Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM7956

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
286211 / KG ZA 10-379
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Onrechtmatige publicatie op het internet.

Botsing tussen het recht op bescherming van eer en goede naam en het recht op vrijheid van meningsuiting.

Eisers vorderen onder meer de verwijdering van uitlatingen over de maatschap en haar medewerkers die, zo stellen eisers, door gedaagden op diverse websites en blogs op het internet zijn gepubliceerd. Eisers menen dat de betreffende uitlatingen onnodig grievend zijn en niet door feiten worden onderbouwd.

De vorderingen worden deels, ten aanzien van één van de gedaagden, toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Nevenzittingsplaats Utrecht

zaaknummer / rolnummer: 286211 / KG ZA 10-379

Vonnis in kort geding van 16 juni 2010

in de zaak van

1. de maatschap [eiseres sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [eiser sub 2],

in deze zaak domicilie gekozen hebbend ten kantore van de maatschap te [vestigingsplaats],

3. [eiser sub 3],

in deze zaak domicilie gekozen hebbend ten kantore van de maatschap te [vestigingsplaats],

4. [eiser sub 4],

in deze zaak domicilie gekozen hebbend ten kantore van de maatschap te [vestigingsplaats],

5. [eiser sub 5],

in deze zaak domicilie gekozen hebbend ten kantore van de maatschap te [vestigingsplaats],

6. [eiser sub 6],

in deze zaak domicilie gekozen hebbend ten kantore van de maatschap te [vestigingsplaats],

7. [eiser sub 7],

in deze zaak domicilie gekozen hebbend ten kantore van de maatschap te [vestigingsplaats],

8. [eiser sub 8],

in deze zaak domicilie gekozen hebbend ten kantore van de maatschap te [vestigingsplaats],

eisers,

advocaat mr. E.J. Louwers,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M. Ph. A. Senders,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verschenen in persoon,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.G.A. Linssen.

Partijen zullen hierna eisers en gedaagden genoemd worden of, wanneer het één van de eisers of gedaagden betreft, bij naam worden genoemd zoals deze in het bovenstaande is vermeld.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, betekend op 19 maart 2010;

- de producties 1 tot en met 49 van eisers;

- de producties 1 tot en met 4 van [gedaagde sub 1] (hierna: [gedaagde sub 1]);

- de producties 1 tot en met 31 van [gedaagde sub 2] (hierna: [gedaagde sub 2]);

- de producties 1 tot en met 3 van [gedaagde sub 3] (hierna: [gedaagde sub 3]);

- de pleitnota’s van eisers, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en de conclusie van antwoord/pleitaantekeningen

van [gedaagde sub 3], door partijen overgelegd ter gelegenheid van de mondelinge behandeling

op 13 april 2010 bij de rechtbank 's-Hertogenbosch;

- de beschikking in de zaak van mr. J.F.M. Strijbos in diens hoedanigheid van rechter in de

rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 19 april 2010, waarin het verzoek tot verschoning van mr. J.F.M. Strijbos bij de behandeling van deze zaak is toegewezen;

- het oproepingsexploot van de zijde van eisers, betekend op 19 mei 2010, voor de zitting

van 2 juni 2010;

- de voortzetting van de mondelinge behandeling op 2 juni 2010 bij de rechtbank

’s-Hertogenbosch, nevenzittingsplaats Utrecht, op de voet van artikel 6 lid 2 van het

Besluit Nevenvestigings- en Nevenzittingsplaatsen;

- de pleitnota van eisers, overgelegd ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op

2 juni 2010;

- de pleitnota van [gedaagde sub 1], overgelegd ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op

2 juni 2010;

- de pleitnota van [gedaagde sub 2], overgelegd ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op

2 juni 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De eisers genoemd onder 2 tot en met 8 zijn allen werkzaam bij de [eiseres sub 1] (hierna: de maatschap).

2.2. De domeinnamen “[website 1]” en “[website 2]” zijn in 2006 beiden op naam van [gedaagde sub 1] geregistreerd. De huidige rechthebbende op beide domeinnamen is de onderneming [onderneming].

2.3. [gedaagde sub 2] is rechthebbende op de domeinnaam “[domeinnaam]”.

2.4. Op de websites “[domeinnaam]”, “[website 2]” en “[website 1]”, evenals op diverse blogs en het subdomein “[naam domein]” is een groot aantal uitlatingen gedaan over de maatschap en/of afzonderlijke personen werkzaam bij de maatschap. In de dagvaarding van eisers, die aan dit vonnis wordt gehecht, zijn in de punten 5.10 tot en met 5.63 de passages opgenomen die eisers onrechtmatig achten (hierna: de uitlatingen). Desgevraagd hebben zij meegedeeld dat met name de in de dagvaarding onderstreepte gedeelten van de uitlatingen een onrechtmatig karakter verlenen aan de uitlatingen als geheel.

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen samengevat - dat gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ieder voor zich alsmede gezamenlijk worden veroordeeld tot het geheel van internet te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden van alle uitingen over of verband houdende met de maatschap, eisers 2 tot en met 8 en overige werknemers van de maatschap op de websites “[domeinnaam]”, “[website 2]” en “[website 1]”, de diverse blogs en het subdomein “[naam domein]”, een en ander op straffe van een dwangsom. Verder vorderen eisers dat gedaagden alle foto’s van de werknemers van de maatschap, het beeld- en het woordmerk van de maatschap, van eerder genoemde websites en blogs verwijderen en verwijderd houden en zich op geen enkele andere wijze onrechtmatig jegens eisers en de overige werknemers uit zullen laten, een en ander op straffe van een dwangsom.

Tot slot vorderen eisers een voorschot op de schadevergoeding en veroordeling van gedaagden in de kosten op de voet van artikel 1019i Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

Voor de volledige vordering wordt naar het petitum in de dagvaarding verwezen, alsmede naar het oproepingsexploot van 19 mei 2010, waarin een in de dagvaarding opgenomen kennelijke schrijffout is verbeterd.

3.2. Ter onderbouwing van hun vorderingen stellen eisers dat gedaagden onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld door negatieve berichtgeving over de maatschap en/of haar werknemers op diverse websites en blogs op internet te plaatsen. De gebezigde bewoordingen en kwalificaties in de overgelegde passages zijn onrechtmatig omdat zij onjuist, ronduit kwetsend en onnodig grievend zijn. Uitlatingen als ‘corrupt’, ‘misdadig’, ‘criminele organisatie’, ‘bedreiging’, ‘ensceneren van zware intimidaties’ en ‘valse verklaringen’ zijn disproportioneel en aan te merken als smaadschrift.

Eisers menen dat hun recht op bescherming van hun eer en goede naam zwaarder dient te wegen dan het recht van vrije meningsuiting van gedaagden.

Met betrekking tot het gebruik van de foto’s, de merken en de teksten van de (website van de) maatschap stellen eisers zich op het standpunt dat zij auteursrechthebbenden zijn ten aanzien van de foto’s, de teksten en slogans en het beeldmerk. Nu eisers gedaagden geen toestemming hebben gegeven voor het gebruik van de foto’s, de teksten en slogans en het beeldmerk handelen gedaagden in strijd met de Auteurswet, de Wet bescherming persoonsgegevens en het Benelux Verdrag inzake Intellectuele Eigendom.

Eisers stellen zich op het standpunt dat gedaagden, op de voet van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door eisers geleden (en nog te lijden) schade.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van de betreffende partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1. Door gedaagden is als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat eisers, althans de eisers genoemd onder 2 tot en met 8, geen spoedeisend belang hebben bij een voorlopige

voorziening in kort geding. Gedaagden menen dat eisers te lang hebben gewacht met het instellen van een vordering.

Eisers hebben aangevoerd dat zij hebben gewacht met het starten van een gerechtelijke procedure, omdat zij hoopten dat de zaak zou overwaaien en eerst hebben getracht in der minne tot een oplossing te komen. Toen dit niet mogelijk bleek en er uitlatingen op internet geplaatst bleven worden, is door eisers onderhavige procedure gestart. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij (reputatie)schade ondervinden en derhalve spoedeisend belang hebben bij de gevorderde voorlopige voorzieningen.

4.2. Bij de beoordeling van de vraag of eisers voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen in de zin van artikel 254 Rv wordt het volgende vooropgesteld. Op grond van vaste jurisprudentie geldt dat, indien in kort geding een voorziening wordt gevraagd die ertoe strekt een einde te maken aan, als stelselmatige inbreuk op een subjectief recht aan te merken, handelingen waarvan de eisende partij doorlopend schade ondervindt, het alleszins voor de hand ligt dat deze partij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. De enkele omstandigheid dat de eisende partij geruime tijd heeft laten verlopen voordat zij in kort geding een tot het verkrijgen van een verbod van de gewraakte handelingen strekkende vordering instelde, behoeft de kortgedingrechter er niet van te weerhouden aan te nemen dat een spoedeisend belang bij de vordering bestaat (vgl. HR 29 juni 2001, NJ 2001, 602). Dit toetsingskader in acht genomen, wordt voorshands geoordeeld dat eisers voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen, aangezien er een voortdurende situatie bestaat waarin gedaagden volgens eisers de eer en goede naam van eisers aantasten door feitelijk onjuiste en onnodig grievende uitlatingen op internet te plaatsen.

De omstandigheid dat eisers de vorderingen ook reeds in 2004 althans in 2007 hadden kunnen instellen omdat zij, als gesteld, op dat moment tot de ontdekking kwamen dat gedaagden onrechtmatige uitlatingen over eisers op internet plaatsten, doet daaraan niet af.

Dit geldt ook ten aanzien van de eisers genoemd onder 2 tot en met 8 nu zij allen als advocaat werkzaam zijn bij de maatschap. Uit dien hoofde hebben ook zij een spoedeisend belang bij de ingestelde vorderingen.

De vorderingen die ertoe strekken om de uitlatingen van het internet te verwijderen en om gedaagden te verbieden om nieuwe uitlatingen over eisers te doen

4.3. De voorzieningenrechter zal eerst beoordelen in hoeverre (ieder van de) gedaagden verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor de uitlatingen op de verschillende websites, blogs en het subdomein zoals genoemd in de vordering 1 onder a tot en met c. Indien hiervan sprake is, ligt vervolgens de vraag voor of de uitlatingen als onrechtmatig jegens eisers dienen te worden aangemerkt. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.4. Ten aanzien van de uitlatingen op de website “[domeinnaam]” stelt de voorzieningenrechter voorop dat tussen partijen is komen vast te staan dat [gedaagde sub 2] rechthebbende is op de betreffende domeinnaam en verantwoordelijk is voor het plaatsen van de door eisers overgelegde uitlatingen op die website. Dit betekent dat in elk geval [gedaagde sub 2] verantwoordelijk is voor de door eisers genoemde uitlatingen op “[domeinnaam]”.

4.5. Ten aanzien van de overige uitlatingen stellen gedaagden zich op het standpunt dat zij geen betrokkenheid hebben bij de door eisers genoemde websites, blogs en het subdomein en de daarop geplaatste brieven en artikelen. [gedaagde sub 1] erkent dat hij in 2006 de domeinnamen van de websites “[website 2]” en “[website 1]” heeft geregistreerd, maar voert aan dat hij al geruime tijd geen rechthebbende meer is en derhalve geen invloed meer heeft op hetgeen op de websites staat. De mededelingen van derden op de

blogs en het subdomein kunnen gedaagden niet worden aangerekend. Gedaagden betwisten voorts dat sprake is van een groepsverband tussen gedaagden.

4.6. Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen door gedaagden ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is aangevoerd, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat gedaagden verantwoordelijk zijn voor (de in de dagvaarding aangehaalde uitlatingen op):

- de websites “[website 2]” en “[website 1]”;

- de diverse blogs en

- het subdomein “[naam domein]”.

Uit de door eisers overgelegde stukken met betrekking tot de historische gegevens van de websites “[website 2]” en “[website 1]” blijkt genoegzaam dat [gedaagde sub 1] de domeinnamen heeft geregistreerd en gedurende een periode rechthebbende is geweest van de sites. Dit wordt ook niet betwist door [gedaagde sub 1]. Verder blijkt op basis van de door eisers overgelegde stukken dat de onderneming [onderneming] de huidige eigenaar van beide websites is. Dat [gedaagde sub 1] de twee websites in 2006 heeft geregistreerd en op de internetsites brieven van [gedaagde sub 1] staan, is (voorlopig) onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat de uitlatingen op deze websites aan gedaagden kunnen worden toegerekend.

Door eisers is nog aangevoerd dat de betrokkenheid van [gedaagde sub 1] blijkt uit:

- een brief van 22 februari 2005 van [gedaagde sub 1] aan een van de eisers, waarin [gedaagde sub 1] aankondigt brieven op de website “www.horecafraude.com” te zullen plaatsen;

- een e-mail van 21 februari 2010 aan [gedaagde sub 2], waar in de bijlage een tuchtklacht is gevoegd met daarbij de opmerking “doe er maar mee wat jou goed lijkt”, en

- de door eisers overgelegde pagina’s uit een onderzoek dat ICT Concept BV in augustus 2008 heeft uitgevoerd.

Dit vormt echter naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat de uitlatingen op de websites “[website 2]” en “[website 1]” aan [gedaagde sub 1] kunnen worden toegerekend. Daarbij weegt de voorzieningenrechter met name mee dat de brief waarnaar door eisers wordt verwezen van erg lang geleden dateert en daarin bovendien een andere website wordt genoemd en de overgelegde e-mail onvoldoende concreet is. Ook de pagina’s uit het onderzoek vormen een onvoldoende onderbouwing, omdat daaruit blijkt dat de websites zijn geregistreerd door [gedaagde sub 1], maar verder onvoldoende aanknopingspunten geven ter onderbouwing van de stelling dat [gedaagde sub 1] nog steeds rechthebbende is van de websites. Zoals reeds door de rechtbank

’s-Hertogenbosch in haar in dit geding overgelegde vonnis van 5 september 2008 is overwogen (onder 6.3 tot en met 6.5) ontbreekt het de conclusies in het onderzoek, onder meer dat aannemelijk is dat [gedaagde sub 1] nog steeds eigenaar van beide domeinen is en daarop publiceert, aan een deugdelijke onderbouwing.

Ook ten aanzien van de uitlatingen op de blogs en het hiervoor genoemde subdomein zijn door eisers onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie kunnen dragen dat gedaagden daarvoor verantwoordelijk zijn.

Hetzelfde geldt voor de door eisers gestelde verantwoordelijkheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] voor de uitlatingen op “[domeinnaam]”.

4.7. Door eisers is in dit kader nog gewezen op een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (LJN: BK1067). Eisers stellen zich op het standpunt dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde sub 1] nog altijd achter de betreffende websites zit, onder meer omdat hij niet heeft aangegeven aan wie hij de domeinnamen heeft overgedragen.

De voorzieningenrechter is echter voorlopig van oordeel dat – anders dan eisers menen – geen sprake is van een zelfde soort situatie als aan de orde in voornoemde zaak. Daarbij weegt de voorzieningenrechter met name de volgende omstandigheden mee:

- in de door eisers aangehaalde zaak is sprake van een strafrechtelijke veroordeling door de Zweedse rechter op grond van overtreding van de “Copyright Act 1960:729” en het Zweedse wetboek van strafrecht. In deze procedure heeft de strafrechter in eerste instantie de betrokkenheid van eisers in de procedure bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam bij de website The Pirate Bay bewezen verklaard en alhoewel dit oordeel nog onderhevig is aan hoger beroep, vormt het – naar het oordeel van de voorzieningenrechter Amsterdam – wel een aanwijzing voor hun betrokkenheid;

- in de door eisers aangehaalde zaak hebben eisers, ook na het vonnis van de Zweedse strafrechter, veelvuldig de publiciteit gezocht en daarin te kennen gegeven dat The Pirate Bay, ondanks het feit dat zij zijn veroordeeld, zal doorgaan. Daaruit moet – naar het oordeel van de voorzieningenrechter Amsterdam – worden geconcludeerd dat eisers op dat moment van mening waren, of de indruk hebben willen wekken, dat zij The Pirate Bay vertegenwoordigen, dan wel een leidinggevende rol bij de website vervullen (LJN: BK1067 rechtsoverweging 5.16 en 5.17).

Van dergelijke omstandigheden is in de thans voorliggende zaak geen sprake.

4.8. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen, zoals weergegeven onder 1 a tot en met e van de dagvaarding, zullen worden afgewezen voor zover ze betrekking hebben op andere uitlatingen dan die op “[domeinnaam]”.

4.9. Vervolgens ligt ter beoordeling voor of gedaagden, al dan niet als groep in de zin van artikel 6:166 BW, aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de uitlatingen over eisers op de website “[domeinnaam]”.

4.10. Door eisers zijn onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] een groep vormen. Dat er op de website brieven van [gedaagde sub 1] zijn geplaatst en [gedaagde sub 1] in een brief van februari 2005 heeft aangekondigd correspondentie op een andere website te plaatsen is daarvoor in dit geval niet voldoende.

Dit betekent dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de uitlatingen op “[domeinnaam]” ook aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] kunnen worden toegerekend, zodat zij niet jegens eisers aansprakelijk kunnen worden gehouden voor (onrechtmatige) uitlatingen op die site. Er is in het licht van het voorgaande onvoldoende reden om het gevorderde verbod (1 onder d van de dagvaarding) toe te wijzen tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3].

4.11. Ter beoordeling van de vraag of de uitlatingen waarvoor [gedaagde sub 2] verantwoordelijk is, onrechtmatig zijn jegens eisers, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Het gevorderde vormt een beperking van het aan een ieder toekomend recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Dat recht kan ingevolge het bepaalde in het tweede lid van artikel 10 EVRM slechts worden beperkt indien de beperking bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van rechten van anderen. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van gedaagden onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW.

4.12. Vooropgesteld moet worden dat het [gedaagde sub 2] in beginsel vrij staat om zich kritisch uit te laten over de door hem gesignaleerde gebeurtenissen en ervaringen met de maatschap

en/of haar werknemers en daarover op een stevige wijze zijn mening te geven en desgewenst ook op het internet te publiceren.

Daartegenover staat dat de grenzen die de zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer met zich brengt niet dienen te worden overschreden. Van een dergelijke overschrijding kan sprake zijn indien de gepubliceerde uitlatingen feitelijk onjuist of onnodig grievend zijn.

4.13. Bij de beoordeling van de vraag of de door [gedaagde sub 2] op de website “[domeinnaam]” geplaatste uitlatingen jegens eisers onrechtmatig zijn, staan twee, ieder voor zich hoogwaardige maatschappelijke en persoonlijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat rechtspersonen en individuele burgers niet door uitlatingen op het internet worden aangetast in hun eer en goede naam, aan de andere kant het belang dat individuele burgers zich in het openbaar kritisch, informerend en/of waarschuwend moeten kunnen uitlaten ter signalering van misstanden die de samenleving raken. Welke van deze belangen in het concrete geval zwaarder dient te wegen hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. De voorzieningenrechter acht in dit geval met name de volgende omstandigheden van belang (vgl. LJN: BA5599, Gerechtshof Amsterdam 24-05-2007).

Ten eerste is de aard van de uitlatingen en de ernst van de voor eisers te verwachten gevolgen van belang. De uitlatingen bevatten bewoordingen over eisers die zeer negatief zijn. De voorzieningenrechter noemt in dit kader de volgende, in de dagvaarding opgenomen, bewoordingen: ‘criminele advocaten’, ‘corrupte advocatenfirma’, ‘criminele kompanen’, ‘corrupte praktijken’, ‘moedwillig gebruik te maken van stromannen en vervalste verklaringen’, ‘Belastingdienst en curatoren op te lichten’, ‘criminele activiteiten’, ‘meedoen bij plegen van misdrijven’, ‘maakt te pas en te onpas gebruik van bedreigingen en erger’, ‘misleid en opgelicht’, ‘afgeperste cliënt van uw kantoor’, ‘als voorzitter van de maffiamaatschap’, ‘veroordeeld voor het plegen van fraude’, ‘grove / omvangrijke fraudes’, ‘ensceneren van zware intimidaties’, ‘feitelijk aangetoonde corruptie en schending van briefgeheim’, ‘misdrijf waarbij uw kantoor betrokken is’, ‘verduistert’ en ‘financieel criminele banden’.

Deze bewoordingen zijn door [gedaagde sub 2] niet door feiten gestaafd en suggereren dat eisers in strafrechtelijke procedures veroordeeld althans verwikkeld zijn. Voldoende aannemelijk is dat dergelijke kwalificaties ernstige gevolgen (kunnen) hebben voor de beroepsuitoefening van eisers 2 tot en met 8 als advocaat en voor de reputatie van de maatschap.

Ten tweede wordt de ernst van de misstanden welke de uitlatingen aan de kaak beogen te stellen meegewogen en de mate waarin de beschuldigingen ten tijde van de uitlatingen steun vonden in het toen beschikbare feiten materiaal. Zoals reeds in het bovenstaande overwogen vinden de bewoordingen als ‘corrupt’, ‘misdadig’, ‘criminele organisatie’, ‘bedreiging’, ‘ensceneren van zware intimidaties’, ‘valse verklaringen’, ‘afgeperste cliënt’ en ‘maffiamaatschap’ geen steun in het beschikbare (door [gedaagde sub 2] als zodanig aangevoerde) feitenmateriaal, terwijl zij de eer en goede naam van de maatschap en haar medewerkers aantasten.

Tot slot wordt het gedrag van benadeelden meegewogen en de omstandigheid dat de uitlatingen op het internet zijn gedaan. Uit de door eisers overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat, wanneer men op internet zoekt naar informatie over de maatschap, vele zoekresultaten voeren naar de uitlatingen op de website “[domeinnaam]”. Dat eisers in de gelegenheid zijn gesteld een reactie te geven op de geplaatste brieven, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat daarmee het onrechtmatige karakter aan de uitlatingen is komen te ontvallen.

4.14. Op grond van het voorgaande zijn de uitlatingen zoals genoemd in de dagvaarding onder 1.9, 5.10, 5.12, 5.15, 5.17, 5.24, 5.26 en 5.32 in haar geheel onrechtmatig jegens eisers. Dit betekent dat het gevorderde onder 1 b in de dagvaarding (als hersteld in het exploot van eisers betekend op 19 mei 2010), op straffe van een dwangsom, op de in het dictum aan te geven wijze ten aanzien van [gedaagde sub 2] zal worden toegewezen.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de overige uitlatingen, die door eisers zijn genoemd in de dagvaarding, niet als onrechtmatig jegens eisers aan te merken. Eisers hebben onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat uitlatingen als ‘(grove) leugens over tuchtklachten’, ‘pertinente onwaarheden’, ‘juridisch verwijtbaar handelen’ en ‘bevuild taalgebruik’ (dagvaarding 5.20), welke kunnen worden aangemerkt als een kritische kwalificatie van de ervaringen van [gedaagde sub 2] met de (medewerkers van) de maatschap en de tuchtrechtelijke procedures tussen partijen, onnodig grievend zijn althans onvoldoende door feiten worden gestaafd.

4.15. Gelet op het voorgaande zal het gevorderde verbod tegen [gedaagde sub 2] worden toegewezen, zoals vermeld in het dictum.

Voorschot op de schadevergoeding

4.16. Eisers vorderen voorts een voorschot op de schadevergoeding.

Voor toewijzing van een voorziening die strekt tot betaling van een geldsom in kort geding is slechts dan aanleiding, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling – bij afweging van de belangen van partijen – aan toewijzing niet in de weg staat. Eisers hebben weliswaar voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten gevolge van de onder 4.13 bedoelde uitlatingen reputatieschade ondervinden, maar geen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat aan bovengenoemd criterium voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is voldaan. Het onder 3 in de dagvaarding gevorderde voorschot zal zodoende worden afgewezen.

Inbreuk merkenrecht, auteursrecht en portretrecht

4.17. Ten aanzien van de vorderingen onder 1 e en f overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Gelet op hetgeen door [gedaagde sub 2] is aangevoerd, hebben eisers onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat momenteel op de website “[domeinnaam]” (nog) foto’s staan afkomstig van werknemers van de maatschap, of dat het beeldmerk of woordmerk van [eiseres sub 1] (nog) op de website staat. Nu onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een inbreuk op de merk- en auteursrechten of de portretrechten van eisers, zullen de vorderingen onder 1 e en f daarom, evenals de vorderingen onder 5 en 6 in de dagvaarding, worden afgewezen.

Proceskosten

4.18. Er is, gelet op het relatief geringe belang van de op het intellectuele eigendomsrecht gebaseerde vorderingen van eisers en hetgeen onder 4.16 is overwogen, geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten worden berekend volgens het liquidatietarief. [gedaagde sub 2] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van eisers in het geding tegen [gedaagde sub 2]. De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.079,00

Eisers zullen ten aanzien van de gedaagden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 3] worden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.079,00

Aangezien aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] een toevoeging is verleend, althans zij een toevoeging hebben aangevraagd, zullen eisers deze kosten aan de griffier van de rechtbank dienen te voldoen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. beveelt [gedaagde sub 2] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de uitlatingen zoals genoemd in de dagvaarding onder de nummers 1.9, 5.10, 5.12, 5.15, 5.17, 5.24, 5.26 en 5.32 van de website “[domeinnaam]” te verwijderen en verwijderd te houden,

5.2. verbiedt [gedaagde sub 2] met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis, enige uitlating te doen op de website “[domeinnaam]”, dan wel via enig ander (openbaar) medium, die de [eiseres sub 1], of één van de eisers 2 tot en met 8, in verband brengt met het plegen van strafbare feiten;

5.3. bepaalt dat [gedaagde sub 2] voor iedere overtreding van het onder 5.1 of 5.2 bepaalde, aan eisers een dwangsom verbeurt van EUR 3.000,00, tot een maximum van EUR 100.000,00,

5.4. veroordeelt eisers in de proceskosten van [gedaagde sub 1], aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op EUR 1.079,00 te voldoen aan de griffier van de rechtbank,,

5.5. veroordeelt eisers in de proceskosten van [gedaagde sub 3], aan de zijde van [gedaagde sub 3] tot op heden begroot op EUR 1.079,00 te voldoen aan de griffier van de rechtbank,

5.6. veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten van eisers, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op EUR 1.079,00,

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.AE. Uniken Venema en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2010.?