Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN2004

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
01/839344-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling terzake overtreding van artikel 245 Sr en artikel 138a Sr.

Het slachtoffer was oudleerlinge van de basisschool waar verdachte als leraar werkzaam was.

Bij de politie heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd met betrekking tot het tongzoenen,

welke verklaring hij later heeft ingetrokken. De rechtbank acht de bekennende verklaring van verdachte

geloofwaardig, mede gezien de conclusie van de deskundige.

Opgelegd een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en een werkstraf van 140 uur subsidiair 70 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr. Daarnaast is er ten behoeve van het slachtoffer immateriële schade van € 250,-- toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839344-09

Datum uitspraak: 21 juli 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 februari 2010 en 7 juli 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 december 2009.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2008 tot en met 20 april 2009 te Helmond en/of Gemert, althans in Nederland, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1994), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, een tongzoen gegeven;

(artikel 245 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 april 2009 te Helmond en/of Gemert, althans in Nederland, een of meermalen door giften of beloften van geld of goed of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding, te weten door

- het aangaan van gesprekken via MSN (op (een)moment(en) dat hij, verdachte, de/een leraar was) en/of

- het maken van afspraken teneinde elkaar te zien en/of

- het doen voorkomen dat zij een liefdesrelatie hadden en/of

- het (meermalen) sturen van kaarten en/of brieven en/of

- het geven van een hangertje/kettinkje en/of een knuffel en/of een gsm en/of beltegoed voor een gsm en/of

- meerdere malen aan te geven dat hij, verdachte, zelfmoord zal plegen als de relatie stop werd gezet,

een persoon, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1994 waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, (telkens) opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen, te weten het meermalen, althans eenmaal, (tong)zoenen van die [slachtoffer], te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden;

(artikel 248a Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 mei 2009 tot en met 19 mei 2009 te Helmond, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk, te weten een hotmailaccount, althans de mailbox, van [slachtoffer], althans in een deel daarvan, is binnen gedrongen, waarbij hij enige beveiliging heeft doorbroken.

(artikel 138a Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

De bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen maken deel uit van een dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Helmond, afgesloten op 10 augustus 2009, in totaal 254 doorgenummerde bladzijden (hierna te noemen: dossier).

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het seksueel binnendringen van het lichaam van een persoon beneden de zestien jaar (feit 1 primair) en computervredebreuk (feit 2).

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman op een aantal in zijn schriftelijke pleitnota verwoorde gronden vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. De (ontkennende) verklaring van verdachte staat haaks op de verklaring van [slachtoffer]. Vast is komen te staan dat [slachtoffer] meermalen bij de politie niet de waarheid heeft verklaard over haar relatie met verdachte en daarbij de feiten heeft aangedikt. Verdachte heeft bij de politie weliswaar in eerste instantie bekend dat hij met [slachtoffer] heeft getongzoend, maar hij heeft op een later moment verklaard dat dit een valse bekentenis is geweest. Uit het onderzoek naar de betrouwbaarheid van deze bekentenis door prof. dr. Van Koppen is onder meer naar voren gekomen dat hiervoor in het dossier ook enige steun is gevonden.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. In de visie van de raadsman is het niet uitgesloten dat een ander dan verdachte met gebruikmaking van het ip-adres van verdachte toegang tot de hotmailaccount [account slachtoffer] heeft verschaft. Immers, aan de hand van de gegevens van Microsoft kan worden vastgesteld dat er ook na 19 mei 2009 nog met het ip-nummer van verdachte is ingelogd op genoemd account, te weten op 20, 22 en 30 mei 2009. Ook zijn er geen gegevens bekend geworden van Microsoft met betrekking tot de datum waarop de e-mails tussen [slachtoffer] en [bekende van het slachtoffer] naar de e-mailaccount van verdachte zijn verstuurd. Naar de mening van de raadsman is het technisch recherchewerk onvoldoende overtuigend uitgevoerd. Verdachte heeft ook ten aanzien van feit 2 in eerste instantie een bekennende verklaring afgelegd, maar ook deze verklaring kan niet betrouwbaar worden geacht.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1 primair.

Op 28 april 2009 heeft [vader van het slachtoffer] tegen verdachte aangifte gedaan van het feit dat verdachte een (liefdes-)relatie met zijn dochter [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1994 1, zou hebben onderhouden in de periode dat zij in groep 8 van [naam basisschool] in Gemert en de eerste en tweede klas van de middelbare school zat. Op 20 april 2009 heeft [slachtoffer] aan [getuige] verteld dat zij een relatie met verdachte onderhield.2

[slachtoffer] heeft in totaal drie keer bij de politie een verklaring afgelegd. Zij heeft samengevat onder andere het volgende verklaard. Zij was leerlinge van [naam basisschool] in (gemeente). Verdachte was leraar van een andere groep op deze basisschool. Ergens halverwege groep 8 kreeg zij via MSN contact met verdachte. Haar moeder kwam er achter dat zij met verdachte op MSN contact had en heeft verdachte daarop aangesproken. Vervolgens is er een lange periode geen contact tussen [slachtoffer] en verdachte geweest. Door verdachte werd op een bepaald moment wederom via MSN contact gezocht met [slachtoffer]. Zij bevond zich toen aan het einde van de brugklas. [slachtoffer] en verdachte spraken af dat verdachte haar aan het einde van haar straat in [gemeente] met de auto zou komen ophalen en dat zij vervolgens naar zijn woning in [gemeente] zouden gaan. [slachtoffer] was verliefd op verdachte en verdachte gaf haar te kennen ook op haar verliefd te zijn. In de woning van verdachte keken zij televisie. Verdachte heeft tegen haar gezegd dat zij geen andere dingen konden doen, omdat anderen hun zouden kunnen zien en hij dan problemen zou krijgen. Verdachte had gezegd dat het niet kon dat zij samen waren. [slachtoffer] en verdachte hebben bij hun derde afspraak gezoend. [slachtoffer] heeft verklaard dat het best zo kan zijn dat zij voor het eerst op 6 augustus 2008 met verdachte heeft gekust. [slachtoffer] zat op dat moment in het begin van het schooljaar in de tweede klas van de middelbare school. Volgens [slachtoffer] begon verdachte haar te tongzoenen en tongzoende zij gewoon mee. Zij tongzoenden iedere keer als zij elkaar zagen. Sinds het begin van de tweede klas van de middelbare school hadden [slachtoffer] en verdachte elkaars telefoonnummer en spraken zij via de telefoon met elkaar af. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij van verdachte ook kaarten en (liefdes-) brieven had gekregen. De eerste kaart kreeg zij op haar 14e verjaardag (de rechtbank begrijpt: [geboortedatum] 2008). De andere (liefdes-)brieven kreeg zij van verdachte na oktober 2008. Verdachte overhandigde haar de brieven in zijn woning.3

Verdachte is meerdere malen gehoord door de politie. Aanvankelijk heeft verdachte ontkend dat er sprake was van een (liefdes-)relatie en heeft hij verklaard dat zij nooit hadden getongzoend. Bij aanvang van zijn derde verhoor heeft verdachte echter een bekennende verklaring afgelegd.

Verdachte heeft tijdens laatstgenoemd verhoor onder meer het navolgende verklaard. Hij had [slachtoffer] leren kennen in groep 8 van de [naam basisschool]. Verdachte was leraar van een andere groep 8 van deze basisschool. In de zomervakantie van 2008 kregen hij en [slachtoffer] weer contact met elkaar. Verdachte bevond zich op dat moment in de gymzaal van genoemde basisschool in [gemeente]. [slachtoffer] bezocht de gymzaal en kuste verdachte toen spontaan op zijn mond. Verdachte kuste haar terug, maar van een tongzoen was aldus verdachte geen sprake. Na een tijdje, toen het contact volgens verdachte gemakkelijker werd, hebben [slachtoffer] en hij weer met elkaar gekust. In het begin was het alleen zoenen op de mond. Na verloop van tijd tongzoenden zij ook met elkaar. Volgens verdachte kan het kloppen dat de eerste keer tongzoenen heeft plaatsgevonden in zijn woning in [gemeente] en dat het initiatief hiervoor van hem uitging. Verdachte heeft ook verklaard dat hij in die periode meerdere liefdesbrieven en kaarten aan [slachtoffer] heeft geschreven. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij inderdaad tegen [slachtoffer] had gezegd dat hij door het contact met haar te onderhouden in de problemen kon komen en zelfs zijn baan zou kunnen verliezen.4

Bij brief van de raadsman van verdachte van 28 januari 2010 is door de verdediging kenbaar gemaakt dat verdachte zich onder druk van de voortdurende voorlopige hechtenis heeft voelen staan en dat hij onder invloed van deze druk bij de politie, in strijd met de waarheid, heeft verklaard dat hij heeft getongzoend met [slachtoffer]. Verdachte heeft vervolgens volhard in deze ontkenning.

Ter terechtzitting van 1 februari 2010 heeft verdachte verklaard dat hij vanaf het moment dat hij op vrije voeten was gekomen wist dat hij het niet had gedaan.5 Ter terechtzitting van 7 juli 2010 heeft verdachte onder meer het navolgende verklaard. In de periode dat [slachtoffer] in groep 8 van de [naam basisschool] zat was er tussen hen minimaal MSN-contact. Toen [slachtoffer] in de tweede klas van de middelbare school zat kreeg verdachte enkele dreigbrieven. In deze brieven stond dat hij meer contact met [slachtoffer] moest opnemen. Hij is hiertoe overgegaan.

Op een bepaald moment bevond verdachte zich in de gymzaal van de basisschool. [slachtoffer] kwam toen de gymzaal binnenlopen. Ze begonnen te praten en vervolgens kuste [slachtoffer] verdachte spontaan op de mond. Het kan volgens verdachte kloppen dat dit 6 augustus 2008 was. Na deze datum werd het contact tussen hen uitgebreid. Vaak werd er via de telefoon of MSN afgesproken om elkaar bij de basisschool te ontmoeten. Verdachte haalde [slachtoffer] met zijn auto op en zij reden dan naar zijn woning in [gemeente]. Dit gebeurde één à twee keer per week. In totaal ongeveer 20 à 30 keren. Verdachte heeft ontkend dat [slachtoffer] en hij tijdens hun ontmoetingen hebben getongzoend. Hij heeft verklaard dat de verklaring van [slachtoffer] dat zij elke keer als zij elkaar zagen tongzoenden niet klopt. Verdachte heeft verder verklaard dat hij een aantal liefdesbrieven aan [slachtoffer] heeft geschreven. Volgens verdachte meende hij niet wat hij aan [slachtoffer] schreef. Uit de inhoud van de brieven kan weliswaar worden afgeleid dat hij verliefd was op haar, maar hij heeft deze teksten alleen geschreven om [slachtoffer] zelfvertrouwen te geven, aldus verdachte.6

Verdachte heeft ter terechtzitting van 7 juli 2010 herhaald dat hij een valse bekentenis heeft afgelegd bij de politie omdat hij onder druk van de politie stond en graag naar huis wilde.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in de onderhavige zaak de vraag centraal of de bekentenis van verdachte geloofwaardig is.

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij aanvang van zijn derde politieverhoor heeft verklaard over zijn liefdesrelatie met [slachtoffer] en het feit dat zij meermalen met elkaar getongzoend zouden hebben. Deze verklaring komt op essentiële onderdelen overeen met de verklaring van [slachtoffer]. Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte nadat hij op 27 mei 2009 was vrijgekomen tegen zijn vader en zus zijn bekennende verklaring heeft herhaald. Tegen zijn vader heeft verdachte verteld dat hij en het meisje twee keer gekust hadden. Hij had gekust in de gymzaal van de school waarbij het initiatief vanuit het meisje kwam en er was een keer gekust bij verdachte thuis.7 Tegen zijn zus heeft verdachte verteld dat hij hen niet eerder had verteld dat het meisje hem gekust had in de gymzaal en dat hij het meisje later ook nog een keer gekust had.8 Ter zitting van 7 juli 2010 heeft verdachte desgevraagd meegedeeld dat hij voor zover hij zich herinnert daarbij heeft gezegd dat het om tongzoenen ging. Ook maanden later, bij de reclassering, heeft verdachte gezegd dat hij heeft getongzoend, terwijl hij daar wél is teruggekomen op zijn verklaring inhoudende dat [slachtoffer] bij hem is blijven slapen.9

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de ontkenning van verdachte met betrekking tot het tongzoenen evenmin steun in de aard en inhoud van de door hem aan [slachtoffer] geschreven (getypte) brief. In deze brief is het volgende opgenomen, kort weergegeven:

"Allerliefste schatje van me,

6 maanden geleden stond je voor me en waren we samen in de gymzaal (...). En toen zoenden we voor het eerst...ik trilde helemaal en mijn hart klopte in mijn keel. En nog bij iedere zoen en aanraking met jou voel ik een trilling door mijn lichaam gaan (...). Onze liefde is sterker dat alles in de hele wereld (...)"10

Naar het oordeel van de rechtbank bevat genoemde tekst op de kaart die daadwerkelijk tijdens de relatie aan [slachtoffer] is gegeven reeds een sterke aanwijzing dat er meermalen tussen verdachte en [slachtoffer] is getongzoend.

Psycholoog en hoogleraar rechtspsychologie dr. P.J. van Koppen heeft een onderzoek uitgevoerd naar de vraag of verdachte valselijk bekennend heeft verklaard ten aanzien van het tongzoenen. Kort en zakelijk weergegeven heeft Van Koppen in zijn rapportage van 11 juni 2010 het navolgende gesteld. Voor het scenario dat verdachte een valse bekentenis heeft gedaan is enige steun te vinden. In de verhoren van verdachte van 25, 26 en 27 mei 2009 zijn enkele factoren aanwezig die de kans op een valse bekentenis verhogen. De negatieve gebeurtenissen in het leven van verdachte kunnen bijgedragen hebben aan een hogere mate van suggestibiliteit, maar daarvan kan niet worden verwacht dat het een overheersende invloed heeft gehad op de kans op een valse bekentenis tijdens de verhoren.

Volgens Van Koppen is er meer steun te vinden voor het scenario dat verdachte wél met [slachtoffer] heeft getongzoend. Verdachte heeft spontaan aan het begin van zijn derde verhoor een bekentenis afgelegd over het tongzoenen met [slachtoffer]. Daarnaast komt zijn verklaring overeen met de verklaringen van [slachtoffer], op enkele kleine verschillen na. Bovendien heeft verdachte zijn bekentenis herhaald op momenten dat zeker geen druk door detentie en verhoor aanwezig was. Hij deed dat misschien tegen zijn familie, maar in ieder geval tegen de reclassering.

Ter terechtzitting van 7 juli 2010 heeft verdachte verklaard dat hij slechts één keer met [slachtoffer] heeft gezoend. Dat was in de gymzaal en dat was geen tongzoen. Deze verklaring acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig, met name gelet op de inhoud van de reeds geciteerde brief.

De rechtbank acht gelet op al het voorgaande de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van het tongzoenen met [slachtoffer] geloofwaardig. De rechtbank zal derhalve de bekennende verklaring van verdachte als bewijsmiddel bezigen.

Niet ter discussie staat dat verdachte en [slachtoffer] niet met elkaar gehuwd waren.

Alles overwegend acht de rechtbank hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2.

[slachtoffer] heeft op 3 juni 2009 verklaard dat zij kort geleden op haar computer de melding kreeg dat zij op twee pc's online stond. Op haar computer kwam een scherm waarop stond dat zij op de pc van [verdachte] online was. [slachtoffer] nam aan dat hiermee verdachte werd bedoeld. Het is [slachtoffer] onbekend hoe verdachte aan de e-mailberichten tussen [bekende van het slachtoffer] en haar is gekomen.11

Verdachte heeft op 29 juli 2009 bij de politie verklaard dat hij op een bepaald moment met het wachtwoord van [slachtoffer] heeft ingelogd in haar hotmailaccount. Verdachte had de beschikking over dat wachtwoord, omdat hij [slachtoffer] een keer had geholpen met inlogproblemen. Uiteindelijk heeft verdachte toen twee keer ingelogd in haar hotmailaccount. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij op 14 mei 2009 e-mailberichten tussen [bekende van het slachtoffer] en [slachtoffer] vanuit de hotmailaccount van [slachtoffer] naar zijn eigen emailaccount heeft gestuurd. Hij deed dit omdat hij het niet leuk vond dat hij bij de politie moest komen en [slachtoffer] wel contact onderhield met genoemde [bekende van het slachtoffer]. Ook heeft verdachte op 19 mei 2009 wederom ingelogd in de hotmailaccount van [slachtoffer] om te kijken of [slachtoffer] inderdaad afsprak met [bekende van het slachtoffer].12

Verdachte heeft ter terechtzitting van 7 juli 2010 volhard in zijn verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd en verklaard dat hij wetenschap had van de ongeoorloofdheid van zijn handelen. Verdachte heeft echter ook verklaard dat hij niet meer weet of hij wel daadwerkelijk heeft ingelogd in de hotmailaccount van [slachtoffer] en dat hij genoemde e-mailberichten niet bewust naar zijn eigen e-mailaccount heeft verstuurd. Volgens verdachte vallen de momenten waarop hij heeft ingelogd in de hotmailaccount van [slachtoffer] waarover hij bij de politie heeft verklaard niet in de tenlastegelegde periode. Verdachte heeft voorts nog het scenario geopperd dat mogelijk een ander persoon in zijn computer is ingebroken en deze e-mails naar zijn e-mailaccount heeft verstuurd.13

De rechtbank overweegt het navolgende.

Uit het technisch onderzoek van de laptop van verdachte is het volgende naar voren gekomen. Binnen de map 'Users' werd als enige de door de gebruiker aangemaakte gebruikersmap [naam verdachte] aangetroffen. In genoemde gebruikersmap werd de map [account slachtoffer] aangetroffen. Deze map is aangemaakt op 15 mei 2009 te 14.29 uur. Een dergelijke map wordt uitsluitend aangemaakt als door de gebruiker op de betreffende computer een Microsoft live-account is aangemaakt. Gebruiker [naam verdachte] is voor het laatst op 19 mei 2009 te 14.51 uur succesvol ingelogd in het account [account slachtoffer].14

Ter terechtzitting van 7 juli 2010 is digitaal rechercheur [naam rechercheur] op verzoek van de verdediging als getuige/deskundige gehoord. Hij heeft kort weergegeven onder meer het volgende verklaard. Op de harde schijf van de laptop van verdachte is maar één gebruiker (user) aangemaakt. Dit betrof verdachte. Uit onderzoek is niet gebleken dat er vanuit een andere computer was ingelogd in voornoemd hotmailaccount. De complete contactenlijst van [account slachtoffer] is aangetroffen op de harde schijf van de laptop van verdachte. Dit betekent dat er op de laptop van verdachte in voornoemd hotmailaccount is ingelogd. De Remote Desktop Connection (RDM) van de laptop van verdachte was ten tijde van het ontvangen van de e-mailberichten in de e-mailinbox van verdachte niet geactiveerd, hetgeen betekent dat niet van buiten de woning van verdachte op de laptop van verdachte is ingelogd.15

De rechtbank acht gelet op de resultaten van het technisch onderzoek, de ter terechtzitting van 7 juli 2010 afgelegde verklaring van getuige/deskundige [naam rechercheur] en de bij de politie afgelegde (bekennende) verklaring van verdachte ten aanzien van dit feit wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met gebruikmaking van het wachtwoord van [slachtoffer] opzettelijk en wederrechtelijk in haar hotmailaccount is ingelogd, zoals aan verdachte onder feit 2 is tenlastegelegd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1 (primair).

in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 20 april 2009 te Helmond en Gemert met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1994), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte die [slachtoffer] meermalen een tongzoen gegeven;

2.

op tijdstippen in de periode van 14 mei 2009 tot en met 19 mei 2009 te Helmond opzettelijk en wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk, te weten een hotmailaccount ([account slachtoffer]l) van [slachtoffer] is binnengedrongen, waarbij hij enige beveiliging heeft doorbroken.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

De oplegging van de straffen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich voor wat betreft de door de officier van justitie gevorderde werkstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman acht een voorwaardelijke gevangenisstraf mede gelet op de inhoud van de omtrent verdachte opgemaakt reclasseringsrapportage niet geïndiceerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van verdachte is bewezenverklaard dat hij meermalen met de toen 14-jarige [slachtoffer] heeft getongzoend en dat hij zonder toestemming heeft ingelogd in haar hotmailaccount. Verdachte heeft gedurende een periode van enkele maanden een relatie gehad met [slachtoffer]. Zij was oudleerlinge van de basisschool waar verdachte als leraar van groep 8 werkzaam was. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij - nadat hij door de moeder van het slachtoffer er op gewezen was dat een dergelijk contact gelet op zijn leeftijd en functie niet door de beugel kon - toch wederom contact heeft onderhouden met het slachtoffer en de relatie heeft voortgezet gedurende de periode dat het slachtoffer in de eerste en tweede klas van de middelbare school zat. Een dergelijke relatie is per definitie niet gelijkwaardig. De rechtbank overweegt dat artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht juist strekt tot bescherming van minderjarigen. Dat het slachtoffer mogelijk verliefd was op verdachte en zelf ook graag wilde tongzoenen, doet aan de strafbaarheid niets af.

De rechtbank rekent het verdachte daarbij aan dat hij niet heeft stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen. Verdachte heeft ook geen verantwoordelijkheid willen nemen voor de ontstane situatie. Integendeel, verdachte heeft kennelijk nadat hij met het strafbare karakter van het geven van een tongzoen aan een minderjarige bekend werd, dit deel van zijn bekennende verklaring als valselijk bestempeld.

In het voordeel van de verdachte laat de rechtbank nog het volgende meewegen. Het seksueel contact tussen verdachte en het slachtoffer is gebleven bij enkele tongzoenen. De rechtbank beschouwt het geven van tongzoenen als een minder ernstige vorm van het seksueel binnendringen van het lichaam. Voorts heeft de verdachte zich als gevolg van de gebeurtenissen genoodzaakt gezien het onderwijs te verlaten, terwijl hij daarin met plezier heeft gewerkt. De verdachte is hierdoor al behoorlijk gestraft, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een matigend effect moet hebben op de thans op te leggen straf.

Voorts heeft de rechtbank nog acht geslagen op de inhoud van de reclasseringsrapportage van 27 januari 2010. Uit deze rapportage is onder meer het volgende gebleken. Het inzicht van verdachte in zijn eigen aandeel en de gevolgen van het slachtoffer lijkt beperkt. Verdachte lijkt zich te laten leiden door wat anderen hem aanbevelen. Het recidiverisico wordt ingeschat als laaggemiddeld. Recidive lijkt niet op korte termijn plaats te zullen vinden doordat betrokkene op dit moment lijdensdruk ervaart. De kans op recidive op langere termijn lijkt wel aanwezig, gezien het geringe probleembesef, naïviteit, de mate waarin verdachte beïnvloedbaar is en diens geringe probleemhantering.

De rechtbank is van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen is en dat daarnaast aan de verdachte een werkstraf dient te worden opgelegd. De hierna te noemen duur van deze straffen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de ernst van de feiten te benadrukken en om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, terwijl deze tevens recht doet aan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank zal bij deze voorwaardelijke gevangenisstraf geen reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde opleggen, omdat de rechtbank een dergelijk toezicht gelet op het lage recidiverisico bij verdachte niet geïndiceerd acht. De rechtbank acht gelet op de in de reclasseringsrapportage beschreven persoonlijkheidsproblematiek van verdachte wel een proeftijd van drie jaren op zijn plaats.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

De wettelijke vertegenwoordigers van benadeelde partij [slachtoffer] hebben een civiele vordering ten bedrage van 1.500,00 euro ingediend voor immateriële schade.

De officier van justitie heeft gedeeltelijke toewijzing van de civiele vordering gevorderd tot een bedrag van 750,00 met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht; ten aanzien van het overige deel van de vordering is de benadeelde partij niet ontvankelijk. De raadsman heeft aangevoerd dat gelet op de inhoud van het dossier het absoluut niet aannemelijk is gemaakt dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden. De raadsman heeft primair verzocht de civiele vordering af te wijzen en subsidiair de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade tot een bedrag van 250,00 euro is toegebracht. Het tongzoenen van de minderjarige door de meerderjarige verdachte levert een inbreuk op haar lichamelijke integriteit op. De rechtbank zal derhalve de civiele vordering tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 57, 138a en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

t.a.v. feit 1 primair:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

t.a.v. feit 2:

computervredebreuk;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de straffen en maatregel:

t.a.v. feit 1 primair, feit 2:

gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;

werkstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;

waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid;

t.a.v. feit 1 primair:

maatregel van schadevergoeding van EUR 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis, voor immateriële schade.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van EUR 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het delict tot de dag der algehele voldoening, voor immateriële schade;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil;

veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is, omdat dit deel niet eenvoudig van aard is;

bepaalt dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.P.M. Rousseau, voorzitter,

mr. J.F.M. Pols en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 21 juli 2010.

Mr. R.J. Bokhorst is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend d.d. 23 april 2009 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], blz. 52.

2 Verklaring [vader van het slachtoffer] d.d. 28 april 2009, dossier blz. 58-61.

3 Verklaring [slachtoffer] d.d. 29 april 2009, dossier blz. 90-91, 93-96 en 98; verklaring [slachtoffer] d.d. 3 juni 2009, dossier blz. 104.

4 Verklaring verdachte d.d. 25 mei 2009, blz. 169; verklaring verdachte d.d. 27 mei 2009, dossier blz. 202-207.

5 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 februari 2010.

6 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2010.

7 Verklaring [getuige 2] d.d. 5 juni 2009, dossier blz. 128.

8 Verklaring [getuige 3] d.d. 10 juni 2010, dossier blz. 132-133.

9 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2010.

10 Brief, dossier blz. 73.

11 Verklaring [slachtoffer] d.d. 3 juni 2009, dossier blz. 105.

12 Verklaring verdachte d.d. 29 juli 2009, dossier blz. 224-227.

13 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2010.

14 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend d.d. 30 juli 2009 door verbalisanten [naam rechercheur] en [verbalisant 3], blz. 136.

15 Verklaring getuige/deskundige [naam rechercheur], afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2010.