Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN2309

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
162541 - HA ZA 07-1525
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

rechtsverwerking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 162541 / HA ZA 07-1525

Vonnis van 7 juli 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[R],

gevestigd te Vught,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.H. Louwers te ’s-Hertogenbosch,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[L],

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A],

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

3.[J],

wonende te [woonplaats],

4. de vennootschap onder firma

[vof],

gevestigd te Helvoirt, gemeente Haaren,

alsmede haar vennoten

a. [W],

wonende te Helvoirt,

b. [S],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

gedaagden in conventie onder 2 en 4 tevens eiseressen in reconventie,

advocaat mr. A.J. van den Hoven te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen worden hierna [R] en [L c.s.] genoemd. Gedaagden onder 1 t/m 4 worden ieder afzonderlijk aangeduid als respectievelijk [L], [A], [J] en [vof]. Gedaagden onder 4a en b worden gezamenlijk aangeduid als [WS].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie

- de conclusie van repliek in conventie, tevens houdende vermeerdering/wijziging van eis en van antwoord in reconventie

- de antwoordakte inzake vermeerdering/wijziging van eis in conventie

- de conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie

- het pleidooi en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities van mr. Louwers en mr. Van den Hoven.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In het verleden hebben de broers [H] (hierna: [H]) en [B] (hierna: [B]) samen met hun vader [M] een uitvaartbedrijf uitgeoefend onder de naam B.V. Vughtse Begrafenisonderneming. Toen [M] terugtrad, hebben [H] en [B] besloten de onderneming te splitsen. Daartoe is op 14 oktober 1985 een overeenkomst gesloten tussen [H] en [B] (hierna: de Splitsingsovereenkomst). In de Splitsingsovereenkomst is een bepaalde verdeling van de regio tussen [H] en [B] opgenomen.

2.2. In april 1986 is de splitsing en verdeling van de B.V. Vughtse Begrafenisonderneming dienovereenkomstig gevolgd. [H] vestigde de Vughtse Begrafenisonderneming [...] te Vught. [B] vestigde B.V. Begrafenisonderneming [...] te Boxtel. Daarnaast exploiteerden [B] en de zoon van [H], [RB] (hierna: [RB]), ieder voor zich een assurantiekantoor, respectievelijk B.V. Assurantiekantoor [...] te Boxtel en Assurantiekantoor [...] B.V. te Vught.

2.3. Tegelijk met de splitsing is bij de in 1955 door [M] opgerichte verzekeringsmaatschappij De Laatste Eer U.A. (hierna: De Laatste Eer) een onafhankelijk bestuur aangetreden. Uitvaartpolissen werden door beide assurantiekantoren veelal ondergebracht bij De Laatste Eer.

2.4. Met betrekking tot de uitvaartpolissen is in de Splitsingsovereenkomst de volgende bepaling opgenomen (artikel II A lid 2 onder e):

“Partijen (zullen) zich beijveren de overeenkomst met … [De Laatste Eer] … zodanig te wijzigen dat de verzorging van begrafenissen in opdracht van die vereniging geschiedt in overeenstemming met de hierboven tussen partijen overeengekomen regionale verdeling of, indien de vereniging tot zodanige verdeling niet bereid is, de rechten uit die overeenkomst voortvloeiende voor zover mogelijk zodanig te verdelen dat een soortgelijk resultaat wordt verkregen.”

2.5. In 1995 heeft de naamloze vennootschap De Nederlandse Verzekerings Groep N.V. (hierna: NVG) de lopende verzekeringen van De Laatste Eer overgenomen. Hieromtrent is een overeenkomst gesloten op 24 april 1995 (hierna: de Basisovereenkomst). Op die datum is De Laatste Eer ontbonden. In de considerans van de Basisovereenkomst wordt onder meer het volgende overwogen: “Partijen beogen met hun samenwerking de belangen van de leden (verzekerden) van De Laatste Eer zo goed mogelijk te waarborgen; voorts wensen partijen uitdrukkelijk mede te voorzien in een duurzame continuering van de historische en langjarige contractuele banden tussen enerzijds De Laatste Eer en anderzijds de Vughtse Uitvaartonderneming [...] te Vught (en haar rechtsopvolgers) en B.V. Begrafenisonderneming [...] te Boxtel, als ondernemers met het exclusieve recht tot het verzorgen en uitvoeren van alle uitvaarten waartoe De Laatste Eer opdracht kan geven en tussen enerzijds De Laatste Eer en anderzijds Assurantiekantoor [...] B.V. te Vught en B.V. Assurantiekantoor [...] te Boxtel, als tussenpersonen voor De Laatste Eer werkzaam om voor en namens de Laatste Eer polissen af te sluiten ter verzekering van (de kosten van) crematie, begrafenis en uitvaart.

2.6. De Basisovereenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen:

“3.8.a.. Indien een van de ondernemers [Vughtse Uitvaartonderneming Bijnen v.o.f . en B.V. Begrafenisonderneming [...]], daaronder mede begrepen haar aandeelhouder(s) of venno(o)t(en) haar activiteiten, danwel (aandelen in) haar onderneming of een onderdeel van die onderneming wenst te vervreemden onverschillig krachtens welke titel, is zij verplicht hetgeen zij aldus wenst te vervreemden eerst te koop aan te bieden aan de andere ondernemer.

3.8.b. Een ondernemer kan echter zodanige overdracht vrijelijk verrichten aan een echtgenoot, of aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn onbeperkt en in de zijlijn tot de tweede graad van de aandeelhouder of vennoot in de betreffende onderneming, echter onder het opleggen van een zelfde aanbiedingsplicht aan de verkrijger of verkrijgers.

3.8.c. De andere ondernemer heeft in dat geval het recht hetgeen de adspirant vervreemder wenst over te dragen te verwerven tegen een prijs die, bij gebreke van tussen partijen bereikte overeenstemming, wordt vastgesteld door een door betrokkenen gezamenlijk aan te wijzen register accountant danwel bij gebreke van overeenstemming daaromtrent door een drietal register accountants waarvan één te benoemen door de ene, één door de andere ondernemer en één door de twee aldus benoemde deskundigen. Bij de vaststelling van de prijs zal de waarde van de activiteit, de onderneming, of het gedeelte van de onderneming worden bepaald naar de waarde van het over te dragen vermogen …

3.8.d. Slechts indien de andere ondernemer verklaart van het met inachtneming van het vorenstaande gedane aanbod geen gebruik te willen maken, staat het de adspirant vervreemder vrij om hetgeen hij wenst te vervreemden over te dragen aan een derde.

3.8.e. Onder overdracht of vervreemding wordt ten deze uitdrukkelijk niet begrepen inbreng door een der ondernemers van haar activiteiten, danwel haar onderneming of een onderdeel daarvan in een (andere) rechtspersoon, mits en zolang het bestuur en de zeggenschap in de (andere) rechtspersoon niet wezenlijk afwijkt van de huidige toestand, en mits onder uitdrukkelijke overdracht van de verplichtingen uit de onderhavige overeenkomst.

3.8.f. In geval van overdracht door een der ondernemers op de voet van het bepaalde onder de letter a, b, c en/of e van dit artikel 3.8, zal NVG die overdracht respecteren met alle daaraan verbonden rechten en verplichtingen.

3.8.g. In geval van een overdracht in de zin van dit artikel 3.8 aan een derde, heeft NVG het recht om jegens de aldus overdragende ondernemer respectievelijk diens rechtsopvolger van verdere uitvoering van deze overeenkomst af te zien. …

3.12. NVG zal in goed overleg met de ondernemers een separate overeenkomst opstellen waarin hun samenwerking nader wordt geregeld met in achtneming van het vorenstaande en van hetgeen in de lopende overeenkomst met De Laatste Eer is vastgelegd. …

4.5. Voor de tussenpersonen [Assurantiekantoor [...] B.V. en B.V. Assurantiekantoor [...]] geldt mutatis mutandis hetzelfde als ten aanzien van de ondernemers in artikel 3.8 van deze overeenkomst is vastgelegd …

4.9. NVG zal in goed overleg met de tussenpersonen een separate overeenkomst opstellen waarin hun samenwerking nader wordt geregeld met in achtneming van het vorenstaande en van hetgeen in de lopende overeenkomst met De Laatste Eer is vastgelegd.”

2.7. In de aanhef van de Basisovereenkomst zijn De Laatste Eer en NVG opgenomen als partij en zij hebben de overeenkomst ondertekend. De Basisovereenkomst is getekend “voor gezien en accoord” door [RB] namens Vughtse Uitvaartonderneming [...] en Assurantiekantoor [...] B.V. en door [B] namens B.V. Begrafenisonderneming [...] en B.V. Assurantiekantoor [...].

2.8. Op 1 januari 1996 is de vennootschap onder firma [RB] opgericht. Vennoten daarvan zijn [RB] en de heer [T]. De onderneming van Assurantiekantoor [...] B.V. is in deze vennootschap onder firma ingebracht.

2.9. Met ingang van 1 januari 1997 zijn B.V. Assurantiekantoor [...] en de zoon van [B], [LB] (hierna: [LB]) een vennootschap onder firma aangegaan onder de naam V.O.F. Assurantiekantoor [...]. Blijkens de vennootschapsakte is geen aanbiedingsplicht overeenkomstig het bepaalde in 3.8.b. en 4.5. van de Basisovereenkomst aan de vennoten opgelegd.

2.10. [H] en [B] zijn inmiddels overleden; [B] op 4 januari 2004. De uitvaartonderneming te Vught is voortgezet door de beide zoons ([RB] en [B]) van [H]. Ingevolge de vennootschapsakte is de vennootschap onder firma tussen B.V. Assurantiekantoor [...] en [LB] geëindigd. [LB] heeft B.V. Assurantiekantoor [...] alleen voortgezet. De uitvaartonderneming te Boxtel is voortgezet door de weduwe van [B] ([K]), die vervolgens (op 15 november 2006) de uitvaartonderneming heeft verkocht aan [RB].

2.11. [LB] heeft op 31 mei 2005 [A] (gedaagde 2) opgericht. Op 15 juni 2005 heeft [LB] de naam van B.V. Assurantiekantoor [...] gewijzigd in [L] (gedaagde 1). [A] heeft de activiteiten/onderneming overgenomen die eerder door B.V. Assurantiekantoor [...] werden uitgeoefend. Bij deze overname is geen aanbiedingsverplichting overeenkomstig het bepaalde in 3.8.e. en 4.5. van de Basisovereenkomst aan [A] opgelegd. [L] is bestuurder en enig aandeelhouder van [A].

2.12. Op 10 november 2005 is [LB] overleden. [J], zijn weduwe, werd in zijn plaats bestuurder en enig aandeelhouder van [L].

2.13. Op 1 januari 2006 is de onderneming van [A] ingebracht in [vof]. Vennoten van deze vennootschap onder firma zijn [A] en [WS].

3. Het geschil

in conventie

3.1. [R] vordert, na wijziging/vermeerdering van eis samengevat –

1. primair:

de verdeling (ex artikel 3:180 BW) te gelasten van de gemeenschap, bestaande uit het in [vof] samengebrachte vermogen, zodanig dat de door [A] in die vennootschap ingebrachte onderneming aan [A] zal worden toegedeeld ter fine van aanbieding en afgifte c.q. levering aan [R] en [A] te veroordelen om [R] in de gelegenheid te stellen om tegen betaling van de in onderling overleg dan wel via de in de Basisovereenkomst beschreven procedure te bepalen koopprijs naar de waarde per 31 mei 2005, subsidiair 1 januari 2006, die ingebrachte onderneming van [A] te kopen en [A] te veroordelen tot dienovereenkomstige levering, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000 per dag,

subsidiair:

veroordeling van [L], [A] en [J] om het nodige te doen om alsnog de onderneming van [A] te kunnen aanbieden, mee te werken aan de vaststelling van de te betalen prijs op de voet van het bepaalde in de Basisovereenkomst naar de waarde op de dag dat de onderneming aan [R] aangeboden had moeten zijn en, indien [R] besluit om voor die prijs de onderneming te willen verwerven, de onderneming tegen betaling van die prijs ook te leveren aan [R], op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000 per dag.

2. hoofdelijke veroordeling van [L], [A] en [J] tot vergoeding van de door [R] geleden schade, bestaande in het nadeel dat door [R] is en zal worden geleden als gevolg van het feit dat [L], [A] en [J] de onderneming in strijd met de op hen rustende verplichting niet reeds ten tijde van het uitzakken naar het huidige [A] op 31 mei 2005 althans ten tijde van de inbreng in [vof] op 1 januari 2006 aan [R] hebben aangeboden en overgedragen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, dit cumulatief en als aanvullende schadevergoeding naast de (verlate) aanbieding van de onderneming aan [R] volgens het sub 1 primair of subsidiair gevorderde, subsidiair als vervangende schadevergoeding.

3. [vof] en haar vennoten [WS] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat door [L], [A] en [J] uitvoering zal worden gegeven aan het onder 1. gevorderde,

met veroordeling van [L c.s.] in de proceskosten.

3.2. [R] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.

Ingevolge de in artikel 3.8.a. in verband met artikel 4.5. van de Basisovereenkomst opgenomen verplichting, had de onderneming van [A] aan [R] moeten worden aangeboden, voordat de onderneming werd ingebracht in [vof]. Deze aanbiedingsplicht had ingevolge artikel 3.8.e. en artikel 4.5. van de Basisovereenkomst als kettingbeding moeten worden opgenomen in de overeenkomst, waarbij de onderneming van B.V. Assurantiekantoor [...] werd overgedragen aan [A].

[L] (voorheen B.V. Assurantiekantoor [...]) is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de Basisovereenkomst, doordat zij de onderneming heeft overgedragen aan [A] zonder de aanbiedingsverplichting aan [A] op te leggen.

Ondanks het feit dat de aanbiedingsverplichting niet is opgelegd aan [A], stond het haar niet vrij om, zonder voorafgaand aanbod aan [R], de activiteiten in [vof] in te brengen. De bestuurder van [L], [LB], is actief betrokken geweest bij de totstandkoming van de Basisovereenkomst. Hij moet derhalve op de hoogte zijn geweest van de daarin opgenomen aanbiedingsverplichting. De wetenschap en gebondenheid van [LB] (en met hem van [L] als aandeelhouder/ bestuurder van [A]) moet aan [A] worden toegerekend. Aldus kan de tekortkoming (het niet voldoen aan de aanbiedingsplicht) worden toegerekend aan [A]. Subsidiair is het bestuurs- en aandeelhoudersbesluit om de onderneming van [A] in te brengen in [vof] onrechtmatig jegens [R], nu niet aan de aanbiedingsverplichting is voldaan. De aansprakelijkheid hiervoor berust op [A], op [L] als bestuurder en krachtens artikel 2:11 BW eveneens op [J]. [R] had en heeft er belang bij de onderneming van [A] te verwerven. Zij is van mening dat de transactie, waarbij de onderneming in [vof] is ingebracht, ongedaan gemaakt kan en moet worden, waarna de onderneming alsnog aan haar moet worden aangeboden en, bij aanvaarding van dat aanbod, worden geleverd.

[R] loopt dagelijks omzet en winst mis doordat zij de activiteiten van [A] niet heeft kunnen overnemen en doordat de in artikel 3.11 van de Basisovereenkomst neergelegde afspraak van onderlinge verwijzing door de beide assurantiekantoren, die tot aan de inbreng in [vof] is uitgevoerd, nu niet meer wordt uitgevoerd. De schade die zij inmiddels heeft geleden vordert [R] als (aanvullende) schadevergoeding op grond van de niet-nakoming en subsidiair op grond van de onrechtmatige daad. Voor het geval de vordering tot voldoening aan de aanbiedingsplicht wordt afgewezen, vordert [R] tevens (vervangende) schadevergoeding hetzij voortvloeiend uit de Basisovereenkomst hetzij uit onrechtmatige daad.

3.3. [L c.s.] voeren verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [L c.s.] vorderen samengevat – opheffing van het door [R] ten laste van [A] onder [vof] gelegde beslag.

3.6. [R] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. In deze zaak gaat het om de vraag of [L c.s.] alsnog [A] dienen aan te bieden aan [R] of – als dat niet (meer) mogelijk is – zij deswege jegens [R] schadeplichtig zijn. In de kern baseert [R] haar vordering op de Basisovereenkomst. Derhalve dient eerst te worden onderzocht of en in hoeverre partijen in onderhavige procedure zijn gebonden aan de Basisovereenkomst. [R] stelt dat de door [B] en [RB] geëxploiteerde ondernemingen (uitvaartondernemingen en assurantiekantoren) door ondertekening en blijkens de tekst van artikel 3.8. rechtstreeks zijn gebonden aan de overeenkomst.

4.1.1. [L c.s.] voeren het verweer dat blijkens de aanhef de Basisovereenkomst is gesloten tussen enerzijds De Laatste Eer en anderzijds Nederlandse Verzekeringsgroep N.V. en dat de door [B] en [RB] geëxploiteerde ondernemingen (hierna: de ondernemingen) daarbij geen partij waren. Door middel van de medeondertekening van de Basisovereenkomst “voor gezien en accoord” hebben [B] en [RB] namens de door hen geëxploiteerde ondernemingen hun medewerking verleend aan de contractsoverneming door NVG van De Laatste Eer. Zij hebben niet getekend als partij bij de Basisovereenkomst. Aangezien overeenkomsten in beginsel slechts tussen partijen gelden, binden de bepalingen van de Basisovereenkomst de ondernemingen niet. Uit de considerans van de Basisovereenkomst blijkt dat de rechtsverhouding met De Laatste Eer uitgangspunt is en niet de onderlinge rechtsverhouding tussen de ondernemingen. De bepalingen waarin de ondernemingen een rol spelen dienen te worden gezien als derdenbedingen, welke bedingen geen rechtstreeks afdwingbare verplichtingen tussen de ondernemingen onderling creëren. Artikel 3.8. van de Basisovereenkomst maakt onderscheid tussen een “geoorloofde” overdracht, ten aanzien waarvan NVG zich in artikel 3.8.f. op voorhand bereid verklaart deze te zullen respecteren en anderzijds een “niet-geoorloofde” overdracht, ten aanzien waarvan NVG zich in artikel 3.8.g. het recht voorbehoudt om alsdan van de verdere uitvoering van de overeenkomst af te zien. De tekst van artikel 3.8.a. schept niet met zoveel woorden een recht van de ene onderneming om van de andere onderneming aanbieding van de onderneming te vorderen. De “aanbiedingsverplichting” in de Basisovereenkomst dient niet anders te worden uitgelegd dan dat [R] en B.V. Assurantiekantoor [...] (thans [LB]) zich jegens NVG verbinden om in een voorkomend geval de onderneming eerst aan de ander aan te bieden. Dit alles aldus [L c.s.]

4.1.2. De rechtbank acht voor de beantwoording van de vraag of de ondernemingen zich in de Basisovereenkomst jegens elkaar hebben verbonden niet zozeer doorslaggevend dat zij in de overeenkomst al dan niet nadrukkelijk als partij zijn aangeduid, maar of zij bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest en of blijkens de overeenkomst tussen de ondernemingen wilsovereenstemming bestaat met betrekking tot rechten en/of verplichtingen ten behoeve van en/of ten laste van de ondernemingen over en weer. Een redelijke uitleg van de bepalingen in artikel 3.8.a. t/m 3.8.e brengt met zich mee dat de ondernemingen onderlinge, wederkerige verbintenissen hebben geformuleerd en aanvaard. Zo is in artikel 3.8.c. een bepaling opgenomen omtrent de wijze van vaststelling van de prijs voor de over te nemen onderneming bij uitoefening van het voorkeursrecht. In deze bepaling is geen rol voor De Laatste Eer of NVG weggelegd. Ook in de artikelen 3.8.a, b, d en e. en, in het verlengde daarvan, artikel 4.5. van de Basisovereenkomst worden rechten en verplichtingen tussen de ondernemingen onderling geregeld, buiten NVG om. Derhalve hebben de bestuurders [B] en [RB] met de ondertekening van de Basisovereenkomst “voor gezien en accoord” niet enkel ingestemd met de contractsoverneming door NVG van De Laatste Eer of een derdenbeding aanvaard, maar ook blijk gegeven van hun wilsovereenstemming met betrekking tot de onderling rechten en verplichtingen scheppende bepalingen, waaronder de bepalingen met betrekking tot de “aanbiedingsplicht”. Het feit dat in de artikelen 3.12. en 4.9. is bepaald dat NVG in overleg met de ondernemers een separate overeenkomst zal opstellen leidt niet tot een ander oordeel. Die bepalingen zien immers op de samenwerking tussen NVG en de ondernemingen en niet op de samenwerking tussen de ondernemingen onderling.

4.2. [L c.s.] voeren voorts als verweer dat [R] haar recht om nakoming van de aanbiedingsverplichting te vorderen heeft verwerkt. Indien dat verweer slaagt is daarmee de grondslag aan de vorderingen ontvallen. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende. Van rechtsverwerking is sprake, indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het recht. Tijdsverloop kan een rol spelen, maar enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. Daarvoor is vereist dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. De rechtbank is van oordeel dat het door [L c.s.] gedane beroep op rechtsverwerking slaagt op grond van de volgende omstandigheden.

4.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de inbreng door [R] van haar onderneming in de V.O.F. met [T] een volgens de Basisovereenkomst “niet-geoorloofde” overeenkomst was, waarvoor de aanbiedingsplicht als bedoeld in artikel 3.8.a. van de Basisovereenkomst gold. Desondanks heeft [R] voorafgaand aan de inbreng van haar onderneming in de V.O.F. in 1996 niet aan haar aanbiedingsplicht voldaan. Zij stelt weliswaar dat zij de inbreng van haar onderneming in de V.O.F. heeft besproken met [B] en dat deze hiertegen geen bezwaar had, maar dit brengt nog niet met zich mee, dat daarmee is voldaan aan de in artikel 3.8.a. van de Basisovereenkomst verwoorde plicht de onderneming aan [B] te koop aan te bieden. Vervolgens heeft [LB] sinds 1 januari 1997 deelgenomen aan de onderneming van [B]. Hierbij had invulling moeten worden gegeven aan artikel 3.8.b. van de Basisovereenkomst, hetgeen niet is gebeurd. Het feit dat [LB] sinds 1 januari 1997 deelnam aan de onderneming van [B] was kenbaar voor [R], al was voor haar wellicht niet kenbaar in welke ondernemingsvorm. [R] heeft zich er toen niet van vergewist of invulling was gegeven aan artikel 3.8.b. van de Basisovereenkomst, derhalve of het kettingbeding door [B] wel was opgelegd aan [LB]. Als [R] belang bleef hechten aan het doorgeven van de aanbiedingsplicht door [B], had dit wel op haar weg gelegen. Zij mocht er immers, nu zij zelf niet aan de aanbiedingsplicht had voldaan, niet zonder meer van uit gaan dat [B] en [LB] de Basisovereenkomst wél zouden naleven. Acht jaar later, in 2005, heeft [R] zich er ook niet van vergewist of bij de overdracht van de onderneming van [L] (voorheen B.V. Assurantiekantoor [...]) aan [A] werd voldaan aan de verplichting op grond van artikel 3.8.e. van de Basisovereenkomst. [R] stelt hieromtrent slechts dat zich aan haar waarneming heeft onttrokken of bij deze gelegenheid het aanbiedingsbeding is opgelegd. [R] heeft derhalve stil gezeten op momenten dat van haar actie had mogen worden verwacht. Deze omstandigheid naast het feit dat [R] zelf de aanbiedingsplicht uit de Basisovereenkomst niet heeft nageleefd, is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar met het alsnog geldend maken van haar recht op nakoming van de artikelen 3.8.a., 3.8.b. dan wel 3.8.e.

4.3. Met de transactie waarbij de onderneming van B.V. Assurantiekantoor [...] is overgedragen aan [A] is de keten definitief doorbroken, zodat op [A] nimmer een aanbiedingsverplichting heeft gerust. Er is dan ook geen sprake van een tekortkoming van [A] ten opzichte van [R], zodat [R] ook om die reden geen vordering op haar heeft. Dit impliceert voorts dat het bestuursbesluit om de onderneming van [A] in te brengen in [vof] niet onrechtmatig is.

4.4. Een en ander leidt er reeds toe dat alle vorderingen van [R] zullen worden afgewezen, zodat de overige stellingen van partijen niet meer besproken hoeven te worden.

4.5. [R] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [L c.s.] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 251,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.808,00 (4,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.059,00

in reconventie

4.6. Gelet op het feit dat de vordering in conventie wordt afgewezen, hebben [A] en [vof] belang bij onmiddellijke opheffing van het beslag. Afgezien van de reeds in conventie besproken stellingen, heeft [R] daartegen geen verweer gevoerd. De vordering zal daarom worden toegewezen.

4.7. [R] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [L c.s.] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00 (4,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 904,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [R] in de proceskosten, aan de zijde van [L c.s.] tot op heden begroot op EUR 2.059,00,

5.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4. heft op het op 19 juli 2007 door [R] ten laste van [A] onder [vof] gelegde beslag,

5.5. veroordeelt [R] in de proceskosten, aan de zijde van [L c.s.] tot op heden begroot op EUR 904,00,

5.6. verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B. van Daalen, mr. M.F.M.T. Franke en mr. M.E. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.