemelijk dat het hierbij gaat om extra uitgaven als gevolg van het ongeval. De overige schadeposten 1 t/m 6 zijn door de gemeente niet betwist en de rechtbank acht ook aannemelijk dat tot een bedrag van EUR 1.174,30 schade is geleden door [eiser].

3.28. Gelet op hetgeen [eiser] onweersproken heeft gesteld over zijn situatie (hiervoor samengevat onder 3.19) staat vast dat sprake is van enige immateriële schade. De hoogte daarvan is echter (nog) niet goed te begroten zolang niet duidelijk is in hoeverre sprake is van blijvende invaliditeit en welke beperkingen [eiser] van zijn enkelletsel ondervindt en in de toekomst zal ondervinden bij het verrichten van loonvormende arbeid, bij het verrichten van activiteiten in en rondom huis, bij het uitoefenen van zijn hobby’s, sportbeoefening etcetera. Daarover is de rechtbank op dit moment onvoldoende bekend. Gelet op hetgeen al wel bekend is (over ziekenhuisopname, operatie, therapieën, arbeidsongeschiktheid) acht de rechtbank het redelijk om aan te nemen dat de immateriële schade tenminste EUR 2.500,- zal bedragen.

3.29. De vordering van [eiser] tot betaling van een voorschot is naar het oordeel van de rechtbank dan ook toewijsbaar tot een bedrag van EUR 1.837,15 (te weten 50% van (EUR 1.174,30 + EUR 2.500,00)).

Buitengerechtelijke kosten

3.30. [eiser] vordert een bedrag van EUR 443,00 als vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten met een beroep op artikel 6:96 BW. Een specificatie van de gemaakte kosten is door [eiser] overgelegd als productie 5 bij dagvaarding.

3.31. De rechtbank is van oordeel dat deze vordering van [eiser] moet worden afgewezen. [eiser] geeft niet aan of de kosten waarvan hij vergoeding vordert zijn gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2, onder b BW) of zijn gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte (artikel 6:96 lid 2, onder c BW). [eiser] stelt ook niet dat en waarom de kosten waarvan hij vergoeding vordert, dienen te worden beschouwd als buitengerechtelijke kosten. Uit de summiere omschrijving van de werkzaamheden in de overgelegde specificatie volgt niet dat de kosten betrekking hebben op andere (buitengerechtelijke) verrichtingen dan die ter instructie van de zaak of ter voorbereiding van de procedure. [eiser] heeft derhalve onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is van buitengerechtelijke kosten in de zin van artikel 6:96 BW.

De door de gemeente opgeworpen vraag of de kosten ook daadwerkelijk voor rekening van [eiser] zijn gekomen kan daarom onbeantwoord blijven.

Proceskosten

3.32. De gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 262,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.251,98

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. verklaart voor recht dat de gemeente jegens [eiser] aansprakelijk is voor 50% van alle schade, zowel materieel als immaterieel, die [eiser] lijdt als een gevolg van de valpartij op 13 januari 2007 in de gemeente Bakel, vermeerderd met wettelijke rente vanaf het moment dat de verschillende schadecomponenten opeisbaar zijn geworden, op te maken bij staat;

4.2. veroordeelt de gemeente tot betaling aan [eiser] van een bedrag van EUR 1.837,15 (eenduizend achthonderdzevenendertig euro en vijftien cent) als voorschot op de totale schade;

4.3. veroordeelt de gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.251,98,

4.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2 en 4.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

4.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Weij en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2010.