Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM7601

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
Awb 09 / 5540
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

TUSSENUITSPRAAK in WW -zaak

UWV dient nader onderzoek te verrichten naar de vraag of aan de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden gelet op de persoon van eiser - daarbij uitdrukkelijk rekening houdend met zijn stoornis PDD-NOS - en de door eiser omschreven werksituatie dat voortzettting van het dienstverband bij zijn voormalig werkgever redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/5540

Tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 21 mei 2010

inzake

[verzoeker],

te Eindhoven,

eiser,

[gemachtigde],

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

[gemachtigde], werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2009 heeft verweerder eiser medegedeeld dat met ingang van 30 maart 2009 geen uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aan hem wordt toegekend omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 oktober 2009 ongegrond verklaard.

Tegen het laatstgenoemde besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 23 april 2010, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn [moeder], en [vader]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser, geboren op 14 september 1984, is bekend met een stoornis die valt binnen het autistisch spectrum (PDD NOS). Ook heeft eiser een huidaandoening. Met ingang van 14 september 2002 is eiser in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 14 februari 2007 ingetrokken op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van eiser is afgenomen naar minder dan 25%.

2. Eiser is per 1 juli 2002 als allround medewerker gaan werken bij [bedrijf]. In januari 2009 is eiser bevorderd naar de functie van crewtrainer. Korte tijd daarna is eiser betrapt op het weggeven van eten aan klanten. Nadat de bedrijfsrecherche was ingeschakeld, is eiser voor korte tijd geschorst. [bedrijf] heeft eiser teruggezet in zijn oude functie van allround medewerker. Eiser heeft zijn dienstverband bij [bedrijf] met ingang van 28 maart 2009 op eigen verzoek beëindigd.

3. Aan het bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Daartoe is overwogen dat het dienstverband van eiser bij [bedrijf] op zijn verzoek is beëindigd, terwijl aan de voortzetting van dit dienstverband niet zodanige bezwaren verbonden waren dat die voortzetting redelijkerwijs niet van eiser kon worden gevergd. Alvorens tot het bestreden besluit te komen heeft verweerder advies ingewonnen bij de [bezwaarverzekeringsarts], die in haar rapportage van 12 oktober 2009 heeft geconcludeerd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden ten aanzien van ontslag op medische gronden en heeft voorts aangegeven dat voortzetting van de dienstbetrekking niet zo bezwaarlijk was dat dit reeds tot schade van zijn gezondheid zou leiden. In de door eiser aangevoerde bezwaren heeft verweerder voorts geen aanleiding gezien om te komen tot het oordeel dat eisers werkloosheid hem niet of in verminderde mate valt te verwijten. Ter zitting van de rechtbank heeft verweerder nog een rapportage van de [bezwaarverzekeringsarts] van 21 april 2010 in het geding gebracht.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet verwijtbaar werkloos is. Daarbij heeft hij aangevoerd dat vanaf het moment dat hij was teruggezet in zijn oude functie zich van de zijde van het management pesterijen voordeden. De werksfeer was om te snijden en hij moest rotklusjes doen die voor die tijd (in zijn oude functie) nimmer van hem werden gevraagd, zoals bijvoorbeeld containers leegspuiten, onkruid wieden en het restaurant schrobben. Op het moment dat hem in het bijzijn van het management van [bedrijf] Nederland werd gezegd dat hij beter kon oprotten, heeft eiser een verzoek ingediend om zijn dienstverband te beëindigen. Hij zag op dat moment geen andere mogelijkheid dan ontslag te nemen. Zijn ontslagname kan volgens eiser niet los worden gezien van de in het autistisch spectrum gelegen stoornis PDD-NOS. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar de bevindingen van de [heer], orthopedagoog/GZ psycholoog van 11 november 2009 en het artikel van [de heer], loonbaanadviseur en autismecoach, over autismespectrumstoornissen. Verweerder heeft, volgens eiser, bij zijn besluitvorming onvoldoende aandacht besteed dan wel betekenis gehecht aan de omstandigheid dat bij eiser sprake is van PDD-NOS.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6. De vraag ligt voor of eiser verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in samenhang met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, ingevolge welk samenstel van bepalingen een werknemer moet voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, doordat de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep moet, ingeval een werknemer zelf de arbeidsovereenkomst beëindigt, de daarop volgende werkloosheid in beginsel als verwijtbaar in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW worden beschouwd, tenzij er sprake is van omstandigheden die een uitzondering op dit uitgangspunt rechtvaardigen, waarbij onder meer te denken valt aan situaties waarin de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is terug te voeren op een acute noodzaak daartoe.

7. Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt dat, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW opgelegd, niet is nagekomen, het Uwv de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

8. Ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet verweerder bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De rechtbank wijst er op dat de wetgeving, die het opleggen van een maatregel bij schending door de werknemer van een verplichting ingevolge artikel 24 van de WW in beginsel verplicht stelt, alsook de verstrekkende gevolgen van het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 27 van de WW, tot een bijzonder deugdelijk en zorgvuldig onderzoek noopt ter vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden.

9. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder geen onderzoek heeft ingesteld naar de werksituatie van eiser bij [bedrijf]. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat het wel gebruikelijk is dat een dergelijk onderzoek wordt verricht en dat hem de reden waarom daar in dit geval vanaf is gezien, hem niet bekend is. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder alsnog in staat te stellen hiernaar onderzoek te verrichten. Daarbij overweegt de rechtbank dat de door eiser afgelegde verklaringen consistent en concreet zijn, zodat onvoldoende aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaringen. Ter zitting van de rechtbank heeft verweerder voorts naar voren gebracht niet te twijfelen aan de situatie dat op het werk van eiser harde woorden zijn gebezigd. Eiser heeft ter zitting gemotiveerd betoogd dat niet valt te verwachten dat een onderzoek bij

[bedrijf] - ruim een jaar na dato - belangrijke nieuwe bevindingen zal opleveren. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat de door eiser geschetste werksituatie niet snel door [bedrijf] zal worden erkend. Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de door eiser geschetste werksituatie als vaststaand dient te worden aangemerkt.

10. Met eiser is de rechtbank voorts van oordeel dat de [bezwaarverzekeringsarts] onvoldoende aandacht heeft besteed aan de vraag in hoeverre aan de werksituatie van eiser in combinatie met de bij hem bestaande stoornis PDD-NOS zodanige bezwaren waren verbonden dat voorzetting van het dienstverband bij [bedrijf] redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Daarbij wijst de rechtbank er op dat in het kader van de WAJONG-beoordelingen ten aanzien van eiser beperkingen zijn aangenomen op het gebied van de conflicthantering en communicatie. Ook komt uit deze beoordelingen naar voren dat sterk wisselende onvoorspelbare werk- of uitvoeringsomstandigheden dienen te worden vermeden omdat deze erg moeilijk voor eiser zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts geen blijk gegeven van een toereikende verzekeringsgeneeskundige heroverweging nu het onderzoek – mede als gevolg van de aan haar gerichte algemene vraagstelling - te weinig op de situatie van eiser is toegespitst.

11. De rechtbank komt gelet op het vorenstaande tot het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb.

12. De rechtbank acht van belang dat het geschil zo spoedig mogelijk finaal wordt beslecht. In verband hiermee ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

In het kader van de beantwoording van de vraag of door verweerder terecht toepassing is gegeven aan artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in combinatie met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, dient verweerder een onderzoek in te stellen naar de vraag of aan de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden gelet op de persoon van eiser – daarbij uitdrukkelijk rekening houdend met zijn stoornis PDD-NOS – en de door eiser omschreven werksituatie dat voortzetting van het dienstverband bij [bedrijf] redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

Indien uit dit onderzoek naar voren komt dat eiser de hem in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW opgelegde verplichting niet is nagekomen dan dient gelet op het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de WW de vraag te worden beantwoord of het niet nakomen van deze verplichting hem niet in overwegende mate kan worden verweten.

De rechtbank verzoekt verweerder om het medische onderzoek te laten uitvoeren door een deskundige op het gebied van autismespectrumstoornissen. Deze deskundige dient bij zijn onderzoek kennis te nemen van de medische gedingstukken, waaronder de rapporten die in het kader van de WAJONG-beoordeling zijn opgemaakt.

13. De rechtbank verzoekt verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb, zo spoedig mogelijk kenbaar te maken of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen.

14. De termijn waarbinnen het Uwv het hiervoor genoemde gebrek dient te herstellen en de rechtbank op de hoogte moet brengen van zijn bevindingen, bepaalt de rechtbank op 12 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Beslissing

De rechtbank,

- draagt verweerder op zo spoedig mogelijk maar binnen uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak, mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om dit gebrek te herstellen of te laten herstellen;

- draagt verweerder op indien hij gebruik maakt van de gelegenheid tot herstel, de in rechtsoverweging 12 genoemde handelingen te verrichten;

- draagt verweerder op indien hij gebruik maakt van de gelegenheid tot herstel, de rechtbank zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 12 weken na verzending van de hiervoor bedoelde mededeling, schriftelijk mee te delen op welke wijze het gebrek is hersteld en tot welke bevindingen of nader besluit hij is gekomen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gedaan door mr. B. Fijnheer als voorzitter en mr. J.H.L.M. Snijders en

mr. E.M. Stigter als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.W.T. Landman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2010.

?De griffier is buiten staat de

uitspraak te ondertekenen.