Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM7490

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
01/821253-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onbevoegde hulpofficier van justitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren voor valsheid in geschrift , meermalen gepleegd (voor het als hulpofficier van justitie geschriften ondertekenen terwijl hij de bevoegdheid niet had).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/821253-09

Datum uitspraak: 15 juni 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 februari 2010 en 1 juni 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 februari 2010.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 01 juni 2010 is gewijzigd, is aan verdachte tenlastegelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 23 september 2008 tot en met 1 juni 2009 te

Eindhoven en/of te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland (telkens) - zijnde

een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk, zulks

met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken eenmaal en/of telkens opzettelijk en

in strijd met de waarheid op de navolgende geschriften vermeld dat hij de

hoedanigheid had van Hulpofficier van Justitie, terwijl hij die hoedanigheid

in verband met het verstrijken van de geldigheidsdatum certificaat

Hulpofficier van Justitie niet meer had:

-machtiging binnentreden [adres 1] te Breda d.d. 19 januari 2009 en/of;

-machtiging binnentreden [adres 2] te Tilburg d.d. 19 januari 2009 en/of;

-machtiging binnentreden [adres 3] te Maastricht d.d. 19 januari 2009

en/of;

-machtiging binnentreden [adres 4] te Vught d.d. 19 januari 2009 en/of;

-machtiging binnentreden [adres 5] te Maastricht d.d. 19

januari 2009 en/of;

-verlenging inverzekeringstelling [betrokkene 1] d.d. 22 januari 2009 en/of;

-verlenging inverzekeringstelling [betrokkene 2] d.d. 22 januari 2009 en/of;

-verlenging inverzekeringstelling [betrokkene 3] d.d. 22 januari 2009 en/of;

-ambtelijke stukken inzake de aanhouding van [betrokkene 4] en verhoor van

voornoemde [betrokkene 4] in kader inverzekeringstelling 13.50 d.d. 30 maart 2009

en/of;

-verlenging inverzekeringstelling van [betrokkene 4] d.d. 1 april 2009.

(Artikel 225 Wetboek van Strafrecht).

Een kopie van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging is aangehecht.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

De bevoegdheid van de rechtbank.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie (hierna: OM) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op de grond dat sprake is van grove schending van de regels van een goede procesorde.

Door het Bureau Interne Zaken van de politie in de regio Brabant Zuid Oost en de Rijksrecherche is een onderzoek ingesteld naar de aard en omvang van de problematiek aangaande - kort gezegd - de onbevoegde hulpofficieren van justitie (hierna: hovj). Inmiddels zou zijn gebleken dat in veel meer gevallen sprake is geweest van door een hovj verrichte opsporingshandelingen terwijl de geldigheid van de desbetreffende hovj-certificaten verlopen zou zijn geweest. Tevens zou uit deze onderzoeken kunnen blijken dat sprake is van bij de politie voor de beoordeling van de onderhavige zaak relevante problemen van organisatorische en/of budgettaire aard.

Er is volgens de verdediging sprake van strijd met het verbod op willekeur en met het gelijkheidsbeginsel alsmede vervolging in strijd met een redelijke en billijke belangenafweging, omdat het OM de uitkomsten van voornoemde onderzoeken niet heeft afgewacht alvorens te beslissen omtrent de verdere vervolging van verdachte. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat alleen ten aanzien van verdachte is overgegaan tot vervolging en dat kennelijk sprake is van een situatie dat "barbertje moet hangen", zulks terwijl jegens verdachte in zijn werk reeds harde disciplinaire maatregelen zijn genomen met blijvende aanzienlijke consequenties.

De officier van justitie heeft erop gewezen dat het door de verdediging in haar brief van 14 mei 2010 en ter zitting aangehaalde onderzoek nog niet is afgerond en de daarop betrekking hebbende rapportages nog niet gereed zijn. Bovendien betreffen dit geen onderzoeken die betrekking hebben op deze verdachte, maar op andere verdachten in andere zaken.

De officier van justitie heeft voorts erop gewezen dat chronologisch bezien verdachte de eerste was ten aanzien van wie het vermoeden ontstond dat hij onbevoegd hovj-handelingen had verricht en dat er geen sprake van is dat verdachte "eruit is gepikt". Op basis van de uitkomsten van het daarop ten aanzien van verdachte verrichte onderzoek heeft het OM vervolgens de strafrechtelijke relevantie beoordeeld en daarop besloten tot de strafrechtelijke vervolging van verdachte over te gaan. Naar aanleiding van de bevindingen in het onderzoek ten aanzien van verdachte zijn nadere onderzoeken geïnitieerd naar mogelijke andere gevallen bij andere personen, welke onderzoeken nog niet zijn afgerond en ten aanzien waarvan door het OM nog geen vervolgingsbeslissingen zijn genomen. De officier van justitie heeft er verder op gewezen dat het OM ook in die andere zaken vervolgingsbeslissingen zal nemen op basis van de strafrechtelijke relevantie, net zoals dat bij verdachte is gebeurd.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen door de officier van justitie naar voren is gebracht, niet kan worden staande gehouden dat in deze zaak met het nemen van de vervolgingsbeslissing voorafgaand aan de onderzoeksuitkomsten in andere zaken sprake is van willekeur dan wel van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onjuiste afweging van de direct bij de vervolgingsbeslissing betrokken belangen. De rechtbank overweegt met betrekking tot dit laatste nog dat de omstandigheid dat verdachte in zijn werk reeds aanzienlijke disciplinaire maatregelen heeft ondervonden op zichzelf niet in de weg staat aan een strafrechtelijke vervolging, nu hiervoor een ander toetsingskader geldt.

De rechtbank verwerpt derhalve het niet-ontvankelijkheidsverweer.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen.

In aansluiting op voornoemd verweer heeft de verdediging verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomsten van voornoemd onderzoek door het Bureau Interne Zaken. De rechtbank heeft dit verzoek ter terechtzitting afgewezen onder de bepaling dat indien de rechtbank bij de beraadslaging in raadkamer alsnog tot het oordeel komt dat de stukken in het belang van de verdediging dienen te worden toegevoegd dat de rechtbank het onderzoek met dat doel zal heropenen. Gelet op de omstandigheden dat bedoeld intern onderzoek geen opsporingsonderzoek jegens verdachte betreft en dat verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting voldoende in de gelegenheid zijn gesteld om de relevante feiten en omstandigheden binnen de politieorganisatie en de werksituatie naar voren te brengen en toe te lichten ziet de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.

Gronden voor schorsing.

Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Overweging ten aanzien van het bewijs.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor bij de politie niet is gewezen op zijn recht een raadsman te consulteren. Ingevolge de uitspraak van het EHRM inzake Salduz en het arrest van de Hoge Raad d.d. 30 juni 2009 dient dit ertoe te leiden dat de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte geen belang bij een bespreking van dit verweer, nu bedoelde verklaringen door de rechtbank niet voor het bewijs zullen worden gebezigd.

De bewijsmiddelen en beoordeling daarvan.

Bevoegdheid optreden als hovj

Ten tijde van het tenlastegelegde, de periode van 23 september 2008 tot 1 juni 2009 was verdachte werkzaam bij de Politie Brabant Zuid Oost te Eindhoven, als teamleider bij de divisie recherche in de rang van inspecteur.1 Op grond van zijn ervaring, rang en het bezit van een geldig certificaat hovj was hij in de jaren voorafgaand aan het tenlastegelegde bevoegd om als hovj op te treden.2 Die bevoegdheid verviel op 23 september 2008, toen de geldigheidsduur van zijn certificaat hovj verstreek, en is niet herleefd.3 Om de geldigheidsduur van zijn certificaat en daarmee vorenbedoelde bevoegdheid te verlengen of weer te doen herleven diende verdachte immers met goed gevolg het examen "Uitvoering van taken hulpofficier van justitie" af te leggen bij de Politieacademie.4 Hoewel verdachte zich - na 23 september 2008 - nog drie keer heeft aangemeld om bedoeld examen af te leggen, is dat om uiteenlopende redenen niet gebeurd.5

Wetenschap

Verdachte heeft erkend dat hij er in ieder geval vanaf 17 april 2008 van op de hoogte was dat de geldigheidsduur van zijn certificaat op 23 september 2008 zou verstrijken, en dat daarmee zijn bevoegdheid als hovj op te treden zou vervallen.6 Deze verklaring wordt ondersteund door een email-bericht van verdachte van 17 april 2008 aan zijn leidinggevende [naam leidinggevende] waarin hij positief reageert op diens verzoek over te gaan tot hercertificering.7

Valselijk opgemaakte geschriften

In het dossier bevinden zich desondanks de navolgende door verdachte als hovj na 23 september 2008 ondertekende geschriften:

-machtiging binnentreden [adres 1] te Breda d.d. 19 januari 20098 en;

-machtiging binnentreden [adres 2] te Tilburg d.d. 19 januari 20099 en;

-machtiging binnentreden [adres 3] te Maastricht d.d. 19 januari 200910

en;

-machtiging binnentreden [adres 4] te Vught d.d. 19 januari 200911 en;

-machtiging binnentreden [adres 5] te Maastricht d.d. 19

januari 200912 en;

-verlenging inverzekeringstelling [betrokkene 1] d.d. 22 januari 200913 en;

-verlenging inverzekeringstelling [betrokkene 2] d.d. 22 januari 200914 en;

-verlenging inverzekeringstelling [betrokkene 3] d.d. 22 januari 200915 en;

-ambtelijke stukken inzake de aanhouding van [betrokkene 4]16 en verhoor van

voornoemde [betrokkene 4] in het kader van de inverzekeringstelling d.d. 30 maart 200917

en;

-verlenging inverzekeringstelling van [betrokkene 4] d.d. 1 april 200918.

Verdachte heeft erkend dat hij de handtekeningen op deze stukken heeft geplaatst, met de bedoeling ze te (doen) gebruiken in het strafrechtelijk onderzoek waarop ze betrekking hadden. Verdachte heeft aangegeven de waarde die dergelijke stukken in het strafproces voor verdachte en proces-deelnemers hebben te onderkennen, meer in het bijzonder de bewijswaarde van deze stukken. Verdachte heeft tevens toegegeven dat de vermeldingen op de stukken dat hij hovj is, in strijd met de waarheid zijn.19

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Verdachte heeft geschriften ondertekend als hovj terwijl hij wist dat hij op dat moment die hoedanigheid niet had. Deze geschriften, die tot het bewijs van enig feit dienen, zijn vervolgens ook gebruikt.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft bij het zetten van bedoelde handtekeningen op de geschriften weliswaar onzorgvuldig en slordig gehandeld, maar de opzet op het valselijk opmaken van die geschriften, ook in voorwaardelijke vorm, ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte ontkent dat hij met het plaatsen van bedoelde handtekeningen het opzet had op het plegen van valsheid in geschrift.

Verdachte heeft daaromtrent ter terechtzitting verklaard dat hij in de telastegelegde periode privé-problemen had die zijn functioneren op het werk negatief beïnvloedden. In die omstandigheden heeft hij de handtekeningen onbewust en uit routine gezet.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Verdachte is een zeer ervaren politie-ambtenaar, was werkzaam in de rang van inspecteur, en tot het tenlastegelegde jarenlang hulpofficier van justitie geweest. Zoals hiervoor reeds aangehaald onderkende hij het belang van de juistheid van door hem in zijn functie opgestelde en/of ondertekende geschriften.

Naar het oordeel van de rechtbank had het gelet op die omstandigheden op de weg van verdachte gelegen om de hem voorgelegde stukken zorgvuldig te verifiëren alvorens hierop zijn handtekening te plaatsen, temeer nu hij wist dat hij niet langer bevoegd was tot het uitoefenen van de functie van hulpofficier van justitie.

Nu verdachte dit heeft nagelaten, heeft hij minstgenomen de aanmerkelijke kans op de valsheid bewust aanvaard. Daarom was er bij verdachte in ieder geval sprake van voorwaardelijk opzet op het valselijk opmaken van de stukken. De door verdachte aangevoerde omstandigheden doen hier niet aan af.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen acht de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de periode van 19 januari 2008 tot en met 1april 2009 te Eindhoven telkens

een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken telkens opzettelijk en

in strijd met de waarheid op de navolgende geschriften vermeld dat hij de hoedanigheid had van Hulpofficier van Justitie, terwijl hij die hoedanigheid in verband met het verstrijken van de geldigheidsdatum certificaat Hulpofficier van Justitie niet meer had:

-machtiging binnentreden [adres 1] te Breda d.d. 19 januari 2009 en;

-machtiging binnentreden [adres 2] te Tilburg d.d. 19 januari 2009 en;

-machtiging binnentreden [adres 3] te Maastricht d.d. 19 januari 2009

en;

-machtiging binnentreden [adres 4] te Vught d.d. 19 januari 2009 en;

-machtiging binnentreden [adres 5] te Maastricht d.d. 19

januari 2009 en;

-verlenging inverzekeringstelling [betrokkene 1] d.d. 22 januari 2009 en;

-verlenging inverzekeringstelling [betrokkene 2] d.d. 22 januari 2009 en;

-verlenging inverzekeringstelling [betrokkene 3] d.d. 22 januari 2009 en;

-ambtelijke stukken inzake de aanhouding van [betrokkene 4] en verhoor van

voornoemde [betrokkene 4] in kader inverzekeringstelling 13.50 d.d. 30 maart 2009

en;

-verlenging inverzekeringstelling van [betrokkene 4] d.d. 1 april 2009.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd:

- een werkstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis en

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn eis enerzijds in het bijzonder rekening gehouden met:

- de ernst van het feit gelet op het vertrouwen dat moet worden kunnen gesteld in de juistheid van ambtelijke stukken,

- de pleegperiode en de hoeveelheid verrichte handelingen,

- de schade die de integriteit van de opsporing heeft opgelopen en

- de voorbeeldfunctie die verdachte uit hoofde van zijn functie had.

Anderzijds heeft de officier van justitie uitdrukkelijk meegewogen dat:

- verdachte als politieman een lange en goede staat van dienst heeft,

- de privé-omstandigheden van verdachte in de tenlastegelegde periode alles behalve rooskleurig waren,

- er vergelijkbare zaken aan het licht zijn gekomen waarbij andere (voormalig) hovj's mogelijk betrokken zijn en dat

- verdachte reeds een forse disciplinaire reactie heeft ervaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen straf dient te worden opgelegd gelet op de bepleite vrijspraak.

Subsidiair is naar voren gebracht dat de rechtbank zou moeten volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder merkt de rechtbank hierover het navolgende op.

Verdachte heeft als politieambtenaar diverse geschriften valselijk opgemaakt door deze te ondertekenen als hulpofficier van justitie, terwijl hij die hoedanigheid niet meer had.

Hiermee heeft verdachte het vertrouwen geschonden dat in een rechtsstaat in dergelijke geschriften dient te kunnen worden gesteld. Verdachte heeft door zijn handelen eveneens het vertrouwen dat de samenleving stelt in politiefunctionarissen geschonden.

De verdediging heeft aangevoerd dat de politieorganisatie mede schuldig is aan wat er is gebeurd omdat de dienstleiding wist dat verdachte niet langer bevoegd was als hovj op te treden, maar niet ingreep. Dit verweer faalt. In de eerste plaats geldt dat verdachte er wel degelijk door zijn leidinggevenden op is gewezen dat hij voor hercertificering moest zorgen, zoals blijkt uit de eerder aangehaalde mailwisseling van 17 april 2008 en het gespreksverslag van 19 maart 2009.20 Bovendien is de rechtbank van oordeel dat, ook als zou blijken dat de politieorganisatie onvoldoende heeft gecontroleerd of voormalig hovj's ten tijde van ondertekening van stukken daartoe nog bevoegd waren, dit niet wegneemt dat verdachte hierbij een belangrijke, eigen verantwoordelijkheid had. Op grond daarvan mocht van hem worden verwacht dat hij er voor zou waken dat hij - indien hij ondanks de gemaakte afspraken niet tijdig gecertificeerd zou zijn - géén stukken zou ondertekenen waartoe hij niet langer bevoegd was.

De ernst van het bewezenverklaarde en de hiervorenbedoelde verantwoordelijkheid van verdachte rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur.

In de bijzondere omstandigheden van deze zaak ziet de rechtbank echter aanleiding een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierbij speelt een rol dat verdachte overigens als politieambtenaar een lange en goede staat van dienst heeft en ten tijde van de verweten gedragingen ernstige privé-problemen had.

Verder zijn van belang het feit dat verdachte geen strafblad heeft en het gegeven dat hij door de gevolgen van deze zaak feitelijk al zwaar is getroffen. Hij is immers gedegradeerd in rang en functie na een jarenlang dienstverband, met de inhoudelijke en financiële consequenties van dien.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 57, 225.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

Gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter,

mr. M.Th. van Vliet en mr. J.F.M. Pols, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.W.A. Kap-Knippels, griffier,

en is uitgesproken op 15 juni 2010.

mr. M.Th. van Vliet is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2010

2 Einddossier van Regiopolitie Brabant Zuid Oost, Bureau Interne Zaken, dossiernummer PL22-2009162066 (hierna: einddossier), proces-verbaal bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], p. 19

3 Einddossier, proces-verbaal bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], p. 42

4 Einddossier, certificaat Politieacademie, p. 50

5 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2010

6 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2010

7 Einddossier, emailberichten van [naam leidinggevende] en verdachte, p. 51

8 Einddossier, machtiging tot binnentreden in een woning, ondertekend door De hulpofficier van justitie, [verdachte], voorzien van handtekening, p. 79

9 Einddossier, machtiging tot binnentreden in een woning, ondertekend door De hulpofficier van justitie, [verdachte], voorzien van handtekening, p. 69

10 Einddossier, machtiging tot binnentreden in een woning, ondertekend door De hulpofficier van justitie, [verdachte], voorzien van handtekening, p. 60

11 Einddossier, machtiging tot binnentreden in een woning, ondertekend door De hulpofficier van justitie, [verdachte], voorzien van handtekening, p. 72

12 Einddossier, machtiging tot binnentreden in een woning, ondertekend door De hulpofficier van justitie, [verdachte], voorzien van handtekening, p. 77

13 Einddossier, verlenging inverzekeringstelling, ondertekend door de HOVJ, [verdachte], voorzien van handtekening, p. 93 in combinatie met bevel inverzekeringstelling p. 90 t/m 92, en proces-verbaal bevindingen van verbalisant [naam leidinggevende] omtrent de verlenging inverzekeringstelling van verdachte [betrokkene 1], p. 97 en 98

14 Einddossier, verlenging inverzekeringstelling, ondertekend door de HOVJ, [verdachte], voorzien van handtekening, p. 89 in combinatie met bevel inverzekeringstelling p. 86 t/m 88, en proces-verbaal bevindingen van verbalisant [naam leidinggevende] omtrent de verlenging inverzekeringstelling van verdachte [betrokkene 2], p. 97 en 98

15 Einddossier, verlenging inverzekeringstelling, ondertekend door de HOVJ, [verdachte], voorzien van handtekening, p. 85 in combinatie met bevel inverzekeringstelling p. 82 t/m 84, en proces-verbaal bevindingen van verbalisant [naam leidinggevende] omtrent de verlenging inverzekeringstelling van verdachte [betrokkene 3], p. 97 en 98

16 Einddossier, proces-verbaal aanhouding, onder meer inhoudende "De verdachte werd door verbalisant [verdachte] aangehouden in zijn hoedanigheid als hulpofficier van justitie en aldus onmiddellijk voorgeleid", onder meer ondertekend door [verdachte], voorzien van handtekening, p. 53 en 54

17 Einddossier, proces-verbaal van verhoor inverzekeringstelling, onder meer inhoudende "Verhoor van de verdachte door [verdachte] (...) als zodanig hulpofficier van justitie, ondertekend door [verdachte], voorzien van handtekening, p. 55 en 56

18 Einddossier, verlenging inverzekeringstelling, ondertekend door de hulpofficier van justitie, [verdachte], voorzien van handtekening, p. 59

19 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2010

20 Einddossier, emailberichten van [naam leidinggevende] en verdachte, p. 51, gespreksverslag p. 45 t/m 47.