Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN2178

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
R07.194
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuldenaar is bestuurder van een vennootschap. Schuldenaar beantwoordt o.a. vragen over zijn relatie tot de vennootschap niet. De schuldenaar is in de loop van de schuldsanering keer op keer door rechtbank en hof in de gelegenheid gesteld alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat het niet zo is dat een schuldenaar gedurende een groot deel van de looptijd van de schuldsaneringsregeling de berichthoudende en controlerende taak van de bewindvoerder en daarmee de uitvoering van de schuldsaneringsregeling kan frustreren door geen of onvoldoende informatie aan te leveren om vervolgens kort vóór het einde van de regeling alsnog de gegevens aan te leveren. De verplichting tot het uit eigen beweging leveren van informatie is een verplichting die geldt vanaf de toelatingszitting tot en met de eindzitting. De schuldenaar heeft, als bestuurder, beslist zichzelf en zijn echtgenote geen salaris en geen vakantiegeld uit te betalen. Daarmee heeft hij zijn schuldeisers benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

insolventienummer: R07.194

nummer verklaring: EER0510700039

uitspraakdatum: 27 april 2010

beëindiging schuldsanering na verloop termijn weigering schone lei

Bij vonnis van deze rechtbank van 28 februari 2007 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[schuldenaar]

geboren op [geboortedatum],

wonende te [adres],

hierna te noemen: de schuldenaar.

Procesverloop

Bij vonnis van deze rechtbank van 25 mei 2007 is het saneringsplan vastgesteld, waarbij de looptijd is bepaald op 3 jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de schuldsanering van toepassing is verklaard, te weten tot 28 februari 2010.

Door de bewindvoerder is schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindi¬ging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij schrijven van 24 februari 2010 heeft de bewindvoerder geadviseerd de schone lei niet te verlenen omdat de schuldenaar diens uit de schuldsaneringsregeling voort¬vloei¬ende ver¬plichtingen niet is nageko¬men. De rechter-commissaris heeft zich verenigd met de inhoud van deze voordracht van op 2 maart 2010.

De behandeling ex artikel 352 lid 1 Faillissementswet (Fw) heeft plaatsgevonden op 8 maart 2010 en 22 maart 2010. Ter zitting van 22 maart 2010 zijn de schuldenaar, diens advocaat mr. J. Th. Masset en de bewindvoerder verschenen en gehoord. Er zijn geen schuldeisers verschenen.

Inhoudelijke beoordeling

In het verslag van augustus 2007 schrijft de bewindvoerder onder meer dat de schuldenaar de informatieplicht niet naar behoren nakomt. De bewindvoerder noemt een groot aantal concrete punten waarop informatie ontbreekt. Uit de salarisspecificatie blijkt dat de schuldenaar werkt voor een bedrijf dat gevestigd is op het woonadres van de schuldenaar. Volgens de salarisspecificatie wordt het salaris per kas uitbetaald. Naar aanleiding hiervan heeft de rechter-commissaris een voordracht gedaan tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.

In het verslag van februari 2008 schrijft de bewindvoerder onder meer het volgende: “( …) betrokkene geeft aan in een auto van de zaak te rijden. Het kentekenbewijs staat inderdaad op naam van European Manufacturing Company BV (de vennootschap waarvan de schuldenaar bestuurder is, toevoeging door rb) te [adres]. Op salarisspecificaties van European Manufacturing Company BV staat dat betrokkene geen gebruik maakt van een bedrijfsauto. Betrokkene is op 5 oktober 2007 door de bewindvoerder verzocht om dit verschil in berichtgeving nader te verklaren, maar heeft niet aan dit verzoek voldaan.

4. Volgens de salarisspecificaties is European Manufacturing Company gevestigd op het woonadres van de heer. Het kentekenbewijs van de auto geeft echter een ander bedrijfsadres aan. (…) Het feit dat European Manufacturing Company BV volgens de salarisspecificaties is gevestigd op het woonadres van betrokkene en voorheen gevestigd was op het adres van Holland Agri Services (de gefailleerde BV waarvan de schuldenaar voorheen enig aandeelhouder en bestuurder was, toevoeging door rb.) en de salarisspecificatie van European Manufacturing Company BV geen functie van betrokkene aangeeft wekt vragen op. Betrokkene heeft deze vragen niet weerlegd of beantwoord. (…).”

Bij vonnis van 23 april 2008 heeft de rechtbank de schuldsanering van de schuldenaar tussentijds beëindigd op grond van – kort weergegeven – het niet nakomen van de informatieplicht, het niet nakomen van de sollicitatieplicht en het benadelen van de schuldeisers door het achterhouden van een nabetaling in het kader van de WIA.

Het hof heeft bij arrest van 30 september 2008 voornoemd vonnis vernietigd. Het hof heeft de behandeling van het beroep aangehouden van 7 juli 2008 tot 18 augustus 2008 om de schuldenaar een laatste kans te bieden om te laten zien dat hij inmiddels wel aan zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen voldoet. Vervolgens heeft het hof onder meer overwogen: “Het hof wijst [de schuldenaar] er wél op dat hij alle in het kader van de schuldsaneringsregeling van belang zijnde informatie voortaan eigener beweging en op tijd aan de bewindvoerder dient te verstrekken en ook overigens zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren dient na te komen.”

Op 13 januari 2009 wordt – opnieuw- een voordracht gedaan tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar. Niet kan worden bepaald of wordt voldaan aan de inspanningsplicht omdat de schuldenaar sinds 1 november 2008 niet meer heeft voldaan aan zijn informatieplicht en omdat er een nieuwe bovenmatige schuld kan zijn ontstaan (omdat hij mogelijk aansprakelijk is voor een schuld van het bedrijf waarvan hij bestuurder is). Bovendien kan niet worden beoordeeld of de schuldenaar voldaan heeft aan zijn afdrachtverplichting. Deze voordracht is behandeld ter zitting van 22 april 2009, waarna de beslissing 2 maanden is aangehouden om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen alsnog alle gegevens aan te leveren. In juni 2009 schrijft de bewindvoerder dat inmiddels alle gevraagde stukken zijn ontvangen, maar dat de bankrekening die voorheen als betaalrekening werd gebruikt geen cashflow meer laat zien. De bewindvoerder vermoedt dat er een andere bankrekening is geopend waar inkomen op terecht komt en waarvan betalingen gedaan worden. Het is de bewindvoerder niet bekend wat er aan WAO-uitkering wordt ontvangen en of deze nog wel ontvangen wordt.

Op 10 juli 2009 schrijft de waarnemend bewindvoerder dat inmiddels de informatie betreffende de WAO uitkering is ontvangen en dat de boedelachterstand € 3.121,98 bedraagt.

Bij vonnis van 24 juli 2009 houdt de rechtbank de beslissing omtrent de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling aan tot de pro forma eindzitting. De rechtbank stelt vast dat de schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de naleving van zijn informatieverplichting. De rechtbank stelt verder vast dat de schuldenaar zijn afdrachtverplichting niet naar behoren is nagekomen. Omdat de boedelachterstand tijdens de mondelinge behandeling niet bekend was en de schuldenaar daarop dus niet heeft kunnen reageren, kan de rechtbank de schuldsaneringsregeling niet beëindigen, zonder de schuldenaar te hebben gehoord. De rechtbank overweegt voorts als volgt: “De schuldenaar dient zijn bewindvoerder maandelijks te informeren omtrent alle zaken die rechtstreeks dan wel zijdelings met zijn schuldsaneringsregeling te maken hebben, waaronder dus ook informatie over zijn inkomsten, alsmede over bankrekeningen die op zijn naam staan of die hij gebruikt. De schuldenaar dient bovendien op alle informatieverzoeken van de bewindvoerder te reageren ook indien het verzoek om informatie een heikel punt betreft. De schuldenaar dient zich bovendien te realiseren dat informatieverzoeken vanuit de bewindvoerder, de rechter-commissaris of de rechtbank niet worden gedaan om hem te treiteren maar om ervoor te zorgen dat zijn schuldsaneringsregeling naar behoren verloopt. Verder dient de schuldenaar een reële betalingsregeling te treffen met de bewindvoerder voor het inlopen van de boedelachterstand. De schuldenaar dient bovendien de getroffen betalingsregeling correct na te leven. De schuldenaar dient daarnaast ook zijn overige verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling correct na te leven.”

In het verslag van 14 december 2009 schrijft de bewindvoerder dat de volgende gegevens ontbreken aan het dossier van de bewindvoerder; de salarisspecificaties vanaf 1 september 2009, bankafschriften vanaf april 2009 en de specificaties van het vakantiegeld. De bewindvoerder heeft een herberekening gemaakt van de boedelachterstand en komt tot een boedelachterstand op 31 augustus 2009 van ongeveer € 6.455,99. Daarbij is het vakantiegeld geschat. Op de boedelachterstand wordt niet afbetaald.

De bewindvoerder adviseert op 24 februari 2010 om de schuldenaar niet de schone lei te geven. Daarbij merkt de bewindvoerder op dat de schuldenaar niet heeft gereageerd op het verslag van december 2009. De rechter-commissaris is akkoord met dit advies.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op de hiervoor beknopt weergegeven geschiedenis van deze schuldsaneringsregeling heeft de schuldenaar keer op keer van hof en rechtbank de gelegenheid gekregen aan zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te voldoen.

Thans moet worden beoordeeld of de schuldenaar zich gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling, na de kansen die hem door hof en rechtbank zijn geboden, aan zijn verplichtingen heeft gehouden.

De informatieverplichting

Tegen het vonnis van 24 juli 2009 heeft de schuldenaar geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Daarmee staat dus vast dat de schuldenaar tot die datum zijn informatieverplichting niet is nagekomen.

Na het hiervoor aangehaalde advies van de bewindvoerder en de rechter-commissaris heeft de bewindvoerder onder meer de volgende mails gestuurd aan de advocaat van de schuldenaar:” In navolging op mijn emailbericht van 5 maart 2010, wil ik, voor de duidelijkheid benadrukken dat naast de gegevens die in het eindverslag worden opgevraagd, ook de informatie over de periode van 14 december 2009 t/m 28 februari 2010 aan mijn dossier ontbreekt. Met betrekking tot deze laatste periode wil ik ontvangen:

- alle inkomensspecificaties van betrokkene en zijn partner

- alle bankafschriften van betrokkene en zijn partner

- kopie polissen van de zorgverzekering 2010 (dus van betrokkene en zijn partner)

- indien van toepassing: huur- en zorgtoeslag 2010

- kopie belastingaangifte 2008 en 2009”.

Bij email van 17-3-2010 schrijft de bewindvoerder: “Ik ontving van een tweetal bankrekeningen (…) . Het bevreemdt mij echter dat op beide rekeningen uitsluitend mutaties plaatsvinden in het kader van bij- en afschrijvingen van rente, maar geen enkele ontvangst uit inkomen, betaling van de vaste lasten op opnames in het kader van leefgeld. (…) Het inkomen uit WAO per 1 januari 2010 is eveneens onbekend bij mij. De voorkant van het polisblad van de zorgverzekering van 2010 ontving ik in goede orde. Echter, helaas wordt hierop geen maandelijks verschuldigde premie vermeld. Derhalve kan ik het vrij te laten inkomen per 1 januari 2010 nog altijd niet berekenen.” Op 18 maart 2010 laat de bewindvoerder weten de polissen van de zorgverzekering te hebben ontvangen, maar de overige informatie niet.

Uit al het voorgaande blijkt dat de schuldenaar tot op het laatst voor zitting niet spontaan en uit eigen beweging die stukken heeft aangeleverd die de bewindvoerder voor het kunnen uitoefenen van haar toezichthoudende en controlerende taak nodig heeft.

Overigens is de rechtbank van oordeel dat het niet zo is dat een schuldenaar gedurende een groot deel van de looptijd van de schuldsaneringsregeling de toezichthoudende en controlerende taak van de bewindvoerder en daarmee de uitvoering van de schuldsaneringsregeling kan frustreren door geen of onvoldoende informatie aan te leveren om vervolgens kort vóór het einde van de regeling alsnog de gegevens aan te leveren. De verplichting tot het uit eigen beweging leveren van informatie is een verplichting die geldt vanaf de toelatingszitting tot en met de eindzitting. Deze verplichting kan niet door de schuldenaar worden gewijzigd in een verplichting die alleen geldt op momenten dat het de schuldenaar uitkomt.

De rechtbank stelt vast dat de schuldenaar gedurende de gehele looptijd van de regeling zijn informatieverplichting niet is nagekomen.

De rechtbank wenst ten overvloede nog het volgende op te merken.

De advocaat van de schuldenaar wijst er bij herhaling op dat afgesproken zou zijn dat alle informatiestromen via hem zouden lopen. Een dergelijke afspraak is niet in het dossier te vinden en miskent ook overigens de verplichtingen van degene die onder de schuldsaneringsregeling valt. De schuldenaar heeft immers de verplichting, zoals ook in het arrest van het hof en de uitspraak van de rechtbank expliciet is bepaald, om de bewindvoerder uit eigen beweging te informeren. In aansluiting daarop merkt de rechtbank op dat de schuldenaar allerlei mail berichten aan de bewindvoerder heeft gestuurd, waarin hij vragen stelt, maar dat het mogelijk geen antwoord krijgen op de gestelde vragen hem niet ontslaat van zijn verplichtingen. Gelet op de rechterlijke uitspraken en de behandelingen ter zittingen moet het de schuldenaar volstrekt duidelijk zijn geweest welke informatie hij diende te leveren. Daar hoefde geen enkele vraag voor gesteld te worden, laat staan te worden beantwoord. Het had voorts op de weg van de schuldenaar gelegen om zijn advocaat van de verslagen van de bewindvoerder in kennis te stellen. De rechtbank vermag niet in te zien waarom het toezenden van het verslag eerder op de weg van de bewindvoerder dan op de weg van de schuldenaar zou liggen.

De afdrachtverplichting

Zoals hiervoor al is overwogen heeft de schuldenaar geen rechtsmiddelen aangewend tegen het vonnis van 24 juli 2009 zodat vast staat dat de schuldenaar op dat moment een boedelachterstand had. De schuldenaar heeft niet op deze achterstand ingelost, ondanks de opdracht daartoe in voormeld vonnis, zodat vast staat dat de schuldenaar tenminste deze achterstand heeft.

De bewindvoerder heeft op verzoek van de rechtbank, op basis van de thans bekende gegevens een berekening gemaakt van de boedelachterstand zoals die in januari 2010 was, hetgeen uitkomt op een bedrag van € 10.373,40. De rechter-commissaris heeft deze berekening geaccordeerd.

De schuldenaar is in de gelegenheid gesteld op deze berekening te reageren. De schuldenaar betwist de hoogte van de achterstand niet, althans niet gemotiveerd. Hij stelt slechts dat hij twijfel heeft omtrent de juistheid van de geproduceerde gegevens van de bewindvoerder, nu er zoveel wisseling heeft plaatsgevonden met bedragen en er geen reacties komen op zijn verzoeken tot vaststelling boedelbijdrage.

De rechtbank is van oordeel dat in dit stadium van de schuldsaneringsregeling niet van belang is hoe hoog de achterstand exact is. Vast staat dat er een aanzienlijke achterstand is. Dat er een aanzienlijke achterstand is, was in ieder geval sinds het meermaals genoemde vonnis van 24 juli 2009 bij de schuldenaar bekend. Bovendien is het aan de schuldenaar te wijten dat niet eerder bekend kon worden hoe hoog de boedelachterstand was, aangezien hij – zoals hiervoor al is vastgesteld - geen, althans onvoldoende informatie aanleverde.

Benadelen van de schuldeisers

De advocaat van de schuldenaar schrijft in een email van 18 maart 2010: “(…) Het salaris van de man en de vrouw wordt niet overgemaakt door de zaak, daar tegenover staat dat de betaling van vaste lasten en opnames van leefgeld geschieden door de zaak met strikte in achtname van toegelaten salarissen.” Verder schrijft hij op 14 april 2010: “(…) waarbij aangegeven is dat de salarissen niet uitbetaald worden ter versterking van de financiële positie van het bedrijf (…). Ook schrijft de advocaat in dezelfde brief: “Er is door het bedrijf een algemene informatie verstuurd van bedrijf tot werknemers waarbij als info werd aangegeven dat tijdens de vergadering was besloten geen vakantiegeld noch eventuele bonussen uit te keren gezien de financiële situatie van het bedrijf in deze crises tijd en temeer de bank haar kredietfaciliteit had gehalveerd. (…)”. De schuldenaar is bestuurder van zijn werkgeefster, European Manufacturing Company B.V, waar volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel 1 persoon werkzaam is. Enig aandeelhouder van de werkgeefster van de schuldenaar is de Stichting beheer aandelen EMC. Bestuurders van deze stichting zijn de schuldenaar en zijn echtgenote. De schuldenaar heeft dus zelf beslist zichzelf en zijn echtgenote geen salaris en geen vakantiegeld uit te betalen. Daarmee heeft hij zijn schuldeisers benadeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is ieder van de voornoemde tekortkomingen op zich reeds voldoende om aan de schuldenaar de schone lei te onthouden. In hun onderlinge samenhang bezien is er zelfs des te meer reden om aan de schuldenaar niet de schone lei te verlenen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de schuldenaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten. Voorts is niet gebleken dat deze tekortkomingen niet aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend. Nu het gaat om het tekortschieten in de nakoming van de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling ziet de rechtbank geen aanleiding voor toepassing van artikel 354 lid 2 Fw. De rechtbank is mitsdien van oordeel dat de schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd zonder toekenning van de schone lei.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen, alsmede de kosten van de in de Faillissementswet bevolen publicaties.

De kosten van de in de Faillissementswet bevolen publicaties komen ten laste van de Staat, indien en voor zover blijkt dat deze niet geheel uit de boedel kunnen worden voldaan.

Gelet op artikel 354 lid 1 Fw.

Beslissing

De rechtbank:

-stelt vast dat de schuldenaar toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloei¬en¬de verplichtingen is te¬kort¬ge¬scho¬ten;

?- verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van de schuldenaar eindigden op 28 februari 2010;

- stelt het bedrag van het salaris van de bewindvoerder vast op € 2.981,95 (inclusief de daarover verschuldig¬de omzetbelas¬ting), waarop het reeds opgenomen voorschot in mindering wordt gebracht;

?- stelt het bedrag van de door de bewindvoerder gemaakte reiskosten vast op € 54,00;

?-stelt het bedrag van de publicatiekosten vast op € 195,00 (inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting).

Gewezen door mr. P.A.M. Penders en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 april 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.