Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM7604

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
Awb 09 / 1630
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de Vakantieregeling WW geen ruimte biedt om de vakantiedagen te berekenen aan de hand van het aantal gewerkte uren. Eisers grief, dat er van slechts twee vakantiedagen had moeten worden uitgegaan omdat hij in voornoemde vakantieperiode gedurende vier dagen als werkzoekende stond ingeschreven, waarvan hij op twee dagen het loon van zijn werkgever Stichting Gabriël doorbetaald heeft gekregen, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet slagen. Verweerder heeft terecht het aantal vakantiedagen over de periode van 23 februari tot en met 27 februari 2009 vastgesteld op vijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/1630

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2010

inzake

[verzoeker],

te Boxtel,

eiser,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

[gemachtigde], werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2009 heeft verweerder eiser laten weten dat over de periode van 23 tot en met 27 februari 2009 vijf vakantiedagen in mindering worden gebracht op het aantal uitkeringsdagen waarover hij met behoud van zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) op vakantie mag gaan.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 9 april 2009 kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 6 april 2010, waar eiser noch zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de rechtbank ligt ter beoordeling voor of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om over de periode van 23 tot en met 27 februari 2009 vijf vakantiedagen in mindering te brengen op het aantal uitkeringsdagen waarover eiser met behoud van zijn WW-uitkering op vakantie mag gaan.

2. Eiser heeft met ingang van 1 december 2008 een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 5 februari 2009 heeft verweerder die uitkering met ingang van 1 december 2008 toegekend naar het aantal uren, te weten 31,17, dat hij gemiddeld per week heeft gewerkt. Vanaf voornoemde datum houdt verweerder wel rekening met het feit dat eiser voor 14,99 uur werkzaam is bij [de stichting].

3. Eiser heeft verweerder op 11 februari 2009 geïnformeerd dat hij van 23 tot en met 27 februari 2009 op vakantie gaat. Bij besluit van 20 februari 2009 heeft verweerder eiser kenbaar gemaakt dat over de periode van 23 tot en met 27 februari 2009 vijf vakantiedagen in mindering worden gebracht op het aantal uitkeringsdagen waarover hij met behoud van zijn WW-uitkering op vakantie mag gaan. Daarbij merkt verweerder op dat er dan nog vijftien vakantiedagen resteren.

4. Aan het bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat de WW wordt uitbetaald over vijf dagen per week. Verweerder geeft voorts aan dat de Vakantieregeling WW bepaalt dat de werknemer per kalenderjaar gedurende twintig (werk)dagen (maandag tot en met vrijdag) vakantie kan genieten met behoud van zijn recht op WW-uitkering. Aangezien eiser heeft aangegeven van 23 tot en met 27 februari 2009 op vakantie te gaan, heeft verweerder vijf vakantiedagen in mindering gebracht op het saldo van twintig vakantiedagen. Voor de omstandigheid dat eiser vanwege zijn parttime beschikbaarheid en gedeeltelijke werkhervatting slechts twee vakantiedagen zou hebben gebruikt bestaat volgens verweerder geen wettelijke basis.

5. Eiser voert in beroep - kort en zakelijk weergegeven - aan dat verweerder over de door hem opgegeven verlofperiode van 23 tot en met 27 februari 2009 ten onrechte is uitgegaan van een vijftal vakantiedagen. Eiser is van mening dat, nu hij voor slechts vier dagen per week een WW-uitkering ontvangt en daarnaast een tijdelijke aanstelling voor twee dagen per week bij [de stichting] heeft (alwaar zijn salaris wordt doorbetaald tijdens zijn vakantie, hetgeen wordt gekort op zijn WW-uitkering), verweerder had moeten uitgaan van een opname van slechts twee vakantiedagen. Tot slot geeft eiser aan dat verweerder de door hem gehanteerde systematiek niet inzichtelijk heeft kunnen maken.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Artikel 2 van de Vakantieregeling WW bepaalt dat de werknemer per kalenderjaar gedurende twintig dagen vakantie kan genieten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

8. Artikel 30, vijfde lid, van de WW bepaalt dat de uitkering wordt betaald over vijf dagen per week.

9. Voornoemde bepalingen leiden er, in onderlinge samenhang bezien, toe dat met verweerder moet worden vastgesteld dat er, nu er in de door eiser opgegeven vakantieperiode van 23 tot en met 27 februari 2009 sprake is van een vijftal uitkeringsdagen, dient te worden uitgegaan van vijf in aanmerking te nemen vakantiedagen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de Vakantieregeling WW geen ruimte biedt om de vakantiedagen te berekenen aan de hand van het aantal gewerkte uren. Eisers grief, dat er van slechts twee vakantiedagen had moeten worden uitgegaan omdat hij in voornoemde vakantieperiode gedurende vier dagen als werkzoekende stond ingeschreven, waarvan hij op twee dagen het loon van zijn werkgever [de stichting] doorbetaald heeft gekregen, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet slagen.

10. Het vorenstaande volgt dat verweerder het aantal vakantiedagen over de periode van 23 februari tot en met 27 februari 2009 terecht heeft vastgesteld op vijf.

11. Het beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.

12. De rechtbank ziet geen aanleiding één der partijen te veroordelen in de proceskosten dan wel verweerder op te dragen het griffierecht te vergoeden.

13. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.H.M. Druijf als rechter in tegenwoordigheid van mr. B. van den Akker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2010.