Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM4247

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
210163 - KG ZA 10-210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak om een echtpaar dat al 10 jaar bij de gemeente Helmond klaagt over de voortdurende overlast die zij ondervinden van het gebruik van het trapveld met de metalen goals en metalen ballenvangers in hun wijk. Deze overlast bestaat volgens hen enerzijds uit geluidsoverlast en anderzijds uit bedreigingen, intimidatie en vernielingen door jongeren die van het trapveld gebruik maken. De kern van dit kort geding is de vraag of de door het echtpaar gestelde hinder zodanig ernstig is dat deze onder de gegeven omstandigheden als onrechtmatig moet worden aangemerkt. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat dit het geval is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 's-Hertogenbosch

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 210163 / KG ZA 10-210

Vonnis in kort geding van 12 mei 2010

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. I.L. van Geel te Deurne,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE [plaats],

zetelend te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.D.E. van den Heuvel te Venlo.

Partijen zullen hierna [eisers] - eisers afzonderlijk: [eiser 1] en [eiser 2] - en de Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

[eisers] hebben bij exploot van 12 april 2010 de Gemeente in kort geding gedagvaard.

1.2.

[eisers] hebben tijdens de mondelinge behandeling op 28 april 2010 de vordering nader toegelicht, mede aan de hand van de door hen overgelegde producties 1 tot en met 19. Productie 19, zijnde een verslag van geluidsmetingen die op 27 april 2010 zijn verricht, zal niet in het nadeel van de Gemeente meewegen nu [eisers] noch de Gemeente vóór de zitting van dit verslag kennis hebben kunnen nemen.

1.3.

De gemeente heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd, mede aan de hand van de door haar overgelegde foto’s.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De relevante vaststaande feiten

2.1.

Sinds 1989 wonen [eisers] met hun vier kinderen aan [adres]. Nabij hun woning ligt het [plein 1], welk plein voor een deel grenst aan de achtertuin van [eisers]. Op dit plein is rond 2000 door de Gemeente een trapveld ingericht voor kinderen vanaf circa 9 jaar. Op het trapveld zijn twee metalen goals met bijbehorende metalen ballenvangers geplaatst. Het trapveld is gelegen tussen bebouwing aan twee zijden, zodat geluid weerkaatst. Hieraan grenzend ligt een afgebakend speelveldje met speeltoestellen voor jonge kinderen. In dit kort geding staat het trapveld centraal en blijft het speelveldje verder buiten beschouwing.

2.2.

Bij brief van 11 mei 2001 heeft [eiser 1] bij de Gemeente geklaagd over overlast door het gebruik van genoemd trapveld. Hij heeft in deze brief te kennen gegeven dat er vanaf het trapveld regelmatig ballen in zijn achtertuin worden geschoten. Volgens hem klimmen jongeren over zijn tuinmuur om de ballen op te halen, vertrappen zij planten en bellen zij tot ’s avonds laat aan om ballen terug te vragen, waarbij soms een bedreigende situatie ontstaat. [eiser 1] heeft de Gemeente in deze brief verzocht om een ballenvanger te plaatsen tussen het [plein 1] en zijn achtertuin.

2.3.

Bij brief van 21 augustus 2001 heeft de Gemeente toegezegd een ballenvanger te plaatsen tussen de achtertuin van [eisers] en het [plein 1]. Deze ballenvanger is nog in datzelfde jaar aangebracht.

2.4.

Op 23 februari 2005 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser 1], [stichting 1] en de Gemeente, tijdens welk gesprek [eiser 1] heeft aangegeven nog veel overlast te ondervinden van de voetballende jongeren op het [plein 1] en hij de Gemeente heeft verzocht om een extra ballenvanger aan de kopse zijde van zijn achtertuin te plaatsen.

2.5.

Naar aanleiding van dit gesprek heeft de Gemeente per brief van 19 april 2005 aan [eiser 1] te kennen gegeven dat zij geen extra ballenvanger aan de kopse zijde van zijn tuin kan plaatsen, aangezien het perceel dat hieraan grenst niet aan de Gemeente in eigendom toebehoort. Voorts heeft zij bevestigd dat er voor het [plein 1] pleinregels zijn opgesteld door het Jeugd Preventie Team (JPT) in samenwerking met bewoners en jongeren, [stichting 1], Politie Brabant Zuid-Oost en Bijzonder Jeugdwerk Brabant. Eén van de pleinregels houdt in dat het na 21.00 uur rustig moet zijn. Genoemde pleinregels zijn aangebracht op een bord, welk bord aan het [plein 1] staat opgesteld.

Ten slotte heeft de Gemeente toegezegd dat het JPT de locatie [plein 1] zal blijven volgen door middel van inzet van jongerenwerk, straathoekwerk en politie. Zij heeft [eiser 1] aangeraden overlast te blijven melden bij de politie.

2.6.

Vervolgens hebben [eisers] op eigen kosten alsnog een ballenvanger aan de kopse zijde van hun achtertuin geplaatst.

2.7.

Bij brief van 24 augustus 2005 heeft de Gemeente aan [eiser 1] te kennen gegeven dat zij naar aanleiding van overleg met enkele buurtbewoners voornemens is een proef uit te voeren, waarbij de twee goals aan het [plein 1] voor een periode van vier weken worden verwijderd. Doel van de proef is volgens de Gemeente te achterhalen of de geluidsoverlast vermindert bij afwezigheid van deze goals.

2.8.

Bij brief van 6 oktober 2005 heeft de Gemeente aan [eiser 1] bevestigd dat er gedurende de proef weinig gebruik is gemaakt van het trapveld, maar dat de twee goals toch zo snel mogelijk moeten worden teruggeplaatst, omdat het vanwege de weinige trapveldjes in de binnenstad noodzakelijk is om het trapveld aan het [plein 1] in stand te houden.

2.9.

Op 27 juni 2006 is er een buurtbijeenkomst geweest waarbij de burgemeester van de Gemeente aanwezig was. De burgemeester is tijdens deze bijeenkomst tot de conclusie gekomen dat het [plein 1] in de huidige vorm behouden moet worden, aangezien er weinig vergelijkbare voorzieningen in de binnenstad aanwezig zijn. Voorts heeft hij de buurtbewoners opgeroepen samen te werken en één blok te vormen tegen de overlast veroorzakende jeugd, waarbij hij ondersteuning van jongerenwerk, straathoekwerk en politie heeft toegezegd.

2.10.

Op 3 juli 2008 heeft er naar aanleiding van de aanhoudende klachten van [eiser 1] een gesprek plaatsgevonden tussen hem en een wethouder van de Gemeente. In dit gesprek is afgesproken dat [stichting 2] het geluid zal meten dat het schoppen van een bal tegen de (nog steeds: metalen) goals en de ballenvangers op het trapveld aan het [plein 1] veroorzaakt.

2.11.

Deze geluidsmetingen zijn vervolgens op 28 oktober 2008 in opdracht van de Gemeente door [stichting 2] verricht.

2.12.

Bij brief van 16 april 2009 heeft [stichting 2] de resultaten van de metingen aan [eiser 1] bekend gemaakt:

“In de tuin aan de achterzijde van uw woning [adres] is op 3 punten een meting gehouden, namelijk::

A- Achter in de tuin nabij de garage/tuinhuis.

B- In het midden van de tuin.

C- De achtergevel.

Hierbij zijn de navolgende waarden gemeten:

A- 53.25 dB(A)

B- 52.20 dB(A)

C- 47.33 dB(A)

De normering voor een eventuele overschrijding is formeel niet vastgesteld. Om toch tot een eventuele normering/vergelijk te kunnen komen is gebruik gemaakt van de normering welke van kracht is voor bedrijven ten opzichte van een woning. Deze norm is:

07.00

tot 19.00 uur 50 dB(A)

19.00

tot 23.00 uur 45 dB(A)

23.00

tot 07.00 uur 40 dB(A)

(…)

Voornoemde gegevens zijn beschikbaar gesteld aan de gemeente [plaats] waarbij het advies gegeven is deze waarden indicatief te gebruiken. De geluidsbelasting door schreeuwen en roepen wat natuurlijk met voetballende jeugd/jongeren gepaard gaat is namelijk niet in deze meting meegenomen.”

2.13.

De gemeente heeft in haar brief d.d. 20 april 2009 aan [eiser 1] te kennen gegeven dat zij in genoemde geluidsmetingen geen aanleiding ziet om tot herinrichting van het [plein 1] over te gaan en dat de mogelijkheden voor vervanging van de aanwezige goals en ballenvangers niet zullen leiden tot een daling van het geluidsniveau.

2.14.

Op 24 juli 2009 heeft de advocaat van [eisers] de Gemeente gevraagd of zij alsnog bereid is om tot een oplossing te komen met betrekking tot de overlast. De gemeente heeft [eisers] vervolgens in de gelegenheid gesteld een voorstel te doen.

2.15.

Bij brief van 4 augustus 2009 heeft de advocaat van [eisers] namens hen een voorstel gedaan aan de Gemeente, welk voorstel neerkomt op het verwijderen van de goals en ballenvangers op het trapveld. De gemeente heeft dit voorstel per brief van 9 september 2009 afgewezen.

2.16.

Vervolgens heeft [naam ingenieurs]. (hierna te noemen: [naam ingenieurs]) in opdracht van [eisers] op 11 december 2009 geluidsmetingen verricht. Het rapport van deze geluidsmetingen heeft de advocaat van [eisers] op 14 januari 2010 aan de Gemeente verzonden.

2.17.

Op 26 april 2010 heeft de Gemeente extra rubberen strips aan de ballenvangers achter de twee goals op het trapveld laten aanbrengen ter demping van het geluid dat wordt veroorzaakt door het schieten van ballen tegen de ballenvangers.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen (samengevat) veroordeling van de Gemeente:

primair:

tot het treffen en in stand houden van zodanige fysieke maatregelen, dat het terrein aan het [plein 1] te [plaats] niet meer gebruikt kan worden als speelterrein, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

subsidiair:

tot het treffen en in stand houden van zodanige fysieke maatregelen, dat het speelterrein aan het [plein 1] te [plaats] niet meer gebruikt kan worden als trapveld, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

meer subsidiair:

tot het verwijderen en verwijderd houden van de goals op het trapveld aan het [plein 1] te [plaats], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

uiterst subsidiair:

tot het treffen en in stand houden van zodanige fysieke maatregelen, dat het speelterrein aan het [plein 1] te [plaats] gedurende de avond- en nachtperiode (van 19.00 uur tot 07.00 uur) en in het weekeinde (van vrijdag 19.00 uur tot maandag 07.00 uur) niet meer gebruikt kan worden als trapveld, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Voorts vorderen [eisers] veroordeling van de Gemeente:

  1. in de kosten voor het inschakelen van onderzoeksbureau [naam ingenieurs];

  2. in de kosten voor het plaatsen van de ballenvangers;

  3. tot betaling aan [eisers] van een voorschot op de door hen geleden immateriële schade, tot op heden begroot op € 25,-- voor iedere dag sinds het onrechtmatig handelen van de Gemeente.

3.2.

[eisers] leggen hieraan ten grondslag dat zij veel overlast ondervinden van het gebruik van het trapveld aan het [plein 1]. Deze overlast bestaat enerzijds uit geluidsoverlast (het geluid van ballen die tegen de (metalen) goals en ballenvangers worden geschoten) en anderzijds uit bedreigingen, intimidatie en vernielingen door jongeren die de in de achtertuin van [eisers] terechtgekomen ballen terugwillen. Deze hinder is volgens [eisers] onrechtmatig. Daarbij speelt volgens hen een rol dat deze onrechtmatige hinder tevens een schending van artikel 8 EVRM oplevert. Laatstgenoemde bepaling brengt met zich mee dat op de Gemeente de verplichting rust om maatregelen te treffen die het recht op respect voor het privéleven beschermen, zelfs in relaties tussen burgers onderling.

3.3.

Bovendien voeren zij aan dat er op zeer korte afstand van het [plein 1] een ander trapveld ligt, namelijk het [plein 2]. De jeugd heeft dus de mogelijkheid om naar dit trapveld uit te wijken als het trapveld aan het [plein 1] wordt opgeheven.

3.4.

De Gemeente voert de navolgende verweren.

3.4.1.

Een spoedeisend belang aan de zijde van [eisers] ontbreekt, aangezien [eisers] stellen al sinds 2001 hinder te ondervinden van het trapveld aan het [plein 1] te [plaats]. Zij hadden dus al veel eerder een kort geding procedure kunnen aanspannen.

3.4.2.

Deze zaak leent zich niet voor beslissing in kort geding. Een nader onderzoek (door eventueel een onafhankelijk deskundige) zal nodig zijn, waarvoor het kort geding zich niet leent.

3.4.3.

De primaire vordering sub 1 is buitenproportioneel, aangezien vaststaat dat het afgebakende speelveldje met speeltoestellen voor jonge kinderen niet voor overlast zorgt. In deze zaak staat slechts het trapveld ter discussie. Bovendien is deze vordering te onbepaald en zal deze bij toewijzing leiden tot executiegeschillen. Dit laatste geldt ook voor de subsidiaire vordering sub 1 en de uiterst subsidiaire vordering sub 1.

3.4.4.

De meer subsidiaire vordering sub 1 dient te worden afgewezen, omdat er met het trapveld een evident jeugdbelang is gediend en er voor de jeugd geen alternatieven in de buurt zijn. Het [plein 2] is, anders dan [eisers] stellen, geen geschikt alternatief, omdat:

  • -

    dit trapveld op 540 meter loopafstand van het [plein 1] is gelegen en voor de jeugd van 9 tot 12 jaar te ver uit de betreffende wijk is;

  • -

    opheffing van het trapveld aan het [plein 1] tot verstopping van het [plein 2] zal leiden.

3.4.5.

De vordering tot betaling van de kosten van [naam ingenieurs] dient te worden afgewezen, omdat deze kosten onnodig zijn gemaakt, de hoogte van de kosten niet bekend is en een spoedeisend belang ten aanzien van deze vordering ontbreekt.

3.4.6.

De vordering tot betaling van de kosten van de ballenvanger dient te worden afgewezen, omdat hiervoor geen grondslag bestaat. Voorts is de Gemeente nimmer gesommeerd tot betaling van deze kosten en/of in gebreke gesteld, is het bedrag niet bekend en ontbreekt ook hier een spoedeisend belang.

3.4.7.

Zij betwist het bestaan van immateriële schade. Voorts is niet duidelijk vanaf welke datum [eisers] schadevergoeding vorderen, is het bedrag van € 25,00 per dag onredelijk hoog en niet gemotiveerd en ontbreekt wederom een spoedeisend belang.

3.5.

Samenvattend concludeert De gemeente tot afwijzing van de vorderingen en veroordeling van [eisers] in de kosten van het geding. Mocht de voorzieningenrechter haar desondanks veroordelen, dan voert zij aan dat het opleggen van een dwangsom onnodig is. De gemeente zegt toe dit vonnis te zullen nakomen.

3.6.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij haar betwisting van het spoedeisend belang heeft de Gemeente aangevoerd dat [eisers] al veel eerder (namelijk in 2000/2001) een kort geding procedure hadden kunnen aanspannen. De gemeente miskent daarmee dat in het geval iemand bescherming zoekt tegen een beweerdelijke voortdurende aantasting van zijn subjectieve rechten er uit de aard van de zaak sprake is van een voldoende spoedeisend belang om de zaak aan de voorzieningenrechter in kort geding voor te leggen teneinde die aantasting te doen eindigen en/of de schadelijke gevolgen daarvan te verminderen. Het eventueel later aanspannen van een kort geding dan wellicht voor de hand had gelegen staat aan het spoedeisend belang als zodanig niet in de weg. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn, maar dergelijke omstandigheden zijn hier niet aan de orde. Reeds hierom faalt dit verweer.

4.2.

De kern van dit kort geding is de vraag of de door [eisers] gestelde hinder zodanig ernstig is dat deze onder de gegeven omstandigheden als onrechtmatig moet worden aangemerkt in de zin van artikel 6:162 BW. [eisers] stellen zich op het standpunt dat dit het geval is en dit betoog slaagt.

4.3.

Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is volgens vaste jurisprudentie afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen. De voorzieningenrechter heeft met name de volgende omstandigheden bij zijn beoordeling betrokken.

4.4.

De eerste omstandigheid is dat op grond van de gedingstukken, het verhandelde ter zitting en de uitlatingen van [eiser 1] voldoende aannemelijk is geworden dat de voetballende jongeren op het trapveld aan het [plein 1] te [plaats] ernstige geluidsoverlast veroorzaken door het trappen van ballen tegen de metalen goals en ballenvangers, waardoor [eisers] onder meer telkenmale worden beroofd van hun avond- en weekendrust. In elk geval is er elke dag de gehele tijd de voortdurende dreiging dat dit zal plaatsvinden. Zo hebben [eisers] verklaringen van omwonenden overgelegd waarin de ondervonden last wordt geconcretiseerd, zijn [eisers] al sinds 2001 met de Gemeente in conclaaf over een oplossing voor de geluidsoverlast en mag bovendien worden aangenomen dat de burgemeester van de Gemeente de onder r.o. 2.9. genoemde buurtbijeenkomst niet had bezocht indien de overlast niet ernstig zou zijn geweest. Het feit dat er voor voetbalactiviteiten op trapvelden geen geluidnormering bestaat - in de vorm van maximaal toelaatbare geluidniveaus aan de gevels van woningen - en in de rapporten van [stichting 2] en [naam ingenieurs] daarom maar aansluiting is gezocht bij normeringen die in dit geval niet van toepassing zijn, kan niet leiden tot het oordeel dat reeds daarom van onrechtmatige hinder geen sprake kan zijn. In de eerste plaats niet, omdat de gemeten waarden niet laag zijn (zelfs hoger dan in de vergeleken situatie aanvaardbaar zou zijn geweest (zie r.o. 2.12.)) en in de tweede plaats niet, omdat voor het oordeel of geluidshinder onrechtmatig is niet zozeer de uitslagen van een meetrapport doorslaggevend zijn, maar eerder gelet moet worden op de mate waarin geluid in de concrete omstandigheden als hinderlijk kan worden ervaren.

4.5.

Een tweede omstandigheid is dat - als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist - vaststaat dat er al geruime tijd sprake is van een ander soort overlastklachten, namelijk intimidatie en vernielingen begaan door op het trapveld voetballende jongeren. Zo is voldoende aannemelijk geworden dat er met regelmaat jongeren zijn die:

  • -

    zonder toestemming over de tuinmuur van [eisers] klimmen om ballen die zij in de tuin hebben geschoten, terug te pakken;

  • -

    vernielingen aanrichten in de tuin en/of aan het huis van [eisers];

  • -

    tot ’s avonds laat bij [eisers] aanbellen om ballen op te eisen uit de tuin en er daarbij niet voor terugdeinzen om [eisers] te bedreigen, te intimideren en/of uit te schelden.

Met name het gegeven dat [eisers] angstig zijn en lijden onder deze gebeurtenissen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter van groot belang. Zo hebben [eisers] te kennen gegeven dat zij hun kinderen in de middelbare schoolleeftijd wegens genoemde ongeregeldheden niet alleen thuis durven te laten. Het feit dat de intimidaties, bedreigingen en vernielingen niet elke dag plaatsvinden, laat onverlet dat [eisers] hiervoor wel elke dag bang zijn en dat zij als gevolg hiervan dagelijks hinder ervaren.

4.6.

Een andere omstandigheid is dat de in 2005 door de Gemeente gehouden proef - zoals weergegeven onder r.o. 2.7. - heeft uitgewezen dat jongeren bij afwezigheid van de twee goals zeer weinig gebruikmaken van het trapveld aan het [plein 1] en de in r.o. 4.4. en 4.5. genoemde hinder in dat geval dus sterk vermindert. Hieruit volgt dat de Gemeente deze hinder - hoewel zij deze feitelijk niet zelf veroorzaakt - wel in de hand heeft gewerkt en nog steeds in de hand werkt door de goals weer terug te plaatsen op het trapveld.

4.7.

Een vierde omstandigheid is dat de Gemeente onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het [plein 2] aan de [adres] te [plaats] geen geschikt alternatief is voor het trapveld aan het [plein 1]. Door [eisers] is gesteld dat de twee goals op het trapveld met name de oudere jeugd uit geheel [plaats] aantrekken en dat het voornamelijk deze oudere jeugd is die verantwoordelijk is voor genoemde overlast. De gemeente heeft dit niet betwist, maar stelt - onder verwijzing naar haar in september 2003 vastgestelde “Speelruimte beleidsplan” - dat bij verwijdering van de goals de jeugd van 9 tot 12 jaar geen trapveld meer in hun eigen buurt heeft. Volgens de Gemeente zoekt deze groep kinderen zijn speelplek tot een afstand van circa 300-400 meter van huis. Het [plein 2] zou voor hen dus geen alternatief zijn. Dit verweer slaagt niet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan gerust worden aangenomen dat deze categorie kinderen geen vaste, permanente, weer en vandalisme bestendige goals nodig heeft om te kunnen voetballen. Ook zonder dit soort goals kunnen en zullen deze kinderen op het trapveld aan het [plein 1] voetballen en eventueel goals maken met bijvoorbeeld pionnen, stoepkrijt of jassen. Nu de Gemeente heeft gesteld dat voor kinderen vanaf 12 jaar de afstand van hun woonhuis naar een speelplek een minder belangrijke rol speelt, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom voor deze kinderen het [plein 2] - dat volgens de Gemeente op slechts op 540 meter loopafstand van het [plein 1] is gelegen en niet voor overlastproblemen zorgt - geen geschikt alternatief is. Het feit dat de Gemeente vreest voor verstopping van het [plein 2] doet hier niets aan af.

4.8.

Een vijfde omstandigheid is dat de Gemeente kennelijk niet in staat is om de pleinregels te handhaven die voor het [plein 1] zijn opgesteld en om, ondanks alle zorg en aandacht die zij naar eigen zeggen voor het [plein 1] heeft, aan genoemde hinder een einde te maken. Ook heeft de Gemeente ter zitting desgevraagd geen gerichte maatregelen kunnen noemen die als voldoende concreet en effectief kunnen worden beschouwd (het vragen van extra aandacht voor deze zaak bij jongerenwerk, straathoekwerk en politie kan niet als zodanig worden beschouwd).

4.9.

In het licht van alle hierboven genoemde specifieke omstandigheden is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter - mede gelet op het feit dat de hinder ook blijvend van aard zal zijn - voldoende gebleken van zodanig ernstige hinder dat gesproken kan worden van onrechtmatige hinder en dient het belang van de Gemeente te wijken voor het grotere belang van [eisers].

4.10.

De primaire vordering sub 1 zal echter als te ingrijpend worden afgewezen nu het afgebakende speelveldje met speeltoestellen voor jonge kinderen ook onderdeel uitmaakt van het speelterrein aan het [plein 1] en [eisers] hebben erkend dat de jeugd die van dit speelveldje gebruik maakt geen overlast veroorzaakt.

4.11.

De subsidiaire vordering sub 1 zal als te weinig concreet eveneens worden afgewezen. Toewijzing van deze vordering in kort geding zal leiden tot onduidelijkheid en executiegeschillen. Bovendien hebben [eisers] - onder verwijzing naar eerder genoemde proef - ter zitting te kennen gegeven dat met name de op het trapveld geplaatste metalen goals de oorzaak van de geluidsoverlast zijn en de jongeren aantrekken die intimideren en vernielingen aanrichten. Met het trapveld als zodanig hebben [eisers] niet zozeer een probleem.

4.12.

Op grond van het vorenstaande zal de meer subsidiaire vordering sub 1 worden toegewezen. De gemeente zal de twee goals op het trapveld aan het [plein 1] dus moeten verwijderen. Daarmee zal de overlast tot aanvaardbare proporties zijn teruggebracht, omdat aan te nemen valt dat dan alleen de jeugd tot ongeveer 12 jaar van het trapveld gebruik zal maken om te voetballen en er geen aantrekkende werking meer bestaat op de - meer mobiele en lastiger - oudere jeugd. Bovendien zullen kinderen tot 12 jaar niet tot laat in de avond op het trapveld aanwezig zijn. Hiermee is tevens aangegeven waarom niet met de toewijzing van de uiterst subsidiaire vordering kan worden volstaan. De aanwezigheid van de permanente goals trekt de oudere (dus mobiele) jeugd van buiten de wijk aan.

4.13.

Ten aanzien van de vordering tot betaling van een voorschot op de beweerdelijk geleden immateriële schade merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Uitgangspunt bij de beoordeling van een vordering in kort geding tot veroordeling van betaling van een geldsom als voorschot op een uitkering inzake schadevergoeding is dat toewijzing in beginsel slechts mogelijk is wanneer voldoende aannemelijk is dat ook in een bodemprocedure het door de voorzieningenrechter in het kort geding toegekende bedrag zal worden toegewezen. Het had op de weg van [eisers] gelegen om de ernst van de schade ten aanzien van de psychische componenten daarvan en het oorzakelijk verband tussen deze schade en de gestelde hinder voldoende aannemelijk te maken, hetgeen zij hebben nagelaten. De gegrondheid van hun aanspraak op schadevergoeding staat thans onvoldoende vast om een voorschot daarop te kunnen toewijzen. Hiervoor zal een nader onderzoek in de bodemprocedure dienen te worden uitgevoerd, waartoe het kort geding zich in elk geval niet leent.

4.14.

Nu de omvang van de door [eisers] gevorderde vergoeding van de kosten van de door hen geplaatste ballenvanger en de kosten van het door hen ingeschakelde onderzoeksbureau [naam ingenieurs] niet voldoende aannemelijk is - sterker nog, [eisers] hebben zich niet eens over de omvang van deze kosten uitgelaten - en gesteld noch anderszins gebleken is dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, zal de voorzieningenrechter deze vorderingen reeds hierom eveneens afwijzen.

4.15.

De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat de Gemeente als overheidsorgaan een rechterlijke beslissing nakomt - hetgeen zij ook ter zitting heeft toegezegd - zodat voor het verbinden van een dwangsomsanctie aan de veroordeling thans onvoldoende aanleiding bestaat. Dit neemt niet weg dat [eisers] in kort geding alsnog om een dwangsomsanctie kunnen vragen ingeval dit nodig mocht blijken te zijn.

4.16.

De gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 87,93

  • -

    vast recht 263,00

  • -

    salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.166,93

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de Gemeente om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis de twee goals op het trapveld aan het [plein 1] te [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden;

5.2.

veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.166,93;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2010.