Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM4041

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
01/845027-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onbevoegde hulp-officier; bevel tot inverzekeringstelling is in strijd met artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering gegeven door een opsporingsambtenaar die niet daartoe bevoegd was. Ter compensatie van dit verzuim strafvermindering van 20 uur werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845027-09

Datum uitspraak: 12 mei 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

wonende te [woonplaats] [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 februari 2010 en 28 april 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 06 januari 2010.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Drunen, gemeente Heusden, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een GSM en / of een

portefeuille, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 1] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn medeverdachte(n), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld

en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1]

voornoemd, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat verdachte en/of diens mededader(s) die [slachtoffer 1]

meermalen, althans eenmaal, op/tegen diens gezicht heeft/hebben geslagen en/of

gestompt en/of gestoten;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht);

2.

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Drunen, gemeente Heusden, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een

hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan die [slachtoffer 1] voornoemd, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),hebbende hij, verdachte en/of zijn

mededader(s), met voormeld oogmerk die [slachtoffer 1] geslagen en/of (vervolgens)

de woorden toegevoegd: "Ik krijg geld van je, ik zit al een maand in de

stress, ik wil dat je me vrijdag 250 euro geeft en ik wil dat je vrijdag om

tien uur bij de ABN-AMRO bent om te betalen", terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(artikel 317 jo 45 Wetboek van Strafrecht).

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 14 januari 2009 begeeft verdachte zich met twee andere mannen, [medeverdachte] en [medeverdachte 2], naar de woning van [slachtoffer 1] te Drunen, gemeente Heusden1. Verdachte2 heeft op dat moment een geldbedrag te goed van [slachtoffer 1]. Verdachte en de anderen zien dat [slachtoffer 1] aan komt rijden op de fiets. Medeverdachte [medeverdachte] loopt direct op [slachtoffer 1] af en slaat [slachtoffer 1]3. Verdachte voegt zich bij [medeverdachte] en [slachtoffer 1]. [medeverdachte] pakt de mobiele telefoon en portemonnee van [slachtoffer 1] af4. Verdachte zegt vervolgens tegen [slachtoffer 1] dat hij geld van hem tegoed heeft en dat hij dat vrijdag moet betalen.5'6. Verdachte en de andere twee mannen vertrekken daarna met medeneming van de mobiele telefoon en portemonnee van [slachtoffer 1]7. [slachtoffer 1] heeft na deze ontmoeting een kras op zijn linkerwang. Ook is deze wang dan wat dikker dan zijn rechterwang8.

Het standpunt van de officier van justitie.

Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte zelf heeft geslagen. De belangrijkste te beantwoorden vraag is dan of er sprake is van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat kan worden gesproken van medeplegen. Er is sprake van een gezamenlijk doel, de verdachten zijn samen op aangever af gegaan om geld te krijgen. Er is sprake van een gezamenlijke uitvoering. Verdachte bestuurde de auto waarmee men naar aangever is gereden. Wanneer medeverdachte [medeverdachte] aangever slaat, doet verdachte vervolgens ook nog een duit in het zakje. Verdachte verklaart dat hij erbij stond toen medeverdachte [medeverdachte] de mobiele telefoon en de portemonnee van aangever afpakte. Vervolgens vertrekken de verdachten gezamenlijk met medeneming van de spullen van aangever. Onder deze omstandigheden is sprake van medeplegen van feit 1. Feit 1 is wettig en overtuigend te bewijzen.

Feit 2 is moeilijk los te zien van feit 1. Verdachte geeft dit feit min of meer toe. Het slachtoffer was al geslagen en er stonden twee mensen voor zijn neus in een bedreigende situatie. Feit 2 is wettig en overtuigend te bewijzen, met dien verstande dat dit feit is gepleegd in een voortgezette handeling met feit 1.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1. Medeverdachte [medeverdachte] had geen opzet op diefstal van de mobiele telefoon en de portemonnee. Hij heeft deze spullen in bewaring genomen met de bedoeling deze enkele dagen later aan aangever terug te geven. Verdachte was niet aanwezig bij het slaan van aangever door medeverdachte [medeverdachte]. Er is geen sprake van een bewuste en nauwe samenwerking. Er zijn geen voorafgaande afspraken gemaakt tussen verdachte en medeverdachte.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2. Er is geen bewijs voor dubbel opzet bij verdachte. Er was geen bewuste en nauwe samenwerking. Verdachte en medeverdachte zijn samen naar de woning van aangever gereden, maar er waren geen afspraken gemaakt voor het geval dat aangever niet zou betalen. De aangifte wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft alleen een beweging langs het haar van aangever gezien. De politie heeft maar één kras op de wang van aangever waargenomen. Verdachte heeft eerst zijn auto afgesloten. Dan is het mogelijk dat [medeverdachte 2] eerder bij aangever is geweest dan verdachte. Verdachte heeft niet gezien dat aangever is geslagen en daarom wist hij ook niet dat aangever zijn spullen niet vrijwillig heeft afgegeven.

Het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling ontbreekt. Aangever had immers een schuld bij verdachte. Verdachte heeft wel de woorden geuit die in de tenlastelegging zijn opgenomen, maar dit kan niet worden aangemerkt als geweld. Hij was boos omdat hij zo lang op zijn geld moest wachten en heeft aangever alleen maar gesommeerd om te betalen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank constateert ambtshalve dat verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor op 15 januari 2009 niet is gewezen op zijn recht om voor het afleggen van zijn verklaring een raadsman te raadplegen. Dit is in strijd met artikel 6 van het EVRM en levert op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het betreft hier een belangrijk strafvorderlijk voorschrift. In de regel zal dit vormverzuim dienen te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen die zijn afgelegd voordat de verdachte een raadsman kon raadplegen. Verdachte heeft, na consultatie van zijn raadsvrouwe, op 17 januari 2009 desgevraagd verklaard dat hij bij zijn eerder afgelegde verklaring blijft. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit ertoe dat de inhoud van de verklaring van 15 januari 2009 als herhaald kan worden ingelezen in de verklaring van 17 januari 2009 en hierdoor kan bijdragen aan het bewijs.

Feit 1.

Op grond van hetgeen is weergegeven onder het kopje vaststaande feiten staat vast dat medeverdachte [medeverdachte] op 14 januari 2009 de mobiele telefoon (gsm) en portemonnee van [slachtoffer 1] heeft afgepakt, nadat [medeverdachte] deze [slachtoffer 1] tegen zijn gezicht heeft geslagen. De verdediging heeft betoogd dat er geen sprake is van diefstal omdat [medeverdachte] deze spullen slechts in bewaring zou hebben genomen. De rechtbank verwerpt dit verweer. [medeverdachte] had geen enkel recht om deze spullen onder zich te nemen9. De wederrechtelijke toe-eigening en daarmee de diefstal was voltooid op het moment dat [medeverdachte] de spullen aan de heerschappij van de rechthebbende, aangever, had onttrokken en hij naar eigen goeddunken over deze spullen beschikte.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte het medeplegen van deze diefstal met geweld kan worden verweten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte is samen met [medeverdachte] naar aangever toegegaan omdat aangever hem (en volgens [medeverdachte] ook [medeverdachte]) al langere tijd geld schuldig was. Het was de bedoeling om ervoor te zorgen dat aangever zou betalen. Verdachte vroeg [medeverdachte 2] met hem mee te gaan en bestuurde de auto10. Toen aangever in beeld verscheen, ging [medeverdachte] op hem af en sloeg hem. Verdachte en [medeverdachte 2] zijn ook uitgestapt en naar [slachtoffer 1] toegelopen.

Door de verdediging is betoogd dat verdachte niet heeft gezien dat [medeverdachte] aangever heeft geslagen. De rechtbank acht dit onwaarschijnlijk. Aangever heeft verklaard dat verdachte erbij stond toen hij werd geslagen en dat verdachte stond te lachen11. Verdachte heeft verklaard dat hij tegelijk met [medeverdachte 2] naar aangever toe is gelopen12. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [medeverdachte] een slaande beweging naar aangever zag maken en dat hij zag dat aangever bang was13. Verdachte verklaart bovendien dat hij erbij stond toen [medeverdachte] de spullen van aangever afpakte14. Aangever had een kras op zijn wang, dit moet ook voor verdachte zichtbaar zijn geweest. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij na inspectie van de portemonnee tegen aangever heeft gezegd dat hij de portemonnee met pinpas tot vrijdag bij zich zou houden15. Op vrijdag zou aangever immers weer over geld beschikken en het geld kunnen pinnen dat hij verschuldigd was. Ook aangever heeft verklaard dat het de bedoeling was dat hij vrijdag zou pinnen16. De diefstal van de spullen van aangever had dus tot doel ervoor te zorgen dat aangever zou betalen. Verdachte onderstreept deze bedoeling vervolgens met de opmerkingen zoals opgenomen onder feit 2. Tenslotte vertrekken verdachte en de medeverdachten gezamenlijk met medeneming van de portemonnee en mobiele telefoon van aangever in de auto van verdachte17.

Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bewuste en nauwe samenwerking. De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2.

Aansluitend op de diefstal die onder feit 1 is tenlastegelegd wordt aangever door verdachte gesommeerd om op de eerstvolgende vrijdag bij de ABN-AMRO bank te Drunen te verschijnen teneinde verdachte terug te betalen. Verdachte doet dit op een dwingende manier, terwijl aangever zojuist door medeverdachte [medeverdachte] was geslagen en van zijn spullen beroofd. Onder deze omstandigheden gebruikt verdachte het eerder uitgeoefende geweld om zijn woorden kracht bij te zetten en aldus te bewerkstellingen dat aangever op het door hem genoemde tijdstip daadwerkelijk zou betalen. Opmerkelijk is bovendien dat verdachte van aangever heeft geëist aan hem 200 of 250 euro te betalen, terwijl aangever hem slechts 30 à 40 euro schuldig was18. De rechtbank constateert dat de verklaring van aangever accuraat is gebleken en sluit voor wat betreft de door verdachte gebruikte woorden aan bij de verklaring van aangever19.

De rechtbank is van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank is daarbij van oordeel dat er sprake is van twee op zichzelf staande feiten, volgend uit twee afzonderlijke wilsbesluiten. Zij geeft om die reden geen toepassing aan artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang gezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 14 januari 2009 te Drunen, gemeente Heusden, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een GSM en een

portefeuille toebehorende aan [slachtoffer 1] welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer 1] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat de mededader van verdachte die [slachtoffer 1] tegen diens gezicht heeft geslagen;

2.

op 14 januari 2009 te Drunen, gemeente Heusden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich

en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld toebehorende aan die [slachtoffer 1] voornoemd, hebbende hij, verdachte en zijn mededader met voormeld oogmerk die [slachtoffer 1] geslagen en vervolgens de woorden toegevoegd: "Ik krijg geld van je, ik zit al een maand in de stress, ik wil dat je me vrijdag 250 euro geeft en ik wil dat je vrijdag om tien uur bij de ABN-AMRO bent om te betalen", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 als subsidiair verweer gevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging omdat de in de bewezenverklaring opgenomen uitlatingen niet zijn aan te merken als bedreigend. De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft op een dwingende manier aangever voorgeschreven wanneer en waar hij zijn geld terug wilde hebben, terwijl aangever zojuist was geslagen en van zijn spullen beroofd. Onder deze omstandigheden gebruikt verdachte het eerder uitgeoefende geweld om zijn woorden kracht bij te zetten en aldus te bewerkstellingen dat aangever op het door hem genoemde tijdstip daadwerkelijk zou betalen. De rechtbank verwerpt het verweer.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 45, 57, 63, 310, 312, 317.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Voor beide feiten een werkstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Het feit dat verdachte door een onbevoegde hulpofficier van justitie in verzekering is gesteld dient geen gevolgen te hebben voor de op te leggen straf, aangezien elke bevoegde hulpofficier van justitie bij constatering van deze feiten en omstandigheden de inverzekeringstelling zou hebben bevolen

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op de bepleite vrijspraak voor feit 1 en feit 2 dient geen straf te worden opgelegd.

Subsidiair dient gelet op het bepleite ontslag van rechtsvervolging voor feit 2 geen straf te worden opgelegd.

Meer subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank om rekening te houden met de beperkte rol van verdachte, het feit dat verdachte geen geweld heeft gebruikt en geen geweldsfeiten op zijn strafblad heeft. Het feit dat verdachte in verzekering is gesteld door een onbevoegde hulpofficier van justitie dient strafverminderend te werken. Inverzekeringstelling is een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dat de wet niet voor niets eist dat dit door een hulpofficier van justitie dient te gebeuren.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft door middel geweld en bedreiging geprobeerd zijn vordering op het slachtoffer te innen. Deze vorm van eigenrichting acht de rechtbank volstrekt onaanvaardbaar.

Omdat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk delict en er sprake is van beperkt geweld zal de rechtbank volstaan met het opleggen van een taakstraf.

Met betrekking tot de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Onbevoegde hulp-officier

De rechtbank stelt vast dat het bevel tot inverzekeringstelling van verdachte in strijd met artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering is gegeven door een opsporingsambtenaar die daartoe niet bevoegd was. Dit verzuim kan niet meer worden hersteld. Nu de rechtsgevolgen van dit verzuim niet uit de wet blijken, dient de rechtbank met toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering te bepalen welke gevolgen zij aan het geconstateerde verzuim verbindt. Vrijheidsbeneming behoort tot de meest verstrekkende dwangmiddelen binnen de strafrechtspleging. Het in de wet opgenomen vereiste van betrokkenheid van ten minste een hulpofficier van justitie bij de inverzekeringstelling moet als een belangrijke waarborg worden beschouwd. Schending van dit voorschrift wordt door de rechtbank dan ook gezien als een zodanig ernstig vormverzuim dat niet kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. De rechtbank weegt bij het bepalen van een passende compensatie naast het belang dat het geschonden voorschrift dient en de ernst van het verzuim mee, het nadeel dat door het verzuim is veroorzaakt. Er zijn geen aanwijzingen dat de inverzekeringstelling van verdachte niet zou zijn bevolen indien de beslissing was gegeven door een bevoegde hulpofficier van justitie. Evenmin zijn er door de verdediging omstandigheden naar voren gebracht die erop wijzen dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden. De concrete gevolgen van de onbevoegdheid van de hulpofficier van justitie voor verdachte zijn beperkt. De rechtbank acht het passend ter compensatie van het verzuim de op te leggen werkstraf met 20 uren te verminderen.

DE UITSPRAAK

Verklaart het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit

wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 2:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer

verenigde personen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

Werkstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis met aftrek

overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te

verrichten arbeid.

Gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 16 januari 2010 reeds

geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.O. de Vries, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. J.G. Vos, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.W.A. Kap-Knippels, griffier,

en is uitgesproken op 12 mei 2010.

mr. De Vries is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Eindproces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord, district Den Bosch, PL-code PL2116, OPS-dossiernummer 2009005406, afgesloten d.d. 14 april 2009, aantal doorgenummerde pagina's: 114 (verder te noemen: Eindpv.): pag. 93-94 verklaring van verdachte en pag. 86-87 verklaring van [medeverdachte].

2 Eindpv. pag. 94 verklaring van verdachte en pag. 30 aangifte van [slachtoffer 1].

3 Eindpv. pag. 29 aangifte van [slachtoffer 1] en pag. 88 verklaring van [medeverdachte].

4 Eindpv. pag. 41 verklaring van [slachtoffer 1] en pag. 88 verklaring van [medeverdachte].

5 Eindpv. pag. 29 aangifte van [slachtoffer 1] en pag. 94 verklaring van verdachte.

6 Eindpv. pag. 95 verklaring van verdachte.

7 Eindpv. pag. 29-30 en 33 aangifte [slachtoffer 1].

8 Eindpv. pag. 36 aanvullend proces-verbaal van [persoon 1] en [persoon 2]

9 Eindpv. pag. 30 aangifte van [slachtoffer 1].

10 Eindpv. pag. 94 verklaring van verdachte.

11 Eindpv. pag. 29 en 41 aangifte/verklaring van [slachtoffer 1].

12 Eindpv. pag. 94 verklaring van verdachte.

13 Eindpv. pag. 99 verklaring van [medeverdachte 1]

14 Eindpv. pag. 95 verklaring van verdachte.

15 Eindpv. pag. 88 verklaring van [medeverdachte]

16 Eindpv. pag. 42 verklaring van [slachtoffer 1].

17 Eindpv. pag. 94 verklaring van verdachte.

18 Eindpv. pag. 95 verklaring van verdachte.

19 Eindpv. pag. 29 aangifte van [slachtoffer 1].