Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN2826

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
205342 - HA ZA 10-131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Gedaagde is gevestigd in Duitsland. Eiseres stelt dat de rechtbank 's-Hertogenbosch bevoegd is van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen op grond van artikel 5 lid 1 sub b van de EEX Verordening, nu partijen de incoterm "DDP Eindhoven" zijn overeengekomen en de door eiseres bij gedaagde bestelde goederen derhalve dienden te worden geleverd in Eindhoven aan het adres van eiseres. Gedaagde stelt dat de incoterm "DDP Eindhoven" slechts ziet op de verdeling van kosten en niet mede een afspraak met betrekking tot de plaats van levering van de goederen inhoudt. Zij verwijst naar een uitspraak van het Bundesgerichtshof. De rechtbank deelt de visie van gedaagde niet en wijst de vordering tot onbevoegdverklaring af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 205342 / HA ZA 10-131

Vonnis in incident van 21 juli 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEMCO MOBILE SYSTEMS B.V.,

gevestigd te Son en Breugel,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. S.M. van Steenbergen

tegen

de vennotschap naar Duits recht

L-3 COMMUNICATIONS MAGNET-MOTOR GMBH,

gevestigd te Starnberg, Duitsland,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J.F. Langelaar

Partijen zullen hierna Gemco en Magnet-Motor worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot

onbevoegdverklaring

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in het incident

2.1. Gemco vordert in de hoofdzaak - kort weergegeven - dat de rechtbank verklaart voor recht dat Magnet-Motor te kort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van november 2003 tot levering aan Gemco van een door Magnet-Motor ontwikkelde elektromotor voor inbouw in de vrachtwagens van Gemco en Magnet-Motor veroordeelt tot vergoeding van schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

2.2. Magnet-Motor vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. Magnet-Motor legt - zakelijk

weergegeven - het volgende aan haar incidentele vordering ten grondslag.

Aan de rechtbank 's-Hertogenbosch komt geen internationale of lokale rechtsmacht toe. Gemco stelt dat de rechtbank 's-Hertogenbosch bevoegd is kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak op grond van artikel 5 lid 1 sub a van de EEX-Verordening, nu partijen de incoterm "DDP Eindhoven" en daarmee levering aan het adres van Gemco in Eindhoven zouden zijn overeengekomen. Deze stelling is onjuist. De Incoterm DDP (Delivered Duty Paid), die overigens alleen is gebruikt in de eerste overeenkomst tussen partijen van november 2003 en niet in de latere overeenkomsten gesloten in mei 2006, is slechts een kostenclausule die geen invloed heeft op de plaats van uitvoering onder artikel 31 sub a van het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten (CISG). Nu geen plaats van levering tussen partijen is overeengekomen, dient op alle leveringsovereenkomsten die in de hoofdzaak ter discussie staan bij de bepaling van de plaats van uitvoering van de verbintenis zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 sub a van de EEX-Verordening artikel 31 lid a CISG te worden toegepast. Volgens deze bepaling is de plaats van uitvoering de plaats waar de goederen werden overgedragen aan de eerste vervoerder voor verzending aan de koper. In de onderhavige zaak is dit de wettelijke plaats van vestiging van Magnet-Motor in Duitsland. De rechtsmacht berust derhalve bij Landgericht München II in Duitsland en niet bij de rechtbank 's-Hertogenbosch.

2.3. Gemco voert - zakelijk weergegeven - het volgende verweer.

Er is geen rechts- en/of forumkeuze gemaakt door partijen. Derhalve dient de internationale bevoegdheid van de rechter te worden bepaald aan de hand van de regels van de EEX- Verordening. De overeenkomst tussen Gemco en Magnet-Motor betrof een overeenkomst tot koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken. De rechtbank 's-Hertogenbosch is bevoegd om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen op grond van artikel 5 lid 1 onder b van de EEX-Verordening, nu partijen zijn overeengekomen dat de elektromotoren DDP Eindhoven en derhalve aan het adres van Gemco te Eindhoven zouden worden geleverd. Indien mocht komen vast te staan dat partijen geen plaats van levering zijn overeengekomen, dient aansluiting te worden gezocht bij de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd. De elektromotoren zijn ook feitelijk geleverd aan het adres van Gemco te Eindhoven. Artikel 31 sub a CISG speelt bij de beoordeling van de rechtsmacht geen rol.

3. De beoordeling van het geschil in het incident

3.1. Gemco stelt terecht dat de rechtbank haar bevoegdheid dient vast te stellen aan de hand van de bepalingen van de EEX-Verordening nu partijen beide zijn gevestigd in lidstaten van de Europese Unie. De tussen partijen gesloten overeenkomst van november 2003 dient blijkens het door Gemco bij dagvaarding gestelde te worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken in de zin van artikel 5 lid 1 onder b van de EEX-Verordening. Daaraan doet niet af dat de overeenkomst tussen partijen kennelijk niet alleen betrekking had op de levering van elektromotoren doch tevens de op ontwikkeling van de te leveren elektromotoren door Magnet-Motor (HvJ, 25-2-2010, nummer C-381/08).

3.2. Magnet-Motor heeft niet betwist dat in ieder geval bij de eerste overeenkomst tussen partijen van november 2003 levering DDP (delivery duty paid) Eindhoven is overeengekomen. De Incoterm DDP houdt, anders dan Magnet-Motor stelt, niet slechts een regeling in met betrekking tot kosten, maar behelst tevens een afspraak met betrekking tot de plaats van de juridische en feitelijke levering (aflevering) van de goederen. Nu levering DDP Eindhoven is overeengekomen, diende Magnet-Motor de elektromotoren te leveren aan het adres van Gemco in Eindhoven. Artikel 31 sub a CISG,, waarop Magnet-Motor zich beroept, is slechts van toepassing indien geen plaats van levering is overeengekomen. Magnet-Motor verwijst ter adstructie van haar standpunt weliswaar naar het arrest van het Bundesgerichtshof van 11 december 1996 (de zogenaamde Marsepein zaak), doch in deze zaak was, anders dan in de onderhavige zaak, geen sprake van een duidelijke overeenkomst met betrekking tot de plaats van levering, zoals de incoterm DDP met vermelding van een plaatsnaam. In de Marsepein zaak hadden partijen slechts losse termen zoals "duty unpaid", "untaxed" en "delivery being free to the door op the place of the buyer's business" gebruikt, dit in verband met de prijs. Het Bundesgerichtshof overwoog dat, gelet op dit feit, de interpretatie van de appelrechter van de bedoeling van partijen om uitsluitend de verdeling van de kosten te regelen en niet om een plaats van levering overeen te komen, niet onjuist was.

3.3. De conclusie luidt dat deze rechtbank op grond van artikel 5 lid 1 sub b van de EEX-Verordening bevoegd is kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak voor zover dit de overeenkomst tussen partijen van november 2003 betreft, nu partijen zijn overeengekomen dat de elektromotoren in Nederland en in het arrondissement 's-Hertogenbosch dienden te worden geleverd.

3.4. Magnet- Motor betwist weliswaar dat bij drie latere overeenkomsten tussen partijen van mei 2006 levering DDP Eindhoven is overeengekomen, doch dit is niet relevant voor de beoordeling van de bevoegdheid van deze rechtbank in de onderhavige zaak, nu het geschil in de hoofdzaak blijkens het door Gemco bij dagvaarding gestelde uitsluitend betrekking heeft op de overeenkomst van november 2003.

3.5. Gelet op het hiervoor overwogene zal de incidentele vordering worden afgewezen. Magnet-Motor zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het incident.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst het gevorderde af,

veroordeelt Magnet-Motor in de kosten van het incident, aan de zijde van Gemco tot op heden begroot op EUR 452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6: 109a BW vanaf de 14e dag na dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 augustus 2010 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2010.