Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM4047

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
01/825299-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging van de ISD-maatregel omdat veroordeelde - buiten zijn schuld en die van de inrichting - niet tijdig kon worden geplaatst op de afdeling waarvoor veroordeelde was geselecteerd en het niet waarschijnlijk is dat de voor veroordeelde geïndiceerde behandeling plaats kan vinden tijdens het resterende deel van zijn ISD-traject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825299-08

Beslissing tussentijdse beoordeling plaatsing inrichting stelselmatige daders

Beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch, openbare raadkamer belast met de behandeling van strafzaken, naar aanleiding van een tussentijdse beoordeling van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (38s Sr.) inzake:

[veroordeelde]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

wonende te 5263 NT Vught, Lunettenlaan 501,

thans verblijvende te: Vught PPC.

Het onderzoek van de zaak.

Bij vonnis van bovengenoemde rechtbank van 29 augustus 2008 is veroordeelde de maatregel opgelegd van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar, met de bepaling dat de officier van justitie binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van genoemd vonnis de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Bij beslissing van 29 juni 2009 heeft de rechtbank bepaald dat de ISD-maatregel dient te worden voortgezet, met de bepaling dat de zaak in november 2009 wederom aan de recht bank wordt voorgelegd teneinde de voortgang van de ISD-maatregel te toetsen. Bij beslissing van 9 december 2009 heeft de rechtbank bepaald dat de ISD-maatregel dient te worden voortgezet, met de bepaling dat de zaak in april 2010 wederom aan de rechtbank wordt voorgelegd teneinde de voortgang van de ISD-maatregel te toetsen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

* het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 29 augustus 2008;

* de beslissing van de rechtbank `s-Hertogenbosch d.d. 29 juni 2009 inhoudende de voortzetting van de ISD-maatregel;

* de beslissing van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 9 december 2009 inhoudende de voortzetting van de ISD-maatregel;

* een evaluatierapportage ISD van [persoon 1] van JI Vught d.d. 27 april 2010.

De rechtbank heeft op 29 april 2010 de officier van justitie, de veroordeelde en diens

raadsman mr. N.A.F. van den Heuvel, alsmede de getuige-deskundige [persoon 1] in openbare raadkamer gehoord.

De beoordeling.

Uit voornoemde evaluatierapportage ISD-maatregel, blijkt onder meer het volgende:

Betrokkene is een geschikte kandidaat gebleken voor opname op de afdeling voor Licht Verstandelijk Gehandicapten van de Ponder (locatie van de Woenselse Poort). Mede vanwege een verbouwing zal een tijdige plaatsing op die afdeling niet meer lukken. Hoewel betrokkene gemotiveerd was een alternatief te zoeken, is hij dat inmiddels niet meer. Over een eventuele opname op een andere afdeling is tot op heden nog geen formele beslissing genomen.

Betrokkene is gestopt met de covaplus-training en met het oplossen van zijn bestaande schulden.

Betrokkene scoort hoog in het RISC scoringsprofiel.

Geadviseerd wordt de maatregel voort te zetten. Inzet van de extramurale fase is een klinisch traject, dagbesteding en een zelfstandigere woonvorm.

De veroordeelde heeft verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

De ISD verloopt heel slecht. Er wordt niets gedaan. Ik zou in het eerste jaar een behandeling krijgen, maar met de voorbereiding daarvan is pas in het tweede jaar begonnen en ik moet op een afdeling wachten die verbouwd wordt. Het geboden alternatief past niet bij mij, dat is een psychiatrische afdeling. De maatregel zit er bijna op. Ik doe nergens meer aan mee, ik wil naar mijn zoontje. Er is niets meer te bereiken. In Helmond zal ik door de gemeente worden opgevangen, ik doel dan op een uitkering, urinecontroles en huisvesting. Het maakt daarvoor niet uit of ik heb meegewerkt aan de ISD.

De cova-training is wat mij betreft niet nodig. Schulden heb ik niet meer.

Als u beslist dat de ISD moet worden voortgezet dan zal ik die maanden kaal uitzitten.

De getuige-deskundige [persoon 1] heeft gepersisteerd bij voornoemd advies en heeft, na daartoe op een vereiste wijze te zijn beëdigd, voorts het navolgende verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

In overleg met De Ponder wordt gekeken of betrokkene op een andere afdeling terecht kan, maar hij is niet tot medewerking bereid. Wij zijn ermee bezig om te bezien of mensen als [veroordeelde], voor wie moeilijk een passende behandelplek gevonden kan worden, naar andere regio's doorgeplaatst kunnen worden, maar dat is een lastige kwestie omdat het beleid van justitie er op gericht is mensen in de eigen regio te houden.

Wij zullen de tijd zo goed mogelijk invullen en ook in overleg treden met de gemeente. Dat gebeurt standaard vier maanden voor het einde van de maatregel. Verder wordt geprobeerd iemand vanuit De Ponder naar Vught te halen ten behoeve van betrokkene.

Op uw vraag of ik kan inschatten of de houding van betrokkene nog wijzigt wanneer de maatregel wordt voortgezet, moet ik zeggen dat ik dat niet kan inschatten.

De gemeente zal tot meer bereid zijn wanneer betrokkene de ISD goed afrondt. Wanneer hij dat niet doet, zal hij behandeld worden als elke andere ex-gedetineerde.

De officier van justitie heeft het navolgende aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

Het is vervelend dat geen plek voor betrokkene is gevonden. De inrichting heeft er voldoende aan gedaan. De covaplus-training is gestart en men was bezig met zijn schulden. Toch stopt hij.

Er is geen contra-indicatie om de maatregel voort te zetten. Het nazorgtraject is van belang en dat kapt betrokkene nu af. Het recidiverisico is hoog. De maatregel is noodzakelijk ter bescherming van de maatschappij en met het oog op de ontwikkeling van betrokkene voor het geval hij nog zal meewerken.

Bij voortzetting wordt het natraject gewaarborgd.

De raadsman heeft het navolgende aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

Mijn cliënt heeft het vertrouwen in de hulpverlening verloren. Er is drugsproblematiek en psychiatrische problematiek, maar nog immer is geen specifieke behandeling gevonden. Ook op korte termijn is daar geen zicht op. Het alternatief, dat overigens ook nog onzeker is, wil cliënt niet. De cova-training wordt niet meer gegeven dus ook dat is een gepasseerd station. De rechtbank moet niet verwachten dat cliënt nog van inzicht wijzigt. Voor hem is ja ja en nee nee. Hij zal de laatste 5 maanden een verkapte gevangenisstraf uitzitten.

Voor de maatschappij is de meerwaarde van voortzetten van de ISD gering. Ik verzoek u de maatregel dan ook stop te zetten.

De gemeente zal weinig doen omdat cliënt een onvoldoende krijgt.

Gelet op de stukken en het verhandelde in de raadkamer, gezien artikel 38s, lid 3, van het Wetboek van Strafrecht, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de voortgang van de maatregel aanmerkelijke vertraging heeft opgelopen in de fase van aanvraag indicatiestelling en intake bij De Ponder. Dit is mede redengevend geweest dat de voortgang van de maatregel nogmaals ter terechtzitting is getoetst.

Inmiddels is er geen plaats op de afdeling die voor betrokkene is geïndiceerd en valt tevens niet te verwachten dat binnen afzienbare termijn deze of een vergelijkbare plaats beschikbaar komt bij De Ponder of een soortgelijke instelling.

Deze vertraging is slechts deels te wijten aan de inrichting; het feit dat in De Ponder thans een verbouwing gaande is kan immers niet aan de inrichting worden tegengeworpen.

Nu de geïndiceerde behandeling naar alle waarschijnlijkheid niet plaats zal vinden binnen het nog resterende deel van het ISD-traject, blijkt betrokkene niet langer gemotiveerd en bereid mee te werken aan zijn behandelplan.

In de concrete omstandigheden van dit geval, te weten de vertraging bij de uitvoering van de maatregel alsmede de persoon(lijkheidsproblematiek) van betrokkene, zal de rechtbank de houding van betrokkene, die in een eerdere fase van de maatregel juist zeer gemotiveerd was, niet aan hem tegenwerpen.

De problematiek van betrokkene zal bij voortzetting van de maatregel als dit slechts vrijheidsbeneming inhoudt niet verbeteren, terwijl de rechtbank het niet waarschijnlijk acht dat betrokkene op korte termijn zal recidiveren. De rechtbank zal de maatregel dan ook voortijdig beëindigen en overweegt hierbij dat dit niet in overwegende mate aan betrokkene is te wijten.

Beëindiging van de maatregel zal eerst met ingang van 20 mei 2010 geschieden, zodat betrokkene gelegenheid heeft een aantal voorzieningen te (laten) treffen aangaande zijn invrijheidsstelling.

De beslissing

Beëindigt de ISD-maatregel met ingang van donderdag 20 mei 2010, 9:00 uur.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. S. van Lokven, voorzitter,

mr. K. Visser en mr. E.M.J. Raeijmaekers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. de Bruijn-van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken ter openbare raadkamer van 12 mei 2010.