Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BN0999

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
675106
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is per 1 mei 2007 in dienst getreden bij gedaagde voor de duur van zes maanden. Hierna is de arbeidsovereenkomst per 1 november 2007 en per 1 mei 2008 stilzwijgend verlengd.

Partijen hebben vervolgens op 28 oktober 2008 met elkaar een beëindigingovereenkomst gesloten waarin is opgenomen dat partijen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst willen laten bevestigen door de rechter per 1 november 2008, zodat partijen er vanuit gaan dat er een vierde arbeidsovereenkomst kan worden gesloten zonder dat daardoor rechten kunnen worden ontleend aan opvolgende arbeidsovereenkomsten. Tevens is in de beëindigingovereenkomst vermeld dat gedaagde bereid is eiser een arbeidsovereenkomst op sociale gronden aan te bieden en dat deze arbeidsovereenkomst van rechtswege op 1 mei 2009 zal eindigen.

Bij beschikking van 31 oktober 2008 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen in een pro-forma procedure per 1 november 2008 ontbonden. Per 1 november 2008 hebben partijen weer een tijdelijke overeenkomst voor de duur van zes maanden gesloten.

Eiser kan worden gevolgd in zijn standpunt dat op de voet van artikel 7:668a lid 1 sub b BW per 1 november 2008 een overeenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Ingevolge artikel 7:668a lid 5 BW kan slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan ten nadele van de werknemer worden afgeweken van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel. Aangezien niet van een hier bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst of regeling sprake is, moet het beroep van gedaagde op de beëindigingovereenkomst van 28 oktober 2008 worden verworpen.

Ook het beroep van gedaagde op de zogenaamde Ragetlie-regel van artikel 7:667 lid 4 BW moet worden verworpen. Het verzoek aan de kantonrechter tot pro-forma ontbinding van de derde arbeidsovereenkomst, die van rechtswege al zou eindigen per 1 november 2008, moet worden beschouwd als een kunstgreep in een poging de werking van artikel 7:668a lid 1 sub b BW teniet te doen. Artikel 7:667 lid 4 BW ziet echter op de situatie dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Daarvan is hier geen sprake. Een analoge toepassing van artikel 7:667 lid 4 BW moet gelet op het beschermende karakter van artikel 7:668a lid 1 sub b BW niet mogelijk worden geoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie 's-Hertogenbosch

Zaaknummer : 675106

Rolnummer : 10-1335

Uitspraak : 10 juni 2010

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. M.J.O.F. Rutten,

t e g e n :

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. C.A.J. Hoek.

Partijen zullen verder worden aangeduid als '[eiser]' en '[gedaagde]'.

1. De procedure

[eiser] heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. [gedaagde] is in rechte verschenen en heeft een conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft plaatsgevonden op 1 juni 2010. Daarna is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert:

- een verklaring voor recht dat het tussen partijen bestaande dienstverband met ingang van 1 november 2008 kwalificeert als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur;

- betaling van:

a. het loon van € 4.167,- bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten over de periode van 1 mei 2009 tot en met 20 oktober 2009;

b. het vakantiegeld en overige emolumenten over de periode van 1 mei 2009 tot en met 20 oktober 2009;

c. 20,33 openstaande vakantiedagen ad € 3.851,32 bruto;

d. de provisie in verband met de relatie Arentzen ad € 2.682,51;

e. correcte toepassing van de bonusregeling in verband met de provisie-omzet van leven- en schadeproducten;

f. onterecht ingehouden telefoonkosten ad € 210,87 netto;

g. onterecht ingehouden opleidingskosten ad € 630,- netto;

h. een kilometervergoeding van € 77,18 netto;

i. 50% van (de provisie van) de prolongatie van de privé schade- en levensverzekeringen die zijn ondergebracht bij [gedaagde];

j. buitengerechtelijke kosten ad € 1.190,-;

k. de wettelijke rente en wettelijke verhoging als vermeld in de dagvaarding;

l. de kosten van de procedure.

[eiser] legt daaraan het volgende ten grondslag.

Hij is per 1 mei 2007 in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van accountmanager buitendienst hypotheken/leven/pensioen voor de duur van zes maanden. De overeenkomst is per 1 november 2007 en per 1 mei 2008 stilzwijgend verlengd. Per 1 november 2008 is weer een tijdelijke overeenkomst voor zes maanden gesloten.

Met deze laatste arbeidsovereenkomst is op de voet van artikel 7:668a lid 1 sub b BW een overeenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan.

Inmiddels heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden per 20 oktober 2009.

[eiser] verdiende laatstelijk € 4.167,- bruto per maand.

Voorts dient [gedaagde] nog de overige vorderingen van [eiser] te voldoen.

2.2. [gedaagde] heeft, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd.

De heer [vR] heeft [eiser] tijdig medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet per 1 november 2008 zou worden verlengd. Hierop heeft [eiser] verzocht of het dienstverband niet toch verlengd zou kunnen worden omdat hij geen normale uitkering uit hoofde van de WW zou krijgen omdat hij niet voldeed aan de zogenaamde vier-uit-vijf eis. Hij zou daardoor in de problemen raken. Bovendien was zijn echtgenote ernstig ziek. Op 28 oktober 2008 heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij ook de adviseur van - op dat moment - zowel [eiser] als [gedaagde], de heer T. [W.], alsmede de heer mr. S. [W.] aanwezig was. De heer [vR] had aangegeven op sociale gronden nog wel een dienstverband van zes maanden te willen aanbieden, als maar voor 100% zeker was dat dit dienstverband van rechtswege zou eindigen op 1 mei 2009. Vervolgens hebben partijen middels een pro forma procedure de arbeidsovereenkomst per 1 november 2008 doen eindigen, waarna een arbeidsovereenkomst voor zes maanden werd gesloten.

Primair voert [gedaagde] aan dat, op grond van artikel 8 van de beëindigingsovereenkomst die partijen hebben gesloten, de overeenkomst tussen partijen per 1 mei 2009 rechtsgeldig is geëindigd.

Subsidiair voert [gedaagde] aan dat, als de vierde arbeidsovereenkomst niettemin als vierde in een reeks moet worden beschouwd en moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, [eiser] zich op grond van de goede trouw, en van de redelijkheid en billijkheid niet op het standpunt kan stellen dat de arbeidsovereenkomst ook na 1 mei 2009 is blijven voortbestaan. De vierde arbeidsovereenkomst is immers op uitdrukkelijk verzoek van [eiser] tot stand gekomen, aangezien hij anders in financiële problemen zou komen en zijn vrouw bovendien ernstig ziek was. De heer [vR] was uitsluitend op sociale gronden bereid aan dit klemmende verzoek van [eiser] tegemoet te komen. Onder deze omstandigheden, en gelet op de uitdrukkelijke afspraken die partijen hebben gemaakt, is de vordering van [eiser] in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Meer subsidiair doet [gedaagde] een beroep op de toepasselijkheid van artikel 7:667 lid 4 BW, aangezien de derde arbeidsovereenkomst door de kantonrechter is ontbonden per 1 november 2008.

Ook de overige vorderingen worden gemotiveerd betwist.

2.3. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd komt, indien en voor zover van belang, in het navolgende aan de orde.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat onder meer het volgende vast.

[eiser] is per 1 mei 2007 in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van accountmanager buitendienst hypotheken/leven/pensioen voor de duur van zes maanden. De overeenkomst is per 1 november 2007 en per 1 mei 2008 stilzwijgend verlengd voor de duur van zes maanden, derhalve tot 1 november 2008.

De heer T. [W.] heeft op 28 oktober 2008 namens [eiser] een beëindigingsovereenkomst met [gedaagde] gesloten. Daarin is onder meer vermeld dat:

- partijen zich ervan bewust zijn dat een vierde verlenging van de arbeidsovereenkomst zou leiden tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;

- werknemer - [eiser] - bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 november 2008 geen rechten kan doen gelden op een loongerelateerde WW-uitkering omdat werknemer niet voldoet aan de vier-uit-vijf eis en daardoor maximaal recht kan doen gelden op een WW-uitkering van drie maanden;

- werkgever - [gedaagde] - bereid is om werknemer meer tijd te geven, gezien de ziekte van zijn vrouw en het ontbreken van een vangnet tegen werkloosheid, door nog maximaal zes maanden aaneengesloten te laten werken zodat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt op 1 mei 2009;

- partijen een beëindiging van de arbeidsovereenkomst willen laten bevestigen door de rechter per 1 november 2008, zodat partijen er vanuit gaan dat er een vierde arbeidsovereenkomst kan worden gesloten voor bepaalde tijd zonder dat daardoor rechten kunnen worden ontleend aan opvolgende arbeidsovereenkomsten.

Artikel 8 van deze overeenkomst luidt:

"Voor het geval dat werknemer een beroep doet op de nietigheid of de vernietigbaarheid van deze overeenkomst c.q. de ongeldigheid of het ontbreken van rechtskracht aan de ontbindingsbeschikking ontleend en derhalve een beroep doet op voortzetting van de arbeidsovereenkomst gaan partijen er van uit dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van werknemer respectievelijk met wederzijds goedvinden wordt beëindigd per 1 mei 2009."

Bij beschikking van 31 oktober 2008 heeft de kantonrechter te 's-Hertogenbosch, in een zogenaamde pro-forma procedure, de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 november 2008 ontbonden. De heer T. [W.] is daarbij opgetreden als gemachtigde van [eiser]. In het verzoek- en verweerschrift is het voorgesteld als bestond er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen partijen.

Per 1 november 2008 hebben partijen weer een tijdelijke overeenkomst voor de duur van zes maanden gesloten.

Bij beschikking van 29 september 2009 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk ontbonden per 20 oktober 2009, onder toekenning aan [eiser] van een vergoeding van € 10.800,- bruto.

[eiser] verdiende laatstelijk € 4.167,- bruto per maand.

3.2. Ingevolge artikel 7:668a lid 5 BW kan slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele van de werknemer van de leden 1 tot en met 4 van dat artikel. Aangezien in het onderhavige geval niet van een hier bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst of regeling sprake is, moet in beginsel het beroep van [gedaagde] op de overeenkomst van 28 oktober 2008 worden verworpen.

3.3. Ook het beroep van [gedaagde] op de zogenaamde Ragetlie-regel van artikel 7:667 lid 4 BW moet worden verworpen. Er is sprake van vier elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Het verzoek aan de kantonrechter tot pro-forma ontbinding van de derde arbeidsovereenkomst, die van rechtswege al zou eindigen per 1 november 2008, per 1 november 2008, moet worden beschouwd als een kunstgreep in een poging de werking van artikel 7:668a lid 1 sub b BW teniet te doen. Artikel 7:667 lid 4 BW ziet echter uitdrukkelijk op de situatie dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Daarvan is hier geen sprake. Gelet op het beschermende karakter van artikel 7:668a BW moet een analoge toepassing van artikel 7:667 lid 4 BW in het onderhavige geval niet mogelijk worden geoordeeld. De overeenkomst die partijen hebben gesloten om de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd per 1 november 2008 te laten ontbinden door de kantonrechter moet in beginsel op een lijn worden gesteld met een ingevolge artikel 7:668a lid 5 BW niet toegelaten afwijking van artikel 7:668a lid 1 tot en met 4 BW ten nadele van de werknemer, omdat deze overeenkomst ertoe strekt een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mogelijk te maken en daarbij de beschermende werking aan artikel 7:668a lid 1 sub b BW te ontnemen.

3.4. Dat betekent dat in beginsel is voldaan aan het bepaalde in artikel 7:668a lid 1 sub b BW, en derhalve de vierde arbeidsovereenkomst tussen partijen, per 1 november 2008, in beginsel geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd.

3.5. Dat is slechts anders, indien het beroep van [eiser] op dit artikel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (op de voet van artikel 6:2 lid 2 BW) onaanvaardbaar zou zijn. Kennelijk dient het beroep van [gedaagde] op de goede trouw c.q. de redelijkheid en billijkheid, in die zin te worden begrepen.

Dan dient echter aan zware eisen te worden voldaan. Niet voldoende is dat [gedaagde] [eiser] ter wille heeft willen zijn met het sluiten van een vierde arbeidsovereenkomst. Het criterium dient te zijn dat het, in de gegeven omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat aan [eiser] de bescherming van artikel 7:668a lid 1 BW toekomt.

Dat zou het geval kunnen zijn indien:

- [gedaagde] aanvankelijk het dienstverband per 1 november 2008 niet wilde verlengen; en

- [eiser] heeft verzocht om een verlenging (dan wel een vast dienstverband) in verband met zijn beperkte rechten op een WW-uitkering en de ziekte van zijn vrouw; en

- de heer [vR] uitsluitend om deze reden (en dus op sociale gronden) bereid was om met [eiser] nog een vierde arbeidsovereenkomst te sluiten,

- onder de voorwaarde dat deze vierde arbeidsovereenkomst per 1 mei 2009 zou eindigen en [eiser] geen rechten op enige verlenging zou kunnen doen gelden althans zou doen gelden, althans dat hij ermee instemde dat die arbeidsovereenkomst per die datum zou eindigen en er dan geen verlenging van rechtswege of het bestaan of ontstaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan de orde was;

- en het voor [eiser] duidelijk was, althans heeft behoren te zijn, dat deze vierde arbeidsovereenkomst uitsluitend om deze reden werd gesloten en hij heeft ingestemd met deze voorwaarde (en het dus voor hem duidelijk was dat, indien hij niet met deze voorwaarde zou instemmen, de arbeidsrelatie tussen partijen zou eindigen per 1 november 2008).

3.6. [gedaagde] heeft ter ondersteuning van haar standpunt een beroep gedaan op de inhoud van de overeenkomst van 28 oktober 2008, welke overeenkomst door de heer S. [W.] bij brief van 28 oktober 2008 aan [eiser] is toegezonden (zoals niet weersproken door [eiser]).

[eiser] heeft aangevoerd dat hij niet betrokken is geweest bij het opstellen van deze overeenkomst en dat hij deze overeenkomst ook pas na toezending in het kader van het ontbindingsverzoek heeft gezien.

De overeenkomst van 28 oktober 2008 is ondertekend door de heer T. [W.], als gemachtigde van [eiser]. [eiser] heeft erkend dat hij de heer T. [W.] heeft gemachtigd om hem te vertegenwoordigen bij het afhandelen van het tot 1 november 2008 lopende contract en bij het sluiten van het nieuwe contract. Ook heeft hij ter zitting erkend dat gesproken is over de kwestie dat een vierde arbeidsovereenkomst in beginsel zou leiden tot een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Hij heeft echter betwist dat de gehele inhoud van de overeenkomst met hem is besproken. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij meende dat, door de voorstellen van de heer [W.] te volgen, wederom de mogelijkheid zou ontstaan dat er drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd zouden kunnen worden gesloten en dat in het geheel niet is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst definitief zou eindigen per 1 mei 2009.

Aldus is onvoldoende duidelijk wat partijen in oktober 2008 hebben besproken en wat is afgesproken, voorafgaand aan het sluiten van de vierde arbeidsovereenkomst.

3.7. [gedaagde] heeft ter zitting getuigenbewijs aangeboden met betrekking tot de gang van zaken voorafgaand aan het sluiten van de vierde arbeidsovereenkomst. Zij zal worden toegelaten feiten en omstandigheden als hiervoor onder 3.5. weergegeven te bewijzen.

Iedere verdere beslissing op dit punt zal worden aangehouden.

Ten aanzien van de overige vorderingen wordt het volgende overwogen.

3.8. [gedaagde] heeft gemotiveerd aangegeven dat [eiser] in beginsel nog recht zou hebben op vergoeding van 16,33 vakantiedagen. [eiser] heeft, in het licht van dit verweer, onvoldoende onderbouwd dat hij nog recht heeft op uitbetaling van 20,33 vakantiedagen. Kennelijk heeft hij geen rekening gehouden met het saldo van -32 uur dat nog resteerde van 2007.

[gedaagde] heeft met betrekking tot de resterende vakantiedagen aangevoerd dat [eiser] ingevolge het Personeelsreglement bij het eindigen van de arbeidsovereenkomst ervoor moest zorgen dat openstaande vakantiedagen zoveel mogelijk binnen het bestaande dienstverband worden opgemaakt en dat hij dat ook heeft gedaan door op 1 april 2009 de auto van de zaak in te leveren en niet meer op kantoor te komen en geen werkzaamheden meer te verrichten.

[eiser] heeft dat weersproken. Volgens hem heeft hij de auto slechts ingeleverd om de bijtelling te voorkomen, heeft hij in april 2009 nog wel werkzaamheden verricht en is hij ook nog enkele keren op kantoor gekomen.

Nu nergens uit blijkt dat [eiser] vakantiedagen heeft opgenomen in april 2009 en [gedaagde] ook niet een mededeling aan hem heeft gedaan inhoudende dat hij geacht werd vanaf een bepaalde datum zijn vakantiedagen op te nemen, kan de stelling van [gedaagde] dat de vakantiedagen zijn opgenomen niet worden aanvaard. De openstaande 16,33 vakantiedagen moeten derhalve nog worden uitbetaald. De vergoeding voor 16,33 niet opgenomen vakantiedagen betreft een bedrag van € 3.093,56 bruto (namelijk 16,33 maal € 3.851,32 gedeeld door 20,33). Dit bedrag zal te zijner tijd, bij het eindvonnis, worden toegewezen.

De wettelijke rente over dit bedrag is te zijner tijd toewijsbaar vanaf 20 oktober 2009, zoals gevorderd.

3.9. Ter zitting heeft [eiser] de vordering sub d. ten bedrage van € 2.682,51 (de provisie in verband met de relatie Arentzen) ingetrokken, zodat daarop niet behoeft te worden beslist.

3.10. Met betrekking tot de gevorderde bonus in verband met de provisie-omzet van leven- en schadeproducten heeft het volgende te gelden.

[gedaagde] heeft gewezen op artikel 4 van de arbeidsovereenkomst, waarin is bepaald dat de werknemer een bonus ontvangt welke afhankelijk is van de door hem gerealiseerde hypotheekprovisie. Voorts heeft de heer [vR] ter zitting betwist dat met [eiser] is afgesproken dat de bonus ook zou worden berekend over de provisie-omzet inzake leven- en schadeproducten.

[eiser] heeft ter zitting verklaard dat de heer [vR] dat wel heeft toegezegd. Gelet op de betwisting van [gedaagde] staat dat niet vast. [eiser] draagt ter zake de bewijslast. Hij heeft daar echter geen bewijs van aangeboden. Er is onvoldoende grond om ter zake ambtshalve bewijs op te dragen. Dit onderdeel van de vordering zal te zijner tijd worden afgewezen.

3.11. Met betrekking tot de telefoonkosten wordt het volgende overwogen.

Als onbetwist staat vast dat [gedaagde] een bedrag van € 107,64 en een bedrag van € 103,23, in totaal € 210,87 netto, op het salaris van [eiser] heeft ingehouden in verband met telefoonkosten.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat deze kosten de privé door [eiser] gemaakte telefoonkosten betreffen. [eiser] heeft zelf aangegeven een deel van de telefoonrekening in verband met privégebruik te betalen, aldus [gedaagde], en in het kader daarvan heeft hij ook een bedrag van € 600,- betaald met betrekking tot de periode van 6 juni 2007 tot en met 6 augustus 2008. Omdat [eiser] een groot deel van 2008 en 2009 feitelijk niet heeft gewerkt moet [eiser] in deze periode hoofdzakelijk privé hebben gebeld, aldus [gedaagde]. [eiser] moet volgens [gedaagde] maar aantonen dat hij vooral zakelijk heeft gebeld.

[eiser] heeft niet weersproken dat hij eerder een bedrag van € 600,- wegens privé-telefoneren heeft betaald. Hij betwist echter een groot deel van 2008 en 2009 niet te hebben gewerkt.

3.12. In het door [gedaagde] als productie I overgelegde stuk heeft [eiser] onder meer ten aanzien van vaste telefoonnummers als uitgangspunten medegedeeld:

5477395 wordt gebruikt voor uit-bellen naar klanten en kantoor voor afspraken en overleg binnendienst en af en toe door Elly (verhouding resp 2/3 en 1/3 aangehouden, over periode vanaf factuur van 6 juni (tijdvak juni/juli), factuur april/mei buiten beschouwing gelaten. Abonnement ook ongeveer in deze verhouding aangehouden.

Facturen 6/6-07 t/m 6/8-08 bijdrage 600,-

De heer [vR] heeft ter comparitie verklaard dat hij hiermee akkoord is gegaan.

Aldus staat genoegzaam vast dat partijen zijn overeengekomen dat de facturen voor het gebruik van de telefoonlijn met dit nummer zullen worden gedeeld in de verhouding 2/3e voor rekening van [gedaagde] in verband met zakelijke gesprekken en 1/3e voor rekening van [eiser] zelf in verband met privé-gesprekken.

[gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat [eiser] een groot deel van 2008 en 2009 feitelijk niet heeft gewerkt, althans zo weinig heeft gewerkt dat er grond is om af te wijken van dit (overeengekomen) uitgangspunt. Er is dus onvoldoende grond om alle telefoonkosten in rekening te brengen bij [eiser].

[gedaagde] heeft medegedeeld dat de inhouding van € 107,64 niet correct is geweest, omdat dat € 61,19 had moeten zijn. Ook bij dit laatste bedrag gaat het kennelijk om alle verbruikskosten in verband met telefoonnummer 5477395 in de periode februari-maart 2009.

Omdat [gedaagde] slechts gerechtigd is om 1/3e deel van de kosten wegens privé-gebruik van de telefoon in rekening te brengen, was zij slechts gerechtigd om een bedrag van € 103,23 : 3 = € 34,41 en een bedrag van € 61,19 : 3 = € 20,40 in rekening te brengen, samen € 54,81.

Zij heeft € 210,87 ingehouden. Het verschil ad € 156,06 netto dient zij nog aan [eiser] te betalen.

Dit bedrag is te zijner tijd toewijsbaar. Ook de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 oktober 2009 is te zijner tijd toewijsbaar.

3.13. De vordering met betrekking tot de opleidingskosten ad € 630,- netto is niet toewijsbaar, nu de gemachtigde van [eiser] ter zitting heeft erkend dat [gedaagde] deze kosten terecht heeft ingehouden op grond van het studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst. Dit deel van de vordering zal te zijner tijd worden afgewezen.

3.14. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat partijen hebben afgesproken dat zij aan [eiser] een kilometervergoeding zou verstrekken in verband met het volgen van een cursus van drie dagen te Utrecht in april 2009, nadat [eiser] de auto van de zaak had ingeleverd teneinde vanaf 1 april 2009 geen fiscale bijtelling daarvoor meer te hebben.

Het is aan [eiser] om de gestelde afspraak te bewijzen. Hij heeft ter zitting echter geen bewijs aangeboden. Er is onvoldoende grond om hem ambtshalve tot bewijs ter zake toe te laten. De vordering op dit punt zal te zijner tijd worden afgewezen.

3.15. Ten aanzien van de vergoeding van 50% van de provisie voor de prolongatie van de schade- en levensverzekeringen die [eiser] bij [gedaagde] had ondergebracht, heeft het volgende te gelden.

Ingevolge artikel 13 van het Personeelsreglement dient de werknemer, voor het verkrijgen van deze vergoeding/provisie, deze zelf terug te vragen door een bewijs van premiebetaling te overleggen aan de directie. Tevens is in dat artikel bepaald dat bij ontslag binnen een jaar na dato van een verkregen provisiegedeelte deze dient te worden terugbetaald.

[gedaagde] heeft een beroep op deze bepalingen gedaan en onder meer aangevoerd dat [eiser] niet eens een aanvraag voor terugbetaling van een gedeelte van de provisie heeft gedaan, laat staan dat deze door de directie is goedgekeurd.

Ter comparitie heeft [eiser] erkend dat hij eerder nimmer provisie heeft teruggevraagd voor de bedoelde verzekeringen. Ter zitting heeft [eiser] ook niet aangegeven om welke verzekeringen en welke prolongatiedata en welke provisie het gaat, hetgeen wel van hem verwacht had mogen worden. De vordering op dit punt zal daarom te zijner tijd als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

3.16. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing

De kantonrechter:

laat [gedaagde] toe feiten en omstandigheden als hiervoor onder 3.5. weergegeven te bewijzen;

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op dinsdag 31 augustus 2010 om 9.30 uur in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch voor de kantonrechter die dit vonnis wijst;

wijst de gemachtigde van [gedaagde] erop dat de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste zeven dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de sector kanton dienen te worden opgegeven en dat de getuigen tenminste zeven dagen voor het verhoor bij dagvaarding of aangetekende brief dienen te worden opgeroepen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. J.H. Wiggers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2010.