Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM9468

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
01/889099-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorbedachte rade en ontoerekeningsvatbaarheid.

Er zijn diverse momenten geweest waarop verdachte de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op zijn besluit om het slachtoffer van het leven te beroven en om te besluiten anders te handelen dan hij heeft gedaan. Voor verdachte heeft de gelegenheid bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank acht dan ook moord wettig en overtuigend bewezen.

De aanwezigheid van de psychische stoornis bij verdachte sluit naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat er sprake is van voorbedachten rade, maar is (mede) bepalend voor de mate van toerekenbaarheid van het strafbare feit aan verdachte.

Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Opgelegd wordt TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/889099-09

Datum uitspraak: 29 juni 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: Maastricht PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juni 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 december 2009.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 november 2009 te Helmond opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer]

(meermalen) met een mes, althans scherp voorwerp, gestoken, tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden;

[artikel 298 c.q. 287 Wetboek van Strafrecht]

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht, gelet op alle in het dossier aanwezige onderzoeksresultaten in combinatie met verdachtes verklaringen op het politiebureau kort na het delict en zijn bekennende verklaring bij de rechter-commissaris d.d. 4 maart 2010 afgelegd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. De officier van justitie heeft daarbij nog opgemerkt dat ook indien iemand in een psychose verkeert, er sprake kan zijn van zowel opzet als van voorbedachte raad. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt immers dat iemands stoornis en de eventueel daaruit voortvloeiende ontoerekeningsvatbaarheid vrijwel nooit afdoet aan het opzet waarmee het delict is gepleegd: op dat moment wilde verdachte [slachtoffer] doden en hij heeft zodanig gehandeld dat zijn doel is bereikt. Ook is vast komen te staan dat hij ruim tevoren zijn handelen overdacht heeft zodat - ondanks zijn stoornis - er sprake is van voorbedachte raad bij verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe, mr. K.C.A. van der Meijden, heeft aangevoerd dat de verdediging zich refereert aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting beroepen op zijn zwijgrecht. Bij de rechter-commissaris heeft hij echter een bekennende verklaring afgelegd en daar blijft hij bij. De raadsvrouwe merkt op dat het voor verdachte moeilijk is in het openbaar over de zaak te praten en dat hij zich daarom op zijn zwijgrecht beroept.

De raadsvrouwe verzoekt de rechtbank echter wel goed te beoordelen of er gelet op de geestesgesteldheid van verdachte wel sprake kan zijn van voorbedachten rade.

De raadsvrouwe heeft ten slotte geconstateerd dat verdachte voordat hij in verzekering werd gesteld niet is gewezen op zijn recht een advocaat te consulteren, althans dit blijkt niet uit het proces-verbaal, en dat dit schending oplevert met de zogenoemde Salduz jurisprudentie.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het consultatierecht:

De rechtbank heeft op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kunnen vaststellen dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Verdachte heeft pas later, te weten op 4 maart 2010, bij de rechter-commissaris een uitgebreide en bekennende verklaring afgelegd in het bijzijn van zijn raadsvrouwe.

Ten aanzien van de voorbedachten rade:

Vooropgesteld merkt de rechtbank op dat voor het aannemen van voorbedachten rade het voldoende is als kan worden vastgesteld dat verdachte de tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis of de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

De rechtbank overweegt als volgt:

Uit de verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 4 maart 2010, die wordt ondersteund door verscheidene onderzoeksresultaten in het dossier, blijkt onder meer het volgende:

Verdachte is op de avond van 31 oktober 2009 op een gegeven moment naar bed gegaan. Daarna had hij besloten om [slachtoffer] te doden. Rond 05.00 uur is hij weer opgestaan en is hij naar de keuken gelopen. Nadat hij eerst wat had gedronken, heeft hij uit de keukenlade een mes in een holster gepakt. Hij had dat mes bewust gepakt om [slachtoffer] te doden. Verdachte is vervolgens weer naar bed gegaan en heeft het mes bij zich gehouden. Hij heeft het mes in zijn hand gehouden om moed te verzamelen. Verdachte is weer in slaap gevallen en rond een uur of 07.00 à 07.30 is hij opgestaan. Hij heeft geprobeerd rustig naar de keuken te gaan en heeft daar de waterkoker aangezet. Hij is eerst nog wat op en neer gelopen richting de woonkamer en zag dat [slachtoffer] niet bewoog. Hij is weer terug naar de keuken gelopen en heeft nog wat thee gedronken. Op een gegeven moment is hij met het mes naar de woonkamer gegaan. Daar lag [slachtoffer] op een matras. Verdachte verklaart vervolgens dat het toen gebeurd is en dat hij toen [slachtoffer] heeft vermoord met messteken.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat er diverse momenten zijn geweest waarop verdachte de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op zijn besluit om het slachtoffer van het leven te beroven en om te besluiten anders te handelen dan hij heeft gedaan. Voor verdachte heeft de gelegenheid bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

De aanwezigheid van de hierna te bespreken psychische stoornis bij verdachte sluit naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat er sprake is van voorbedachten rade, maar is (mede) bepalend voor de mate van toerekenbaarheid van het strafbare feit aan verdachte. Dit aspect komt later in dit vonnis aan de orde.

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen op de wijze zoals hierna vermeld en op grond van de hieronder te noemen bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de bewijsmiddelen:

- proces-verbaal van bevindingen opgemaakt d.d. 1 november 20091;

- proces-verbaal van bevindingen opgemaakt d.d. 1 november 20092;

- proces-verbaal van bevindingen opgemaakt d.d. 1 november 20093;

- deskundigenrapport van de patholoog d.d. 4 februari 20104;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 4 maart 2010;

wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 1 november 2009 te Helmond opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen met een mes, gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid van het feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Op 14 mei 2010 heeft de psychiater dr. J.H. van Renesse en de psycholoog drs. G.M. Jansen, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, een rapport omtrent verdachte uitgebracht. Voor wat betreft de strafbaarheid van verdachte blijkt uit dit rapport onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende:

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te omschrijven als schizofrenie van het paranoïde type. Daarnaast is er sprake van antisociaal gedrag als aandachtspunt. Dit gaat echter niet zover dat van een antisociale persoonlijkheidsstoornis gesproken kan worden. De ziekelijke stoornis beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde, zodanig dat dat naar ons oordeel daaruit volledig kan worden verklaard.

Bij betrokkene staan gedurende een langere periode (oncorrigeerbare) gedachten centraal dat anderen zijn gedachten kunnen lezen. Vaak gaat dit bij betrokkene gepaard met de overtuiging dat anderen hem op enigerlei wijze kwaad willen doen en ook met een hoog angstniveau. Betrokkene past zich aan door zich veelal aan sociaal verkeer te onttrekken. Medicatie nam betrokkene onregelmatig, maar de medicatie had veelal wel een gunstig effect op met name de angsten.

Bij ons onderzoek blijkt dat ook onder condities van goede medicatie, een prikkelarme omgeving zonder blootstelling aan veel anderen, een overzichtelijk en gestructureerde aanpak, de realiteitstoetsing van betrokkene feitelijk blijft tekortschieten. In contact met onderzoekers kan hij zichzelf kortdurend geruststellen (vooral met betrekking tot de gedachte dat iedereen zijn gedachten kent), maar ook dan is de geruststelling van zeer korte duur. De facto betekent dit dat betrokkene ook onder optimale condities steeds moet worden beschouwd als psychotisch; het vermogen zijn innerlijk beleven/overtuiging te toetsen aan de gedeelde werkelijkheid schiet dan tekort.

Betrokkene lijdt al langere tijd aan paranoïde schizofrenie. Vanaf begin 2009 heeft betrokkene zijn noodzakelijke medicatie niet of slechts zeer onregelmatig ingenomen. Gezien het bovenstaande impliceert dit dat men mag aannemen dat betrokkene continu onderhevig was aan ernstige en beangstigende waanovertuigingen.

Hoewel het delict niet optimaal kon worden onderzocht en alleen kon worden afgegaan op betrokkenes eigen verklaringen is wel aannemelijk geworden dat betrokkene ook het slachtoffer opneemt in zijn paranoïde waansysteem. Hij raakt toenemend in een toestand van 'Einengung'(fuik- of tunnelvisie) waarin hij meent zich met geweld tegen het slachtoffer te moeten verweren, overtuigd als hij is dat deze man hem te gronde wil richten en hem belachelijk maakt in de gemeenschap. Dat er mogelijk voorafgaand aan het tenlastegelegde ruzie ontstaat tussen betrokkene en het slachtoffer bevestigt betrokkene nog in zijn waan dat deze hem het leven zuur wil maken.

Wij adviseren derhalve om betrokkene op grond van het bovenstaande als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen voor het tenlastegelegde.

De rechtbank neemt de conclusie en de gronden waarop deze berust uit voormeld rapport over. De rechtbank is van oordeel dat verdachte gelet op zijn ontoerekeningsvatbaarheid niet strafbaar is voor hetgeen te zijnen laste is bewezen verklaard.

Verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard en dat hij wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging schaart zich achter het advies van het Pieter Baan Centrum met betrekking tot de ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte en het hierna nader te noemen advies tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De verdediging acht het van groot belang dat de TBS maatregel zo snel mogelijk wordt aangevangen. Voorts is nog opgemerkt dat verdachte in deze zaak reeds 8 maanden in voorarrest heeft gezeten en de rechtbank is verzocht hierbij bij de oplegging van een eventuele straf in de zaken met parketnummers 01/833072-08 en 01/825575-09 rekening mee te houden.

Ten slotte merkt de raadsvrouwe op dat verdachte erg veel spijt heeft van het plegen van het bewezenverklaarde feit.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk en met voorbedachten rade benemen van het leven van het slachtoffer.

Dit feit is een van de ernstigste strafbare feiten die de wet kent. Verdachte heeft het leven van het slachtoffer vroegtijdig beëindigd. Daarnaast heeft hij de nabestaanden van het slachtoffer veel en onherstelbaar leed berokkend, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring van de nabestaanden.

Nog schrijnender is het feit dat het slachtoffer ook nog eens een vriend van verdachte was en eigenlijk de enige persoon was waar verdachte ondanks al zijn problematiek nog bij terecht kon.

De rechtbank heeft bij de beslissing over de op te leggen maatregel tevens gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte. Voorts houdt de rechtbank rekening met de overige inhoud van voornoemd rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 14 mei 2010 waaruit onder meer blijkt, zakelijk weergegeven:

Statistisch is het risico van geweldshandelingen (alle juridische varianten daaronder begrepen) bij mensen die lijden aan schizofrenie, met name op grond van paranoïde waanvorming, vier tot zes keer groter dan bij een doorsnee bevolkingsgroep.

Bij betrokkene is aangetoond dat de paranoïde waanvorming een duurzaam karakter heeft dat ook met antipsychotische medicatie op de achtergrond aanwezig blijft. Indien de stoornis van betrokkene niet (voldoende) behandeld wordt, moet de kans op herhaling van een delict als thans ten laste gelegd naar ons oordeel zeer groot worden geacht.

Betrokkene heeft in het verleden laten zien dat hij zich regelmatig onttrekt aan het behandelaanbod en dat hij zeker niet als medicatietrouw gezien kan worden. Behandeling in een min of meer vrijwillig (voorwaardelijk) kader achten de rapporteurs dan ook absoluut onvoldoende om het gevaar te beperken. Ook plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar is naar het oordeel van de rapporteurs niet toereikend, omdat niet te verwachten is dat de stoornis dan effectief is behandeld, noch dat er dan voldoende stabiliteit is bewerkstelligd (qua ziekte-inzicht, behandelbereidheid, vormgeving van het dagelijks leven en dergelijke) om de behandeling in een regulier GGZ-kader voort te zetten. Een behandelduur van een jaar achten de rapporteurs te kort om het gevaar tot aanvaardbare proporties terug te brengen. Ook het feit dat betrokkene niet is ingebed in een verzorgende, veilige en structuurbiedende context is van belang voor de kans op recidive. Wij menen dat gezien het bovenstaande alleen tbs met bevel tot verpleging van overheidswege in aanmerking komt.

De rechtbank neemt deze conclusie en de gronden waarop zij berust over.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte op grond van het vorenstaande ter beschikking dient te worden gesteld en van overheidswege dient te worden verpleegd.

De rechtbank overweegt dat het hierna te kwalificeren feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld terwijl de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist en het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 37a, 37b, 289.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Moord.

Verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar en

ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking gesteld zal worden en beveelt dat hij van overheidswege verpleegd zal worden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. Ch. Dunnewijk en mr. M.J. Smit, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kruitwagen, griffier,

en is uitgesproken op 29 juni 2010.

Mr. M.J. Smit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt d.d. 1 november 2009, pag. 58 t/m 60;

2 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt d.d. 1 november 2009, pag. 61 t/m 63;

3 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt d.d. 1 november 2009, pag. 214;

4 Deskundigenrapport van de patholoog dr. F.R.W. van de Goot d.d. 4 februari 2010, Uitslagen NFI, bijlage 13.

9

Parketnummer: 01/889099-09

[verdachte]