Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM7605

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
AWB 08-3861
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft weigering bouwvergunning voor antennemast na eerdere procedure. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, bezien in het licht van de acht te nemen aspecten, op het standpunt heeft kunnen stellen dat het oprichten van de antennemast onredelijk bezwarend is voor anderen. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/3861

Uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2010

inzake

[verzoeker],

te Best,

eiser,

[gemachtigde],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best,

verweerder,

[gemachtigden].

Aan het geding hebben als partij deelgenomen [belanghebbenden] te Best,

belanghebbenden,

[gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2004 heeft verweerder geweigerd aan eiser bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een antennemast op het perceel [adres] te Best.

Bij besluit van 19 april 2005 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 7 december 2004 herroepen en aan eiser alsnog de gevraagde bouwvergunning verleend.

Bij uitspraak van 1 augustus 2005 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door belanghebbenden ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak.

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft verweerder het door eiser tegen het besluit van

7 december 2004 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en eiser wederom bouwvergunning verleend voor het plaatsen van de antennemast op het perceel.

Bij uitspraak van 22 februari 2007 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het daartegen door belanghebbenden ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak.

Bij uitspraak van 21 november 2007 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het hoger beroep van eiser, gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 februari 2007, ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Bij besluit van 23 september 2008, verzonden op 26 september 2008, heeft verweerder het door eiser tegen het besluit van 7 december 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de weigering van de gevraagde bouwvergunning in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 3 november 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is behandeld op de zitting van 12 maart 2010, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Van belanghebbenden is verschenen [belanghebbende], bijgestaan door de hiervoor genoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Ter beoordeling staat of verweerder bij zijn besluit van 23 september 2008 op juiste gronden heeft gehandhaafd zijn weigering om aan eiser bouwvergunning te verlenen voor de oprichting van een (tweede) antennemast in de tuin bij diens woning.

Relevante feiten en omstandigheden

2. Mede op grond van de hiervoor genoemde uitspraken van de voorzieningenrechter, de rechtbank en de Afdeling moet het volgende als vaststaand worden aangenomen.

3. De antennemast waarvoor bouwvergunning is gevraagd, is uitschuifbaar. In uitgeschoven toestand is deze 22 meter hoog, in ingeschoven toestand 9 meter. Op het perceel is reeds een antennemast met een hoogte van 15 meter aanwezig. Eiser, zendamateur, wenst een tweede zendmast op te richten ten einde een groter zendbereik te hebben, met name gericht op het Australische continent.

4. Het bouwplan is in strijd met de voorschriften, behorende bij de bestemming ‘Woondoeleinden’ van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Wilhelminapark’. Vrijstelling van deze voorschriften is op grond van dit bestemmingsplan niet mogelijk.

Omvang van het geschil

5. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder zich in het bestreden besluit op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat het oprichten van de antennemast onevenredig bezwarend is voor anderen, zodat het in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op vrije meningsuiting en nieuwsgaring er niet toe leidt dat voormelde bestemmingsplanvoorschriften buiten toepassing dienen te blijven.

6. Op grond van laatstgenoemde uitspraak van de rechtbank, zoals deze door de Afdeling is bevestigd, dient bij die beoordeling aandacht te worden geschonken aan factoren als de afstand van het op te richten bouwwerk tot de woningen en de tuinen van omwonenden in relatie tot de hoogte ervan, de vormgeving van het bouwwerk en de aard van zijn omgeving. Daarbij is met name de hoogte van de antennemast in uitgeschoven toestand van belang.

Verder komt bij die belangenafweging gewicht toe aan de omstandigheid dat eiser op zijn perceel reeds de beschikking heeft over een antennemast van 15 meter hoog, waarmee hij in belangrijke mate zijn hobby als zendamateur kan uitoefenen. Er moet van worden uitgegaan dat de tweede antennemast slechts voor een beperkt deel van het door eiser gewenste bereik noodzakelijk is, zodat de beperking van zijn rechten, gewaarborgd in artikel 10 van het EVRM, relatief gering is. De rechtbank merkt in dit verband op dat eiser de juistheid van een en ander thans niet meer met succes kan aanvechten, nu zijn betoog ter zake reeds door de Afdeling is verworpen.

7. Uit het door de rechtbank vernietigde besluit van 11 oktober 2005, strekkende tot het alsnog verlenen van de gevraagde bouwvergunning, bleek niet dat verweerder voormelde aspecten bij zijn besluitvorming in aanmerking heeft genomen.

Het oordeel van de rechtbank

8. Ten einde het aan dit besluit klevende motiveringsgebrek te herstellen heeft verweerder een stedenbouwkundig advies ingewonnen van [[bedrijf]rijf] te Maastricht (hierna: [bedrijf]). Mede op basis van dit advies stelt verweerder zich thans op het standpunt dat de plaatsing van de tweede antennemast onevenredig bezwarend is voor anderen, zodat niet aan de geldende bestemmingsplanvoorschriften kan worden voorbijgegaan en de bouwvergunning, wegens strijd met die voorschriften moet worden geweigerd.

9. In het aan verweerder uitgebrachte advies, gedateerd januari 2008, stelt [bedrijf] aan de hand van onder meer een driedimensionaal computermodel, vast dat de antennemast, ondanks plaatsing achter de woning van eiser, vanwege de hoogte (in uitgeschoven toestand) duidelijk zichtbaar is vanaf de openbare weg. [bedrijf] constateert verder dat ook vanuit de omliggende percelen een vrij zicht op de antennemast bestaat. Gelet op de hoogte van de antennemast wordt de afstand vanuit de achtertuinen bij de omliggende woningen – die deel uitmaken van een ruim opgezette woonwijk – tot de antennemast als klein beoordeeld. Hoewel de bestaande groenvoorzieningen niet in het model zijn verwerkt, gaat [bedrijf] er vanuit dat deze, vanwege de hoogte van de antennemast, geen grote invloed hebben op de zichtbaarheid ervan. [bedrijf] stelt op grond hiervan vast dat het beeldverstorend effect van de antennemast groot is en dat een antennemast als de onderhavige als een omgevingsvreemd element in een woonwijk moet worden aangemerkt. Het beeldverstorend effect wordt voorts versterkt door de reeds aanwezige antennemast. De plaatsing van de antennemast zal negatief bijdragen aan de uitstraling van de wijk en dus aan de woonkwaliteit, aldus [bedrijf].

10. Eiser is door verweerder in de gelegenheid gesteld op dit advies te reageren. Als reactie hierop heeft eiser een stedenbouwkundig advies, gedateerd 10 april 2008, van [bedrijf 2] te Eindhoven (hierna: [bedrijf 2]) ingediend bij verweerder. In dit advies wordt de juistheid van de bevindingen, neergelegd in het advies van [bedrijf] betwist. Anders dan [bedrijf] acht [bedrijf 2] het beeldverstorend effect van de antennemast gering. Daarbij heeft [bedrijf 2] in aanmerking genomen de omstandigheid dat de antennemast een verticaal transparant element is dat gedurende het grootste gedeelte van de tijd zich in ingeschoven toestand zal bevinden. De zichtbaarheid in die toestand vanaf de openbare weg is vrijwel afwezig. [bedrijf 2] heeft in dit verband gewezen op de bestaande groenvoorzieningen. Gezien voorts de aanwezigheid van een 45 meter hoge hoogspanningsmast in het nabijheid van de woonwijk, kan de antennemast ook in uitgeschoven toestand niet als gebiedsvreemd element worden aangemerkt, aldus [bedrijf 2]. Mede gezien de ruime opzet van de onderhavige woonwijk acht [bedrijf 2] ook de uitstraling naar de naburige erven beperkt.

11. Van de zijde van [bedrijf] is bij brief van 16 mei 2008 een reactie gegeven op het advies van [bedrijf 2]. In deze reactie bestrijdt [bedrijf] de juistheid van het standpunt van [bedrijf 2] dat de aanwezigheid van een hoogspanningsmast in de omgeving van de woonwijk de antennemast niet een gebiedsvreemd element doet zijn. Naar de mening van [bedrijf] heeft de hoogspanningsmast juist een beeldverstorend effect. De aanwezigheid ervan dient evenwel als een noodzakelijke maatschappelijke voorziening te worden aanvaard, wordt als zodanig vaker in woonwijken aangetroffen en is daar weliswaar een beeldverstorend, doch geen gebiedsvreemd element. De aanwezigheid van een dergelijke mast maakt evenwel niet dat een antennemast als de onderhavige evenmin als gebiedsvreemd kan worden aangemerkt. [bedrijf] handhaaft het standpunt dat de antennemast niet in een woonwijk thuis hoort. Onder verwijzing naar de foto’s van de reeds bestaande antennemast betwist [bedrijf] voorts de juistheid van de opvatting van [bedrijf 2] dat de antennemast vanwege de transparantie ervan het beeld vanaf de openbare weg nauwelijks beïnvloedt. [bedrijf] wijst er voorts op dat het advies van [bedrijf 2] voor een belangrijk deel betrekking heeft op de situatie dat de antennemast zich in ingeschoven toestand bevindt, terwijl in deze vooral de uitgeschoven toestand van de antennemast relevant is. [bedrijf] betwist voorts het zichtbeperkend effect van het bestaande groen. Dit effect doet zich slechts gedurende de lente- en zomerperiode voor, terwijl uit de analyse van [bedrijf] voorts blijkt dat de zichtbaarheid vanaf de openbare weg, gelet op de hoogte van de antennemast hoe dan ook groot is.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op grond van de bevindingen van [bedrijf], bezien in het licht van de daarbij in acht te nemen aspecten, genoemd in rechtsoverweging 6, op het standpunt kunnen stellen dat het oprichten van de antennemast onevenredig bezwarend is voor anderen. Het betoog van eiser, inhoudende dat [bedrijf] ten onrechte voorbij is gegaan aan de in het bestemmingsplan ‘Wilhelminapark’ opgenomen mogelijkheid om met vrijstelling een antennemast op te richten met een hoogte van 30 meter, faalt. De desbetreffende in artikel 10 van de bestemmingsplanvoorschriften neergelegde (algemene) vrijstellingsbevoegdheid ziet uitsluitend op antennes voor het ontvangen van radio- en televisiesignalen voor gemeenschappelijk gebruik. Het gaat daarbij derhalve om centrale-antenne-inrichtingen of een daarmee vergelijkbare voorziening, waarvan het aantal naar zijn aard gering zal zijn. Anders dan eiser kennelijk veronderstelt, kan hieruit niet worden afgeleid dat de planwetgever antennemasten voor privé-gebruik met een hoogte als waarvan in casu sprake is, als planologisch aanvaardbaar heeft beschouwd.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder de bevindingen van [bedrijf], inclusief de reactie op het advies van [bedrijf 2], niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

13. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

14. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

15. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield, voorzitter, en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. J.H.G. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2010.