Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN2187

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
Awb 10 / 2018 en 10 / 2019 opheffing
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De dwangsombesluiten die zijn opgelegd aan aanbieders van parkeerplaatsen buiten de door Eindhoven Airport geëxploiteerde parkeerterreinen worden/blijven geschorst. De voorzieningenrechter is niet overtuigd van de juistheid van de door burgemeester en wethouders gegeven uitleg van de toepasselijke voorschriften van het bestemmingsplan. Uit de enkele omstandigheid dat binnen het plangebied een specifieke zone is aangewezen voor parkeerdoeleinden, volgt niet zonder meer dat is beoogd het exploiteren van een parkeerterrein elders, in het bijzonder binnen de zone waar ‘handel en bedrijf is toegestaan, tegen te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 10/2018 OPHEFFING

AWB 10/2019 OPHEFFING

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juli 2010

inzake

[verzoekster],

te Eindhoven,

verzoekster,

[gemachtigde],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,

verweerder,

[gemachtigde].

Aan het geding heeft als partij deelge[belanghebbende]ende], te Eindhoven, [gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft verweerder verzoekster, onder oplegging van een dwangsom van € 45.000,00, gelast om binnen de begunstigingstermijn, eindigend op 1 juli 2010, de overtredingen, bestaande uit het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de percelen aan de [adres 1] en aan de [adres 2] te Eindhoven en het bouwen zonder bouwvergunning op laatstgenoemd perceel, te beëindigen.

Bij besluit van eveneens 16 juni 2010 heeft verweerder verzoekster, onder oplegging van een dwangsom van € 18.000,00 gelast om binnen de begunstigingstermijn, eindigend op 1 juli 2010, de overtredingen, bestaande uit het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel gelegen aan de [adres 3] te Eindhoven en het bouwen zonder bouwvergunning op dat perceel, te beëindigen.

Tegen deze besluiten heeft verzoekster bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brieven van 29 juni 2010 heeft verzoekster tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 30 juni 2010 heeft de voorzieningenrechter verweerders besluiten van 16 juni 2010 met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst.

De zaken zijn behandeld op de zitting van 15 juli 2010, waar verzoekster is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde. Verschenen is voorts de gemachtigde van [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende]).

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.

2. Voor zover de beoordeling of toepassing moet worden gegeven aan deze bepaling met zich meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de bodemprocedure wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is het niet bindend in de bodemprocedure.

3. Ter beoordeling staat thans of, gelet op de op 30 juni 2010 uitgesproken schorsing van de besluiten van 16 juni 2010, toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.

4. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

5. Tijdens controles op 27 mei 2010 en 15 juni 2010 hebben toezichthouders in dienst van verweerder vastgesteld dat op de percelen [adres 1] - waar de uitgang en feitelijk de parkeerruimte is - en [adres 2] - waar de ingang zich bevindt - en het perceel [adres 3] parkeerruimte, ter grootte van 80 respectievelijk 60 parkeerplaatsen, wordt aangeboden door verzoekster, onder de naam [bedrijf]. Voorts is geconstateerd dat op ieder perceel een slagboom is geplaatst zonder dat daarvoor bouwvergunning is verleend.

Op 31 mei 2010 heeft verweerder verzoekster op de hoogte gebracht van de vastgestelde illegale situatie en is verzoekster in de gelegenheid is gesteld om het met bestemmingsplan strijdige gebruik te beëindigen en de zonder vergunning gebouwde bouwwerken te verwijderen. Verzoekster heeft hiertegen zienswijzen ingediend.

6. De onderhavige percelen zijn gelegen binnen het plangebied van het vigerende bestemmingsplan ‘Welschap A, herziening II’, vastgesteld op 1 maart 1988 door de raad van de gemeente Veldhoven. Aan de percelen is daarin de bestemming ‘Militair luchtvaartterrein met de mogelijkheid van medegebruik door de burgerluchtvaart’ gegeven.

Ingevolge artikel 4, lid A, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor doeleinden ten behoeve van de militaire luchtvaart met de mogelijkheid tot medegebruik door de burgerluchtvaart, (…).

7. Ingevolge artikel 4, lid B, sub I, van de planvoorschriften mogen op deze gronden worden gebouwd:

a. gebouwen ten behoeve van de militaire luchtvaart en het daaruit voortvloeiende militair gebruik, (…)

8. Ingevolge artikel 4, lid B, sub II, onder b, van de planvoorschriften kan, voor zover in het raam van medegebruik door de burgerluchtvaart ten behoeve van doeleinden van handel en bedrijf - met uitzondering van detailhandel - afzonderlijke bebouwing dient te worden opgericht, dit uitsluitend geschieden binnen de als zodanig op de kaart aangegeven zone in de vorm van bedrijfsgebouwen en kantoren met uitzondering van dienstwoningen, (…) en bouwwerken, niet zijnde gebouwen, passende bij bedrijfsgebouwen c.q. bedrijfsterreinen (…);

9. Ingevolge artikel 4, lid B, sub II, onder d, van de planvoorschriften kan, voor zover in het raam van medegebruik door de burgerluchtvaart ten behoeve van parkeerdoeleinden afzonderlijke bebouwing dient te worden opgericht, dit uitsluitend geschieden binnen de als zodanig op de kaart aangegeven zone in de vorm van gebouwen en bouwwerken, niet zijnde gebouwen, passende op een parkeerterrein (…);

10. Ingevolge artikel 4, lid C, sub 1, van de planvoorschriften is het verboden gronden en opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de uit dit plan voortvloeiende bestemming.

Ingevolge het bepaalde sub 2 van dit artikellid wordt als strijdig gebruik in ieder geval aangemerkt het gebruik van de in lid B, sub II, bedoelde gronden en opstallen anders dan ten behoeve van de doeleinden, zoals die nader onder a tot en met e zijn genoemd.

11. Ingevolge artikel 4 lid D, sub 2, onder b, van de planvoorschriften, verlenen burgemeester en wethouders, gehoord de inspecteur belast met de zorg voor de hygiëne van het milieu, vrijstelling van de categorieën, genoemd in lid B, sub II, onder b, respectievelijk lid C, voor bedrijven die niet voorkomen in de categorieën 1 tot en met 4 van de staat van inrichtingen, maar die daarmede, voor wat betreft milieubelasting zijn gelijk te stellen.

12. Blijkens de plankaart zijn de onderhavige percelen gelegen in het gebied, aangeduid als ‘zone zoals bedoeld in art. 4, lid B, sub II, onder b’.

13. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de door verweerder gewraakte activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan ‘Welschap A, herziening II’.

14. Verzoekster heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat, nu de percelen zijn gelegen binnen het gebied, waarop artikel 4, lid B, onder II, onder b, van de planvoorschriften van toepassing is, ter plaatse bouwen en gebruik ten behoeve van ‘handel en bedrijf’ is toegestaan. Naar haar mening valt daaronder ook het commercieel exploiteren van een parkeerterrein als hier aan de orde.

15. Verweerder heeft deze uitleg bestreden door te stellen dat op grond van het bestemmingsplan elders een specifieke parkeerbestemming geldt, te weten in het gebied, op de plankaart aangeduid als ‘zone zoals bedoeld in art. 4, lid B, sub II, onder d’. Dit impliceert volgens verweerder dat elders de realisering van zelfstandige parkeerterreinen, dat wil zeggen parkeerterreinen die niet behoren bij ter plaatse aanwezige bedrijven, niet is toegestaan.

16. De voorzieningenrechter is op voorhand niet overtuigd van de juistheid van verweerders uitleg van de toepasselijke planvoorschriften. Uit de enkele omstandigheid dat binnen het plangebied een specifieke zone is aangewezen voor parkeerdoeleinden, volgt niet zonder meer dat is beoogd zelfstandig parkeren elders, meer in het bijzonder binnen de zone waar ingevolge artikel 4, lid B, sub II, onder b, van de planvoorschriften de vestiging en uitoefening van ‘handel en bedrijf’ is toegestaan, tegen te gaan. In de toelichting van het vigerende bestemmingsplan ‘Welschap A’ is voor verweerders uitleg geen aanwijzing te vinden. Ook verweerders stelling ter zitting, dat het bij het opstellen van bestemmingsplannen gebruikelijk is zelfstandige parkeervoorzieningen zoals parkeergarages expliciet te bestemmen, overtuigt vooralsnog niet.

17. Gelet hierop kan niet zonder meer gezegd worden dat verzoeksters standpunt dat de gewraakte activiteiten passen in het vigerende bestemmingsplan, onjuist is. Voor zover een bedrijf dat zich toelegt op het aanbieden van parkeerruimte niet is opgenomen op de staat van inrichtingen bij het bestemmingsplan, is vooralsnog voldoende aannemelijk geworden dat een dergelijk bedrijf een milieubelasting heeft die niet groter is dan die van wel in de staat van inrichtingen opgenomen bedrijven. Dit brengt mee dat verweerder in dat geval gehouden zou zijn toepassing te geven aan de vrijstellingsbevoegdheid, neergelegd in artikel 4, lid D, sub 2, onder b, van de planvoorschriften.

18. Reeds vanwege de hiervoor genoemde twijfel omtrent de juistheid van de door verweerder gegeven uitleg van de toepasselijke planvoorschriften bestaat geen aanleiding om de op 30 juni 2010 uitgesproken schorsing van de besluiten van 16 juni 2010 op te heffen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding in te gaan op de overige grieven van verzoekster.

19. De voorzieningenrechter beschouwt de verzoeken als samenhangend in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, met de verzoeken, geregistreerd onder nummer AWB 10/1309 en AWB 10/1310, ten aanzien waarvan de voorzieningenrechter heden uitspraak heeft gedaan en een veroordeling in de proceskosten heeft uitgesproken. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling in de proceskosten in de onderhavige zaken geen grond.

20. De voorzieningenrechter zal bepalen dat verweerder aan verzoekster het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van twee maal € 298,00 dient te vergoeden.

21. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- handhaaft de op 30 juni 2010 uitgesproken schorsing van de besluiten van 16 juni 2010;

- gelast verweerder aan verzoekster te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad

€ 496,00.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2010.