Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN2457

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
01/994106-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft met de medeverdachte doelbewust een constructie opgezet om door middel van het verstrekken van onjuiste gegevens subsidiegelden te ontvangen en heeft daardoor de Nederlandse samenleving benadeeld.

Stimuleringsregeling Vacaturevervulling Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers (SVWW).

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De benadeelde partij wordt op formele grond niet-ontvankelijk verklaard.

Zie ook LJN BN2439.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/994106-07

Datum uitspraak: 28 juli 2010

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 april 2010.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

de commanditaire vennootschap [bedrijf 1 verdachte] (hierna: de C.V.), althans een

rechtspersoon, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13

februari 2006 tot en met 7 augustus 2006 te Eindhoven en/of (elders) in het

arrondissement 's-Hertogenbosch, althans elders in Nederland, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

althans alleen,

opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of doen/laten maken van

een of meer vals(e) en/of vervalst(e) geschriften te weten een

-een (begeleidende) brief d.d. 2 juni 2006 (D182-1 p.2300) en/of (een daarbij

gevoegde) einddeclaratieformulier SVWW (pv. p. 2301 e.v. bijlage D 182/1)

en/of een

-eindrapportageformulier SVWW onderdeel B (pv.p.2337 e.v. bijlage D 182/2

en/of

-een voortgangsrapportageformulier SVWW (pv.p. 2348 e.v. bijlage D/182.6)

en/of de (daarbij behorende) 'tabel 1 (Fase Werving en Selectie)'(pv.p.2352

e.v. bijlage D/182.7) en/of 'tabel 2: achtergrondgegevens van de werkzoekenden

die in traject zijn opgenomen'(pv.p. 2356 e.v. bijlage D/182.8) en/of 'tabel

3: trajectgegevens van de deelnemers die in traject zijn opgenomen' (pv.p.2359

e.v. bijlage D/182.9) en/of 'tabel 4: bemiddeling en nazorg'(pv.p.2362 e.v.

bijlage D/182.10)

(elk) zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen - als ware(n) dat/die geschrift(en) (telkens) echt en

onvervalst,

en/of (telkens) opzettelijk die/dat vals(e), vervalst(e) geschrifte(n)

heeft/hebben afgeleverd en/of doen/laten afleveren en/of voorhanden

heeft/hebben gehad,terwijl die C.V./rechtspersoon en/of een of meer

mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat

geschrift(en bestemd was/waren voor zodanig gebruik

bestaande dat gebruikmaken, althans doen en/of laten gebruikmaken, en/of

afleveren, althans doen en/of laten afleveren,en/of voorhanden hebben

(telkens) hierin zakelijk weergegeven

dat de C.V/rechtspersoon en/of een of meer van haar medeverdachte(n)

vorengenoemd(e) geschrift(en) heeft/hebben toegezonden/overgelegd, althans

doen en/of laten toezenden/overleggen aan de Raad voor Werk en Inkomen

(afdeling subsidies),in elk geval een instantie in verband met de aanvraag,

toekenning en/of verantwoording van subsidie ingevolge de Stimuleringsregeling

Vacaturevervulling Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers (SVWW)

met betrekking tot de (gesubsidieerde) opleiding Beveiliger 2,

en bestaande die valsheid of vervalsing telkens hierin dat in die/dat

geschrift(en) was/waren opgenomen, vermeld en/of aangegeven zakelijk

weergegeven dat met betrekking tot de verantwoording, afwikkeling en/of

bepaling van (toegekende/verleende) subsidie in het kader van het project met

de titel [bedrijf 1 van verdachte], projectnummer 1107

in de periode van 02 juli 2004 tot en met 26 augustus 2005, in elk geval in

een periode (door [naam opleidingsinstituut]) een opleiding Beveiliger 2 is gegeven t.a.v.

een aantal (120) personen waaronder:

[getuige 1] en/of [getuige 2] en/of [getuige 3] en/of [getuige 4]

en/of [getuige 5] en/of [getuige 6] en/of [getuige 7]

en/of [getuige 8] en/of [getuige 9] en/of [getuige 10] en/of [getuige 11]

en/of [getuige 12] en/of [getuige 13] en/of [getuige 14], althans aan een of

meer ander(e) perso(o)n(en), (deeluitmakend van deelproject 3 en 4 van project

[bedrijf 1 van verdachte]/1107),en/of

dat(in dat verband) bepaalde kosten zijn gemaakt onder meer mbt. instructie,

begeleiding en/of examens en/of

dat het traject/project volgens plan is verlopen en/of de scholing is

uitbesteed

zulks terwijl in werkelijkheid in genoemde periode geen opleiding Beveiliger 2

(door [naam opleidingsinstituut]) is gegeven aan die perso(o)n(en) en/of is uitbesteed

en/of (in dat verband) geen kosten danwel niet tot het vermelde/opgenomen

bedrag zijn gemaakt

tot het plegen van welk(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens)

tesamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen opdracht heeft

gegeven dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tesamen

en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen feitelijke leiding heeft

gegeven;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13

februari 2006 tot en met 7 augustus 2006 te Eindhoven en/of (elders) in het

arrondissement 's-Hertogenbosch, althans elders in Nederland, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

althans alleen,

opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of doen/laten maken van

een of meer vals(e) en/of vervalst(e) geschriften te weten een

-een (begeleidende) brief d.d. 2 juni 2006 (D182-1 p.2300) en/of (een daarbij

gevoegde) einddeclaratieformulier SVWW (pv. p. 2301 e.v. bijlage D 182/1)

en/of

- een eindrapportageformulier SVWW onderdeel B (pv.p.2337 e.v. bijlage D

182/2 en/of

-een voortgangsrapportageformulier SVWW (pv.p. 2348 e.v. bijlage D/182.6)

en/of de (daarbij behorende) 'tabel 1 (Fase Werving en Selectie)'(pv.p.2352

e.v. bijlage D/182.7) en/of 'tabel 2: achtergrondgegevens van de werkzoekenden

die in traject zijn opgenomen'(pv.p. 2356 e.v. bijlage D/182.8) en/of 'tabel

3: trajectgegevens van de deelnemers die in traject zijn opgenomen' (pv.p.2359

e.v. bijlage D/182.9) en/of 'tabel 4: bemiddeling en nazorg'(pv.p.2362 e.v.

bijlage D/182.10)

(elk) zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen - als ware(n) dat/die geschrift(en) (telkens) echt en

onvervalst,

en/of (telkens) opzettelijk die/dat vals(e), vervalst(e) geschrifte(n)

heeft/hebben afgeleverd en/of doen/laten afleveren en/of voorhanden

heeft/hebben gehad,terwijl hij, verdachte en/of een of meer mededader(s)

wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat geschrift(en

bestemd was/waren voor zodanig gebruik

bestaande dat gebruikmaken, althans doen en/of laten gebruikmaken, en/of

afleveren, althans doen en/of laten afleveren,en/of voorhanden hebben

(telkens) hierin zakelijk weergegeven

dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn medeverdachte(n) vorengenoemd(e)

geschrift(en) heeft/hebben toegezonden/overgelegd, althans doen en/of laten

toezenden/overleggen aan de Raad voor Werk en Inkomen (afdeling subsidies),in

elk geval een instantie in verband met de aanvraag, toekenning en/of

verantwoording van subsidie ingevolge de Stimuleringsregeling

Vacaturevervulling Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers (SVWW)

met betrekking tot de (gesubsidieerde) opleiding Beveiliger 2,

en bestaande die valsheid of vervalsing telkens hierin dat in die/dat

geschrift(en) was/waren opgenomen, vermeld en/of aangegeven zakelijk

weergegeven dat met betrekking tot de verantwoording, afwikkeling en/of

bepaling van (toegekende/verleende) subsidie in het kader van het project met

de titel [bedrijf 1 van verdachte], projectnummer 1107

in de periode van 02 juli 2004 tot en met 26 augustus 2005, in elk geval in

een periode (door [naam opleidingsinstituut]) een opleiding Beveiliger 2 is gegeven t.a.v.

een aantal (120) personen waaronder:

[getuige 1] en/of [getuige 2] en/of [getuige 3] en/of [getuige 4]

en/of [getuige 5] en/of [getuige 6] en/of [getuige 7]

en/of [getuige 8] en/of [getuige 9] en/of [getuige 10] en/of [getuige 11]

en/of [getuige 12] en/of [getuige 13] en/of [getuige 14], althans aan een of

meer ander(e) perso(o)n(en), (deeluitmakend van deelproject 3 en 4 van project

[bedrijf 1 van verdachte]/1107),en/of

dat(in dat verband) bepaalde kosten zijn gemaakt onder meer mbt. instructie,

begeleiding en/of examens en/of

dat het traject/project volgens plan is verlopen en/of de scholing is

uitbesteed

zulks terwijl in werkelijkheid in genoemde periode geen opleiding Beveiliger 2

(door [naam opleidingsinstituut]) is gegeven aan die perso(o)n(en) en/of is uitbesteed

en/of (in dat verband) geen kosten danwel niet tot het vermelde/opgenomen

bedrag zijn gemaakt

Tengevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging begaan, staat in de achtenveertigste en honderdveertiende tekstregel [schrijfwijze achternaam getuige 5] vermeld in plaats van [schrijfwijze achternaam getuige 5]. De rechtbank herstelt deze schrijffout en leest het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Voor zover daarnaast in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte ook daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Vast staat dat de commanditaire vennootschap [bedrijf 1 verdachte] (hierna: [bedrijf 1 van verdachte]) door verdachte en medeverdachte [naam medeverda[naam medeverdachte] (hierna: [naam medeverdachte]) is opgericht om projecten in het kader van de Stimuleringsregeling Vacaturevervulling door Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers (hierna: de SVWW) te kunnen uitvoeren. [bedrijf 1 van verdachte] heeft een aanvraag tot verlening van subsidie in het kader van de SVWW, gedateerd op 31 juli 2003, ingediend bij de Raad voor Werk en Inkomen (hierna: de RWI). In het bij deze aanvraag behorende projectplan heeft [bedrijf 1 van verdachte] aangegeven, voor zover thans van belang, voor 120 personen met dienstbetrekking de opleiding Beveiliger 2 te willen verzorgen. Verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] zijn directeur van [bedrijf 1 van verdachte] en gaven, ten tijde hier van belang, samen leiding aan deze onderneming en waren verantwoordelijk voor de handelingen van [bedrijf 1 van verdachte]. Op 1 september 2003 heeft de RWI de subsidieaanvraag, geregistreerd onder de naam [bedrijf 1 van verdachte] project 1107, ingewilligd.

Voorts staat vast dat [bedrijf 1 van verdachte] op 27 augustus 2004 een aanvraag tot wijziging heeft ingediend, omdat zij onvoldoende personen had geworven met een dienstbetrekking om aan het project deel te nemen. [bedrijf 1 van verdachte] heeft in deze aanvraag aangegeven dat zij in totaal 120 personen zonder dienstbetrekking heeft geworven en in het bij de wijzigingsaanvraag behorende projectplan is verzocht het project aan te passen naar een project voor personen zonder dienstbetrekking. Op 28 augustus 2004 heeft [bedrijf 1 van verdachte] aan de RWI gemeld dat zij de keuze heeft gemaakt om de opleiding Beveiliger 2 te laten verzorgen door [naam opleidingsinstituut] (hierna: [naam opleidingsinstituut]) naar aanleiding van een daartoe door [naam opleidingsinstituut] uitgebrachte offerte. Op 28 september 2004 heeft de RWI het wijzigingsvoorstel van [bedrijf 1 van verdachte] goedgekeurd en aan [bedrijf 1 van verdachte] subsidie toegekend tot een maximaal bedrag van € 620.690,00 voor deelproject 1 en 2 betreffende 15 deelnemers met dienstbetrekking en deelproject 3 en 4 betreffende 120 deelnemers zonder dienstbetrekking.

In de periode van 13 februari 2006 tot en met 7 augustus 2006 heeft [bedrijf 1 van verdachte] een einddeclaratie in het kader van het project [bedrijf 1 van verdachte] 1107 opgesteld en ingediend bij de RWI ter verantwoording van de door haar ontvangen subsidie en de nog te ontvangen subsidie.

De Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst heeft 14 personen gehoord, die in de in de tenlastelegging opgenomen geschriften zijn vermeld als deelnemer aan het project [bedrijf 1 van verdachte] 1107. Het betreft [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] , [getuige 9] , [getuige 10] , [getuige 11] , [getuige 12] , [getuige 13] en [getuige 14] . Deze getuigen hebben verklaard dat zij de opleiding Beveiliger 2 niet in de periode als vermeld op tabel 3 behorend bij het Eindrapportageformulier hebben gevolgd via [naam opleidingsinstituut], maar dat zij de opleiding Beveiliger 2 op een ander tijdstip hadden gevolgd via [bedrijf 2 van verdachte]. Verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] waren directeur van [bedrijf 2 van verdachte]. Deze inmiddels failliete onderneming heeft in het kader van de re-integratieprojecten Stadswachten en Loketlozen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) de opleiding Beveiliger 2 verzorgd. Uit onderzoek door [naam deskundige], re-integratiedeskundige bij het UWV is gebleken dat 38 deelnemers aan de projecten Loketlozen en Stadswachten, waaronder 7 van bovengenoemde getuigen, ook voorkomen op de tabellen behorend bij de Einddeclaratie SVWW subsidie. Vastgesteld is dat de inhoud van de opleiding Beveiliger 2 in het UWV-traject en het SVWW-traject hetzelfde is.

[directeur 1] (hierna: [directeur 1]) en [directeur 2] (hierna: [directeur 2]), beiden directeur van [naam opleidingsinstituut], hebben verklaard dat [naam opleidingsinstituut] de opleiding beveiliger 2 niet heeft verzorgd.

Gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opleiding Beveiliger 2 in het kader van het project [bedrijf 1 van verdachte] 1107 in het geheel niet is gegeven.

Door verdachte wordt dit overigens ook niet betwist.

Nu in de in de tenlastelegging vermelde geschriften aan de RWI is meegedeeld dat de opleiding Beveiliger 2 wel is gegeven in het kader van het project [bedrijf 1 van verdachte] 1107, terwijl vast staat dat deze opleiding niet is gegeven, bevatten deze geschriften onjuiste informatie.

De valsheid van de in de tenlastelegging vermelde begeleidende brief van 2 juni 2006 bestaat hieruit dat in deze brief is vermeld dat verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte], in verband met een nog uit te voeren dringende betaling aan het opleidingsinstituut dat de opleidingen heeft verzorgd, verzoeken om een snelle behandeling van de declaratie, terwijl in het geheel geen opleiding is gegeven. De valsheid van het bij deze begeleidende brief behorende einddeclaratieformulier bestaat hieruit dat in dit formulier is vermeld welke kosten zijn gemaakt voor onder meer instructie, begeleiding en examens van de personen zonder dienstbetrekking die in het kader van het project [bedrijf 1 van verdachte] 1107 de opleiding Beveiliger 2 hebben gevolgd, terwijl deze opleiding niet is gegeven en deze kosten derhalve niet zijn gemaakt.

In het in de tenlastelegging vermelde eindrapportageformulier is in strijd met de werkelijkheid voorgesteld dat het traject daadwerkelijk is uitgevoerd. Voorts is hierin vermeld dat voor het grootste gedeelte van de kandidaten die het traject positief hebben afgerond een arbeidsovereenkomst bij de samenwerkingspartner is gerealiseerd, terwijl dit niet het geval is. Vorenstaande maakt ook dit geschrift vals.

De valsheid van het in de tenlastelegging vermelde voortgangsrapportageformulier, gedateerd op 13 februari 2006 en ontvangen door de RWI op 7 augustus 2006 , en de daarbij behorende tabellen is erin gelegen dat wordt gesteld dat 120 personen zonder dienstbetrekking hebben deelgenomen aan het project [bedrijf 1 van verdachte] 1107, terwijl dit niet het geval is. In ‘tabel 1: fase werving en selectie’, opgenomen in de tenlastelegging, is vermeld dat 120 personen zonder dienstbetrekking zijn geselecteerd voor het project [bedrijf 1 van verdachte] 1107, terwijl dit in werkelijkheid niet is gebeurd. In de in de tenlastelegging vermelde ‘tabel 2: achtergrondgegevens van de werkzoekenden’, zijn de namen en achtergrondgegevens weergegeven van personen die niet hebben deelgenomen aan het project [bedrijf 1 van verdachte] 1107, terwijl dit wel zo wordt voorgesteld. In ‘tabel 3: Trajectgegevens van de deelnemers die in traject zijn opgenomen’, zijn van dezelfde personen gegevens opgenomen over onder meer startdatum en einddatum van het traject, terwijl zij dit traject niet hebben gevolgd. In ‘tabel 4: bemiddeling en nazorg’ is ten slotte in strijd met de werkelijkheid vermeld dat voormelde personen het traject hebben voltooid en bemiddeling en nazorg hebben ontvangen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Niet langer in discussie is dat de opleiding Beveiliger 2 niet is gegeven in het kader van de SVWW. Verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] hebben als wettelijke vertegenwoordigers en feitelijk leidinggevers van [bedrijf 1 van verdachte] valse geschriften ingediend bij de RWI ter verantwoording van de subsidie die zij hebben ontvangen in het kader van de SVWW. In deze geschriften hebben zij immers voorgesteld dat voormelde opleiding wel is gegeven door [naam opleidingsinstituut]. Dat verdachten op de hoogte waren van de valsheid van deze geschriften en hiervan opzettelijk gebruik hebben gemaakt, blijkt volgens de officier van justitie uit de wijze van facturering door [naam opleidingsinstituut] aan [bedrijf 1 van verdachte] en vervolgens door de aan verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] gelieerde ondernemingen, [onderneming 1], [onderneming 2] en [onderneming 3], aan [naam opleidingsinstituut]. Ook uit de verklaringen van [directeur 1] en [directeur 2] blijkt volgens de officier van justitie dat verdachte en zijn medeverdachte [naam medeverdachte] wisten dat [naam opleidingsinstituut] de opleiding Beveiliger 2 niet zou geven.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat – samengevat weergegeven – niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften. De raadsman stelt dat verdachte op het moment van opstellen en ondertekenen van die geschriften niet wist, niet vermoedde en niet hoefde te vermoeden dat de inhoud of strekking van deze geschriften niet juist was.

Verdachte is nauwelijks betrokken geweest bij het SVWW-traject en heeft slechts de in dit verband opgestelde stukken ondertekend. Verdachte had geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de stukken die hij ondertekende. Medeverdachte [naam medeverdachte] was degene die de contacten met de RWI en [naam opleidingsinstituut] onderhield. Verdachte is uitgegaan van de informatie die hij van medeverdachte [naam medeverdachte] kreeg, bestaande uit de onderliggende bescheiden waaruit hij afleidde dat het project liep en de mededelingen van medeverdachte [naam medeverdachte] over verschillende gebeurtenissen. Voorts blijkt uit de verklaring van de accountant, [naam accountant], dat medeverdachte [naam medeverdachte] inhoudelijk verantwoordelijk was voor de controle op de einddeclaratie en dat verdachte deze eerst heeft ondertekend en ingediend nadat de stukken waren gewaarmerkt door de accountant. Daarnaast is het gehele project uitgevoerd in overleg met de RWI en is het geheel gecontroleerd en gewaarmerkt door accountants.

Verdachte is ervan uitgegaan dat [naam opleidingsinstituut] de opleiding conform de gemaakte afspraken zou verzorgen. De verklaringen van [directeur 1] en [directeur 2], inhoudende dat [naam opleidingsinstituut] de opleiding Beveiliger 2 niet zou verzorgen en alleen een cursus bedrijfshulpverlening zou verzorgen, zijn volgens de raadsman van verdachte onbetrouwbaar en worden weersproken door verschillende stukken in het dossier.

Omdat verdachte niet wist dat de stukken onjuist waren, kan evenmin worden bewezen dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging en dat er hierbij sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [naam medeverdachte].

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is het met de raadsman van verdachte eens dat aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [directeur 1] en [directeur 2] kan worden getwijfeld. De rechtbank zal daarom deze verklaringen niet gebruiken als bewijs, met uitzondering van de verklaring dat [naam opleidingsinstituut] de opleiding Beveiliger 2 niet heeft gegeven. Dit onderdeel van de verklaring wordt door verdachte immers niet betwist en de verklaringen op dit punt worden ondersteund door de hierboven weergegeven verklaringen van de hierboven genoemde veertien personen.

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat verdachte geen opzet heeft gehad op het gebruik van valse geschriften en aan deze gedraging geen feitelijke leiding heeft gegeven tezamen en in vereniging met medeverdachte [naam medeverdachte], overweegt de rechtbank als volgt.

[getuige 15], oud-werknemer van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte], heeft verklaard dat hij op verzoek van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] personen heeft geselecteerd voor een project dat werd gesubsidieerd door de RWI. Hij kreeg van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] een lijst met namen en gegevens waaruit hij deelnemers moest selecteren. Een groot aantal personen van de personen op deze lijst had in een traject Beveiliger 2 gezeten dat was gesubsidieerd door het UWV. Voorts hebben de 14 in de tenlastelegging vermelde personen zoals hierboven weergegeven verklaard dat zij de opleiding Beveiliger 2 niet in het kader van het SVWW-traject hebben gevolgd, maar via het [bedrijf 2 van verdachte]. Uit gegevens van de Stichting Vakexamens voor Particuliere Beveiligingsorganisaties blijkt bovendien, dat van de 120 personen die in de in de tenlastelegging vermelde geschriften zijn opgevoerd als deelnemers zonder dienstbetrekking aan het project [bedrijf 1 van verdachte] 1107, er 108 waren aangemeld via de opleider OPB te Sittard en dat 81 van hen een diploma Beveiliger 2 hadden behaald. Hierboven is reeds vermeld dat uit vergelijking van de gegevens van het SVWW-traject en het UWV-traject is gebleken dat van de 120 personen verantwoord in de einddeclaratie van het SVWW-traject, 7 personen in het UWV-project Loketlozen en 31 personen in het UWV-project Stadswachten voorkwamen, twee projecten waarbij het [bedrijf 2 van verdachte] was betrokken.

Het aantal personen dat de opleiding Beveiliger 2 reeds had gevolgd dan wel volgde via andere trajecten (waarvan een aantal waarbij verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] aantoonbaar waren betrokken) en die desondanks zijn opgenomen in het SVWW-traject is dermate groot dat de rechtbank daarin een sterke aanwijzing ziet voor de wetenschap van verdachte dat de selectie van de deelnemers voor het SVWW-traject voornamelijk personen betrof die de opleiding Beveiliger 2 al eens hadden gevolgd en dat er daarom geen opleiding Beveiliger 2 zou worden aangeboden.

Voor zover verdachte ter zitting heeft verklaard dat [bedrijf 1 van verdachte] slechts de werving voor haar rekening nam en de lijsten met geworven kandidaten, afkomstig uit haar eigen bestanden, heeft doorgestuurd aan [naam opleidingsinstituut], die op haar beurt de definitieve selectie zou doen en daarbij kennelijk bijzonder onzorgvuldig te werk is gegaan, zal de rechtbank die verklaring als niet geloofwaardig terzijde schuiven, nu in voormelde verklaring van [getuige 15] is vermeld dat hij in opdracht van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] kandidaten voor het RWI-project moest selecteren en daarnaast in het in het kader van de einddeclaratie ingevulde eindrapportageformulier SVWW onderdeel B is aangegeven dat de preselectie is gedaan door het projectteam en de definitieve selectie voor een groot gedeelte is verricht in samenwerking met de samenwerkingspartner.

Voor de vraag of verdachte wist dat [naam opleidingsinstituut] niet de opleiding Beveiliger 2 zou verzorgen is voorts het betalingsverkeer tussen [naam opleidingsinstituut], [bedrijf 1 van verdachte] en andere aan verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] gelieerde ondernemingen van belang. [naam opleidingsinstituut] heeft drie facturen, ieder ten bedrage van € 122.640,00 en gedateerd op 28 augustus 2004, aan [bedrijf 1 van verdachte] verzonden. [bedrijf 1 van verdachte] heeft deze facturen aan [naam opleidingsinstituut] betaald. Vervolgens is tweemaal door de aan verdachte gelieerde onderneming [onderneming 1] en door de aan medeverdachte [naam medeverdachte] gelieerde onderneming [onderneming 2] gefactureerd aan [naam opleidingsinstituut] voor een bedrag van € 56.414,40 per factuur. Als omschrijving is op deze facturen vermeld ‘eerste deelfactuur scholing’ en ‘tweede deelfactuur scholing’. Uit de bankafschriften van [naam opleidingsinstituut] blijkt dat [naam opleidingsinstituut] deze facturen steeds heeft voldaan. Ook is eenmaal gefactureerd door de aan verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] gelieerde onderneming [onderneming 3] aan [naam opleidingsinstituut] voor een bedrag van € 112.828,80 inzake scholing. Deze scholing is gespecificeerd op de factuur. Een bedrag van € 39.600,00 wordt gefactureerd voor de Module MCK ten behoeve van groep 1 tot en met 8 en een bedrag van € 39.600,00 wordt gefactureerd voor de Module ICT ten behoeve van groep 1 tot en met 8. Voor gesprekstechnieken (6 groepen) wordt een bedrag van € 11.700,00 in rekening gebracht, voor omgaan met agressie (8 groepen) een bedrag van € 11.128,80 en voor cultuur en omgangsvormen (6 groepen) een bedrag van € 10.800,00. Deze factuur is door [naam opleidingsinstituut] in drie delen betaald. De omschrijving op deze factuur is opmerkelijk, aangezien op de presentielijsten die volgens verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] zijn overgelegd door [naam opleidingsinstituut] is vermeld dat de vakken MCK en ICT door [naam opleidingsinstituut] zijn gegeven.

Verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] verklaren dat deze terugbetalingen verband houden met een te vereffenen schuld van [directeur 1] uit het verleden die te maken had met – samengevat weergegeven – het niet doorgaan van een samenwerking met [directeur 1] op het gebied van re-integratie in Limburg in 2002 en het van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] overnemen van de re-integratiemarkt in Limburg door [directeur 1]. Het bestaan van deze schuld en derhalve van een vordering op [directeur 1] is echter op geen enkele wijze onderbouwd. Voor zover verdachte heeft verklaard dat hij deze stelling niet kan onderbouwen omdat alle stukken die toentertijd in verband met de te vereffenen schuld zijn opgemaakt zijn meegegaan in het faillissement van [bedrijf 2 van verdachte] en thans zijn vernietigd, overweegt de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat [bedrijf 2 van verdachte] failliet is, niet met zich brengt dat er in het geheel geen stukken meer zijn.

Voorts duidt de omschrijving op de facturen in het geheel niet op de vereffening van een oude schuld en ontbreekt ook op dit punt elke onderbouwing. Indien de verklaring van verdachte zou worden gevolgd, zou dit bovendien tot gevolg hebben dat [naam opleidingsinstituut] de opleiding Beveiliger 2 zou hebben verzorgd voor minder dan € 40.000,00. Het bedrag dat [naam opleidingsinstituut] overhield na terugbetaling aan de ondernemingen van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] staat in geen verhouding tot de opleiding waarvan verdachte stelt in de veronderstelling te hebben verkeerd dat deze daadwerkelijk werd gegeven. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte niet aannemelijk en zal hieraan dan ook voorbij gaan.

Zoals hiervoor bij de vaststaande feiten is weergegeven, hebben verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] samen [bedrijf 1 van verdachte] opgericht om in het kader van de SVWW projecten te kunnen verzorgen. Voorts kan uit de hiervoor weergegeven verklaring van [getuige 15] worden afgeleid dat verdachte samen met medeverdachte [naam medeverdachte] betrokken was bij de selectie van deelnemers aan het project [bedrijf 1 van verdachte] 1107. Ook was verdachte samen met medeverdachte [naam medeverdachte] betrokken bij de facturering aan [naam opleidingsinstituut] door vanuit zijn bedrijf [onderneming 1] facturen te verzenden voor scholing. Daarnaast heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij het SVWW-traject in grote lijnen volgde en dat hij op de hoogte was van wat er speelde. De verklaring van verdachte dat hij slechts de stukken ondertekende en nauwelijks betrokken was bij het SVWW-traject, zal de rechtbank dan ook niet volgen.

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat de opleiding Beveiliger 2 niet was gegeven in het kader van het SVWW-traject zodat hij door desondanks in de einddeclaratie van [bedrijf 1 van verdachte] richting RWI voor te stellen dat deze opleiding wel was gegeven, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de valse geschriften.

Voorts blijkt uit de omstandigheden dat verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] samen [bedrijf 1 van verdachte] hebben opgericht waaraan zij samen feitelijk leiding gaven, beiden bij de selectie van deelnemers aan het project [bedrijf 1 van verdachte] 1107 waren betrokken en beiden met hun respectievelijke ondernemingen hebben gefactureerd aan [naam opleidingsinstituut], van een nauwe en bewuste samenwerking bij het feitelijk leidinggeven aan de door [bedrijf 1 van verdachte] verrichte verboden gedraging, te weten het gebruik van de in de tenlastelegging vermelde geschriften door deze toe te zenden aan de RWI ter verantwoording van de door [bedrijf 1 van verdachte] ontvangen en nog te ontvangen subsidie. Het verweer van de raadsman van verdachte dient dan ook te worden verworpen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat

de commanditaire vennootschap [bedrijf 1 verdachte] (hierna: de C.V.) op tijdstippen in de periode van 13 februari 2006 tot en met 7 augustus 2006 in Nederland, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, te weten

-een (begeleidende) brief d.d. 2 juni 2006 en (een daarbij gevoegd) einddeclaratieformulier SVWW en

-een eindrapportageformulier SVWW onderdeel B en

-een voortgangsrapportageformulier SVWW en de (daarbij behorende) 'tabel 1 (Fase Werving en Selectie)' en 'tabel 2: achtergrondgegevens van de werkzoekenden die in traject zijn opgenomen' en 'tabel 3: trajectgegevens van de deelnemers die in traject zijn opgenomen' en 'tabel 4: bemiddeling en nazorg'

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen als waren die geschriften telkens echt,

en telkens opzettelijk die valse geschriften heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad, terwijl die C.V. wist dat die geschriften bestemd waren voor zodanig gebruik

bestaande dat gebruikmaken en afleveren en voorhanden hebben telkens hierin zakelijk weergegeven

dat de C.V. vorengenoemde geschriften heeft toegezonden/overgelegd aan de Raad voor Werk en Inkomen in verband met de aanvraag,

toekenning en verantwoording van subsidie ingevolge de Stimuleringsregeling

Vacaturevervulling Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers (SVWW)

met betrekking tot de (gesubsidieerde) opleiding Beveiliger 2,

en bestaande die valsheid telkens hierin dat in die geschriften was vermeld zakelijk

weergegeven dat met betrekking tot de verantwoording, afwikkeling en

bepaling van toegekende/verleende subsidie in het kader van het project met

de titel [bedrijf 1 van verdachte], projectnummer 1107, in de periode van 02 juli 2004 tot en met 26 augustus 2005 door [naam opleidingsinstituut] een opleiding Beveiliger 2 is gegeven t.a.v.

een aantal (120) personen waaronder:

[getuige 1] en [getuige 2] en [getuige 3] en [getuige 4]

en [getuige 5] en [getuige 6] en [getuige 7]

en [getuige 8] en [getuige 9] en [getuige 10] en [getuige 11]

en [getuige 12] en [getuige 13] en [getuige 14] (deeluitmakend van deelproject 3 en 4 van project [bedrijf 1 van verdachte]/1107) en dat (in dat verband) bepaalde kosten zijn gemaakt onder meer mbt. instructie, begeleiding en examens en dat het traject/project volgens plan is verlopen en de scholing is uitbesteed

zulks terwijl in werkelijkheid in genoemde periode geen opleiding Beveiliger 2 door [naam opleidingsinstituut] is gegeven aan die personen en/of is uitbesteed en (in dat verband) geen kosten zijn gemaakt

aan welke verboden gedragingen verdachte telkens tezamen en in vereniging met een ander feitelijke leiding heeft gegeven.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd van elf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Hierbij heeft hij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Hij heeft een maand minder onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verzoekt de officier van justitie om deze tot een bedrag van € 376.316,00 toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Mocht de rechtbank het door de raadsman gevoerde pleidooi strekkende tot vrijspraak van verdachte niet honoreren, dan stelt de raadsman zich op het standpunt dat een werkstraf met daaraan gekoppeld een voorwaardelijke gevangenisstraf passend is en niet de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij stelt hij zich op het standpunt dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Primair omdat verdachte dient te worden vrijgesproken, subsidiair omdat machtigingen ontbreken van de personen die in het voegingsformulier stellen te zijn gemachtigd alsmede van de ondertekenaar van het voegingsformulier en meer subsidiair omdat de vordering niet eenvoudig is aangezien onduidelijkheid bestaat over het daarin verantwoorde bedrag. Ten slotte verzoekt de raadsman om indien de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, hierbij niet de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, omdat dit in feite zal neerkomen op een langere detentie van verdachte, gezien de slechte financiële positie waarin deze verkeert en de daaruit voortkomende onmogelijkheid om aan de schadevergoedingsmaatregel te voldoen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid ten bezware van verdachte dat verdachte doelbewust een constructie heeft opgezet om door middel van het verstrekken van onjuiste gegevens subsidiegelden te ontvangen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij met deze handelwijze ten onrechte gemeenschapsgelden heeft ontvangen waardoor hij de Nederlandse samenleving als geheel heeft benadeeld. Door zijn handelen heeft verdachte bovendien het subsidiesysteem, waarbij subsidieverstrekkers moeten kunnen vertrouwen op de juistheid van de door subsidieaanvragers verstrekte gegevens, ondergraven.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder ter zake van strafbare feiten werd veroordeeld.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank voorts in ogenschouw genomen dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf juni 2007.

Tot aan de berechting ter terechtzitting is een onwenselijk lange termijn verstreken, te weten drie jaren en één maand. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM zal de rechtbank de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf verlagen met een maand.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur van zes maanden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf, te weten drie maanden, zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden ten uitvoer gelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De vordering van de benadeelde partij de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, nu niet is gebleken dat de personen die in het voegingsformulier worden opgevoerd als gemachtigden van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en degene die het formulier heeft ondertekend, daadwerkelijk hiertoe waren gemachtigd. De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 47, 51, 57, 225.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. primair:

het opzettelijk gebruik maken, afleveren en voorhanden hebben

van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het

Wetboek van Strafrecht, als ware het echt, terwijl hij weet dat dit geschrift

bestemd is voor zodanig gebruik, het feit is begaan door een rechtspersoon en

hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met

een proeftijd van 2 jaren.

T.a.v. primair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden

begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. C.B.M. Bruens en mr. Ch. Dunnewijk, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dworakowski-Kelders, griffier,

en is uitgesproken op 28 juli 2010.

1 Verklaring verdachte van 4 juni 2007, V.01.01, pagina 466 van het dossier.

2 Document D/178.1, pagina 2250 tot en met 2256 van het dossier.

3 Document D/178.2, pagina 2275 van het dossier.

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

5 Document D/189, pagina 2424 van het dossier.

6 Document D/186.1, pagina 2394 van het dossier.

7 Document D/186.2, pagina 2416 van het dossier.

8 Document D/188, pagina 2422 van het dossier.

9 Document D/187, pagina 2420 van het dossier.

10 Document D/181, pagina 2297 van het dossier.

11 Document D/182.6, pagina 2349 van het dossier.

12 Document D/182.6, pagina 2347 van het dossier.

13 Document D/182.1, pagina 2301 tot en met 2304 van het dossier.

14 Verklaring [getuige 1] van 11 december 2006 (G.05.01), pagina 713 en 714 van het dossier, en de verklaring van 12 juni 2007 (G05.02), pagina 719 van het dossier.

15 Verklaring van [getuige 2] van 13 december 2006 (G.07), pagina 759 en 760 van het dossier.

16 Verklaring van [getuige 3] van 13 december 2006 (G.08), pagina 767 en 768 van het dossier.

17 Verklaring van [getuige 4] van 15 december 2006 (G.09), pagina 773 tot en met 775 van het dossier.

18 Verklaring van [getuige 5] van 14 december 2006 (G.10), pagina 780 tot en met 782 van het dossier.

19 Verklaring van [getuige 6] van 11 december 2006 (G.11), pagina 788 tot en met 790 van het dossier.

20 Verklaring van [getuige 7] van 12 juni 2007 (G.19), pagina 850 en 851 van het dossier.

21 Verklaring van [getuige 8] van 14 juni 2007 (G.22), pagina 873 en 874 van het dossier.

22 Verklaring van [getuige 9] van 18 juni 2007 (G.23), pagina 877 en 878 van het dossier.

23 Verklaring van [getuige 10] van 14 juni 2007 (G.24), pagina 881 en 882 van het dossier.

24 Verklaring van [getuige 11] van 18 juni 2007 (G.25), pagina 885 en 886 van het dossier.

25 Verklaring van [getuige 12] van 19 juni 2007 (G.26), pagina 898 en 899 van het dossier.

26 Verklaring van [getuige 13] van 20 juni 2007 (G.27), pagina 894 van het dossier.

27 Verklaring van [getuige 14] van 20 juni 2007 (G.28), pagina 898 en 890 van het dossier.

28 Document D/182.9, pagina 2359 en 2360 van het dossier.

29 Document D/182.2, pagina 2337 van het dossier.

30 Zie ook Start proces-verbaal van 27 maart 2007: AMB 030, paragrafen 3.2.1 tot en met 3.2.6, pagina 161 tot en met 166 van het dossier.

31 Zie ook Proces-verbaal van bevindingen van 28 juni 2007: AMB 108, paragraaf 3, pagina 387 tot en met 389 van het dossier.

32 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

33 Verklaring verdachte van 4 juni 2007, V.01.02, pagina 475 van het dossier.

34 Document D/182.9, pagina 2359 en 2360 van het dossier en D/173, pagina 2226 tot en met 2228 van het dossier, en D/173.1, pagina 2230 van het dossier.

35 Proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2007, AMB 115, pagina 441 en 447 van het dossier.

36 Verklaring [directeur 1] bij de rechter-commissaris op 12 september 2008.

37 Verklaring [directeur 2] van 15 juni 2007, pagina 629 van het dossier.

38 Document D/182.1, pagina 2300 van het dossier.

39 Document D/182.1, pagina 2303 van het dossier.

40 Document D/ 182.2, pagina 2338 van het dossier.

41 Document D/182.6, pagina 2347 van het dossier.

42 Document D/ 182.6, pagina 2348 van het dossier.

43 Document D/182.7, pagina 2352 en 2353 van het dossier.

44 Document D/182.8, pagina 2356 en 2357 van het dossier.

45 Document D/182.9, pagina 2359 en 2360 van het dossier.

46 Document D/182.10, pagina 2362 tot en met 2364 van het dossier.

47 Verklaring [getuige 15] van 10 juli 2007 (G. 29.02), pagina 910 van het dossier.

48 Document D/237, pagina 2808 tot en met 2812 van het dossier.

49 Document D/173.1, pagina 2230 van het dossier.

50 Proces-verbaal bevindingen van 18 januari 2007, AMB 079, pagina 247 van het dossier.

51 Document D/182.2, pagina 2338 van het dossier.

52 Proces-verbaal bevindingen, AMB 102, pagina 341 en 342 van het dossier.

53 Document D/ 208.2, pagina 2516 van het dossier, D/209.2, pagina 2525 van het dossier en D/210.2, pagina 2535 van het dossier.

54 Document D/ 208.1, pagina 2514 van het dossier, document D/ 209.1, pagina 2523 van het dossier en document D/210.1, pagina 2533 van het dossier.

55 Document D/ 208.3, pagina 2518 van het dossier en document D/209.3, pagina 2527 van het dossier.

56 Document D/208.4, pagina 2520 van het dossier en document D/209.4, pagina 2529 van het dossier.

57 Document D/208.1, pagina 2514 van het dossier en document D/209.1, pagina 2522 van het dossier.

58 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

59 Document D/210.3, pagina 2537 van het dossier.

60 Document D/210.1, pagina 2531 tot en met 2533 van het dossier.

61 Documenten D/ 223.5.1 tot en met D/223.5.8, pagina 2688 tot en met 2702 van het dossier.

62 Verklaring verdachte ter terechtzitting

15

Parketnummer: 01/994106-07

[verdachte]