Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM4024

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
01/825672-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(Hoofd)rol verdachte bij overval op juwelier, waarbij slachtoffer ernstig letsel oploopt door geweld van een van de feitelijke daders van de overval. Verdachte is niet een van de feitelijke uitvoerders.

Zes jaar gevangenisstraf met aftrek voorarrest.

Bewijs van wetenschap bij verdachte met betrekking tot de aanwezigheid van een of meer messen bij de feitelijke uitvoering van de overval. Voorwaardelijk opzet bij verdachte ten aanzien van steken van slachtoffers door feitelijke daders. Door (rechtmatige) reactie van slachtoffers verloopt de overval anders dan vooraf afgesproken tussen verdachte en (o.a.) de feitelijke daders van de overval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825672-09

Datum uitspraak: 11 mei 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

thans gedetineerd te [Huis van Bewaring]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 april 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 maart 2010.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 27 april 2010 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 november 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een horloge en/of een of meerdere ring(en) en/of

een rol met ketting(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1 (bedrijf)] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader(s)

die [slachtoffer 3] bij de nek hebben vastgepakt/vastgehouden en/of

een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht en/of

gericht heeft/hebben gehouden op (het hoofd van) die [slachtoffer 3] en/of

(daarbij/vervolgens) die [slachtoffer 3] heeft/hebben geduwd en/of geslagen en/of

gestompt en/of de woorden toegevoegd dat "hij zou schieten als die [slachtoffer 3]

niet rustig zou blijven", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking en/of

die [slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of die [slachtoffer 2] met voornoemd

vuurwapen heeft/hebben geslagen en/of

die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, met een of meer messen,

althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), (in zijn lichaam)

heeft/hebben gestoken en/of

(daarbij/vervolgens) de keel van die [slachtoffer 2] heeft/hebben dichtgeknepen en/of

dichtgehouden;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], althans een

of meer andere personen op of omstreeks 18 november 2009 te Eindhoven, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge en/of een of

meerdere ring(en) en/of een rol met ketting(en), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1 (bedrijf)] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], althans een of meer

andere personen en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal

werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging

met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat voornoemde personen

die [slachtoffer 3] bij de nek hebben vastgepakt/vastgehouden en/of

een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht en/of

gericht heeft/hebben gehouden op (het hoofd van) die [slachtoffer 3] en/of

(daarbij/vervolgens) die [slachtoffer 3] heeft/hebben geduwd en/of geslagen en/of

gestompt en/of de woorden toegevoegd dat "hij zou schieten als die [slachtoffer 3]

niet rustig zou blijven", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking en/of

die [slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of die [slachtoffer 2] met voornoemd

vuurwapen heeft/hebben geslagen en/of

die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, met een of meer messen,

althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), (in zijn lichaam)

heeft/hebben gestoken en/of

(daarbij/vervolgens) de keel van die [slachtoffer 2] heeft/hebben dichtgeknepen en/of

dichtgehouden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks

18 november 2009 te Eindhoven en/of elders in Nederland opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft te weten een of meer

vuurwapens, althans (een) op een vuurwapen gelijkend(e) voorwerp(en) en/of een

of meer personen heeft geïnstrueerd, te weten [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4]

en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door zich op te houden in de nabijheid van

de plaats van het misdrijf teneinde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], althans een of meer andere personen bij gevaar en/of

onraad te waarschuwen en/of op de uitkijk te staan en/of ervoor te zorgen dat het zicht op de overval/juwelier aan (een) andere perso(o)n(en) werd ontnomen en/of tie-rips en/of tape en/of een telefoon ter beschikking gesteld;

(artikel 312 jo 48 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Uit de aangiften van mevr. [slachtoffer 3] (p. 476 e.v.) en [slachtoffer 2] (p. 506 e.v.) volgt dat op 18 november 2009 te Eindhoven een overval is gepleegd door vier personen op de juwelierszaak waarin zij beiden werkzaam zijn. Zij zijn bij de uitvoering van de overval bedreigd door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en messen. Drie van de daders hadden hun gezicht gemaskerd, een vierde dader was eerder in de zaak gekomen en deed zich voor als klant. De slachtoffers wilden hun sieraden en geld niet afgeven en hebben zich verzet. Tegen beide slachtoffers is fysiek geweld gebruikt. [slachtoffer 3] is vastgepakt, tegen de grond geduwd, geslagen, er is een pistool tegen haar hoofd geduwd en zij is over de grond gesleurd naar ander deel juwelierszaak. [slachtoffer 2] is ruim tien maal gestoken met een mes door een of twee van de aanwezige daders. Ook is daarbij of kort daarna zijn keel dichtgeknepen. (p. 507) Verder is tegen [slachtoffer 3] gezegd dat er zou worden geschoten als zij zich niet rustig zou houden (p. 479)

[slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] geven aan dat er ringen en kettingen zijn meegenomen door de daders (p. 489, p. 509).

Het letsel van [slachtoffer 2] wordt door chirurg (chirurg) omschreven op p 511 van het proces-verbaal. Zakelijk weergegeven betreft het: zwelling en roodheid rechts naast de luchtpijp, wurgtekenen hals, wond buik, wond rechter heup, wond links op rug, bovenbeen, onderbeen, linker elleboog en heup.

De officier van justitie acht het primaire feit wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij de overval heeft gepland en voorbereid. Ook heeft hij toegegeven dat hij bij de feitelijke uitwerking aanvankelijk mee de juwelierszaak binnen zou gaan, maar dat later zijn plaats is ingenomen door [medeverdachte 4]. Verder volgt uit zijn verklaring ter zitting dat verdachte wist dat deze medeverdachte eerder was veroordeeld voor overvallen. Hij is op de dag van de overval meegegaan met de feitelijke uitvoerders van de overval. Hij heeft in de nabijheid van de juwelierszaak een vluchtauto met chauffeur klaargezet en is tijdens de overval met twee andere personen langs de juwelierszaak gelopen.

Tenslotte heeft verdachte ter zitting bekend dat hij een groot deel van de buit heeft verkocht en de opbrengst heeft verdeeld onder de medeverdachten (verklaring verdachte ter zitting, pv p. 803).

Verdachte betwist ter zitting dat hij wist dat er een of meer messen meegenomen zijn door de feitelijke uitvoerders van de overval.

Eerder heeft hij in zijn verklaringen tegenover de politie echter verklaard dat [medeverdachte 4] alle wapens (meervoud, dus) had geregeld (p. 756). Op pag. 793 van hetzelfde proces-verbaal verklaart hij "[medeverdachte 2] had een pistool, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] allebei een mes". Ook uit de verklaringen van medeverdachten blijkt dat er een of meer messen zijn meegenomen.

Dat er (tenminste) een mes zou worden meegenomen is ook logisch vanuit het plan voor de uitvoering van de overval: [medeverdachte 3] zou door een van feitelijke uitvoerders van de overval zogenaamd gegijzeld worden om de juwelier en zijn vrouw te bewegen om geld en de sieraden af te geven. Dat plan is ook daadwerkelijk uitgevoerd. Dit blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 3]. Hij verklaart op pag. 919 dat de anderen zouden doen alsof ze hem ook vastbonden en hem vervolgens zouden meenemen als gijzelaar in de auto. Het plan was dat hij het vuurwapen tegen het hoofd gezet zou krijgen of een mes op zijn keel. [medeverdachte 3] heeft verder verklaard dat hij wist dat er een mes mee zou gaan. In een latere verklaring (p. 941) geeft hij aan dat [medeverdachte 4] de juwelierszaak binnenkwam en een mes op zijn keel zette.

Ook [medeverdachte 2] (p. 874) en [medeverdachte 6] (p. 670) hebben over dit aspect van het plan voor de overval gesproken . Ook verdachte zelf heeft ter zitting toegegeven dat de "nep-gijzeling"deel van zijn plan voor de overval was.

Door de verdediging is gesteld dat verdachte geen verwijt kan worden gemaakt van het extreme geweldgebruik door de feitelijke uitvoerders van de overval, met name niet het met een mes steken van de juwelier door een van de feitelijke uitvoerders van de overval.

De rechtbank verwerpt dit verweer. In de planvorming was er wellicht door verdachte (en zijn mededaders) van uitgegaan dat de beide slachtoffers zich niet zouden verzetten tegen de dreiging met (vuur)wapengeweld door de uitvoerders. De vraag is echter of het aan verdachte kan worden toegerekend dat de overval anders is verlopen dan (kennelijk) gepland. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het was bij verdachte bekend dat er (tenminste) een mes meegnomen zou worden bij de feitelijke uitvoering van de overval. Dit mes was bovendien in handen van iemand van wie verdachte wist dat hij eerder was veroordeeld voor overvallen en "alles zou durven". Dit mes zou gebruikt moeten worden bij het onderdeel van het plan waarbij [medeverdachte 3] als "nep-gijzelaar"zou dienen om de eigenaren van de juwelierszaak te dwingen om mee te werken aan de afgifte van sieraden en goud.

Uit de verklaringen van de beide slachtoffers blijkt dat zij zich niet wensten neer te leggen bij de beroving en zich rechtmatig hebben verweerd. In reactie daarop is door de uitvoerders van de overval tegen beide slachtoffers gereageerd met (zeer) fors fysiek geweld (zie de hiervoor geciteerde aangiften), met als triest hoogtepunt een groot aantal steekverwondingen bij het slachtoffer [slachtoffer 2].

De geschetste reactie van de slachtoffers is niet alleen rechtmatig maar ook reëel voorstelbaar.

Een mes is naar zijn aard geschikt tot het toebrengen van genoemd letsel, met name indien het -zoals in deze zaak- daartoe gericht wordt gebruikt. Ook verdachte wist dit als normaal denkend mens. Verdachte heeft om die reden welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de overval op deze wijze zou aflopen en dat daarbij met een (van de) mes(sen) ernstig letsel zou worden toegebracht aan een van de slachtoffers.

Verdachte heeft het plan voor de overval bedacht, de andere verdachten benaderd en ieder zijn rol medegedeeld. Hij heeft met ieder individueel, maar daarnaast ook gezamenlijk het plan voor de overval doorgesproken. Hij is op de dag van de overval tegelijk met anderen (onder wie de vier de feitelijke uitvoerders en de chauffeur van de vluchtauto) naar de omgeving van de juwelierszaak gegaan en heeft zicht gehouden op de feitelijke uitvoering van de overval. Voorafgaand en na de overval heeft hij instructies gegeven om herkenning en/of opsporingsactiviteiten van de politie zoveel mogelijk te verhinderen (o.a. tijdens de overval handschoenen dragen en na de overval SIM-kaarten vernietigen, kleding van de uitvoerders van de overval inzamelen en wegmaken). Tenslotte heeft hij iedereen na de overval naar zijn verblijfsplaats laten komen, heeft daar de buit ingezameld, heeft zelf de buit verkocht en heeft de buit naar zijn inzicht verdeeld. Uit deze feiten en omstandigheden blijkt een zodanig nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en (o.a.) de feitelijke uitvoerders dat ook verdachte aangemerkt moet worden als medepleger.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 18 november 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ringen en kettingen, toebehorende aan [slachtoffer 1 (bedrijf)] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededaders die [slachtoffer 3] bij de nek hebben vastgepakt/vastgehouden en een vuurwapen gericht en gericht heeft gehouden op (het hoofd van) die [slachtoffer 3] en (daarbij/vervolgens) die [slachtoffer 3] heeft/hebben geduwd en geslagen en gestompt en de woorden toegevoegd dat "hij zou schieten als die [slachtoffer 3] niet rustig zou blijven", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en die [slachtoffer 2] een vuurwapen heeft/hebben getoond en voorgehouden en die [slachtoffer 2] met voornoemd vuurwapen heeft geslagen en die [slachtoffer 2] meermalen met een of meer messen in zijn lichaam heeft/hebben gestoken en (daarbij/vervolgens) de keel van die [slachtoffer 2] heeft/hebben dichtgeknepen en/of dichtgehouden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 47, 63, 310, 312.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier vordert oplegging van een gevangenisstraf van 7 jaar onvoorwaardelijk met aftrek van de periode dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman is van mening dat de strafeis, gelet op eerdere uitspraken in vergelijkbare zaken, buitenproportioneel hoog is. Hij verzoekt de rechtbank daarmee rekening te houden. Voorts wijst hij de rechtbank er op dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht in deze zaak van toepassing is. Tot slot verzoekt de raadsman de persoonlijke omstandigheden van zijn cliënt te betrekken in de op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de uitvoering van deze overval is door de feitelijke uitvoerders zwaar geweld gebruikt tegen de slachtoffers. Slachtoffers die uitsluitend hun eigendom wilden beschermen. Daarbij is door een van de daders zelfs zodanig grof geweld gebruikt dat een van de slachtoffers zwaar gewond is overgebracht naar het ziekenhuis. Bijna zes maanden na de overval is dit slachtoffer nog steeds arbeidsongeschikt en is het onduidelijk of beide slachtoffers de juwelierszaak voort zullen kunnen zetten.

Verdachte heeft de overval planmatig voorbereid en heeft anderen gezocht en gevonden om dit plan met hem uit te voeren. Ten nadele van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij ook een minder begaafde minderjarige in zijn plannen heeft betrokken en die minderjarige bovendien de overval mee uit heeft laten voeren. Strafverzwarend is bovendien dat hij een persoon heeft mee laten doen van wie hij verdachte wist dat hij reeds eerder was veroordeeld voor overvallen en bij de uitvoering van de overval nergens voor terug zou deinzen.

Een feit als thans bewezen is verklaard laat niet alleen zeer diepe sporen na bij de directe slachtoffers en hun sociale omgeving, maar roept ook diepe gevoelens van onveiligheid op bij andere winkeliers en andere personen die op de hoogte raken van dit of een soortgelijk ernstig delict. Daarnaast dient van de hoogte van de straf een afdoende niveau van afschrikking uit te gaan op andere personen die overwegen een soortgelijk feit te gaan plegen.

Gelet op het voorafgaande kan niet anders worden gereageerd dan met een zeer forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

De vorderingen van de benadeelde partij zullen gedeeltelijk worden toegewezen op de wijze als hierna te melden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

De vorderingen van de benadeelde partij zullen gedeeltelijk worden toegewezen op de wijze als hierna te melden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1 (bedrijf)].

De vorderingen van de benadeelde partij zullen worden toegewezen op de wijze als hierna te melden.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

primair

medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging

met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en gemakkelijk te maken.

De rechtbank:

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf en maatregelen:

t.a.v. primair:

gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;

t.a.v. primair:

maatregel van schadevergoeding van EUR 5.330,-- subsidiair 61 dagen hechtenis;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 5.330,-- (zegge: vijfduizend driehonderd dertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 5.000,-- immateriële schade en EUR 330,-- materiële schade. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

t.a.v. primair:

maatregel van schadevergoeding van EUR 2.635,-- subsidiair 36 dagen hechtenis;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 2.635,-- (zegge: tweeduizend zeshonderd vijfendertig euro), te weten EUR 2.500,-- aan immateriële schade en EUR 135,-- aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 dagen hechtenis. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

t.a.v. primair:

maatregel van schadevergoeding van EUR 1892,38 subsidiair 28 dagen hechtenis;

legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van de vennootschap onder firma [slachtoffer 1 (bedrijf)], van een bedrag van EUR 1.892,38 (zegge: duizend achthonderd tweeënnegentig euro en achtendertig eurocent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 dagen hechtenis. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank:

wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 5.330,-- (zegge: vijfduizend driehonderd dertig euro), te weten EUR 5.000,-- immateriële schade en EUR 330,-- materiële schade, het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten;

bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) heeft/hebben voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 3)

De rechtbank:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 2.635,-- (zegge: tweeduizend zeshonderd vijfendertig euro), te weten EUR 2.500,-- aan immateriële schade en EUR 135,-- aan materiële schade, het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten;

bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) heeft/hebben voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1 (bedrijf)]

De rechtbank:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1 (bedrijf)] van een bedrag van EUR 1.892,38 (zegge: duizend achthonderd tweeennegentig euro en achtendertig eurocent) aan materiële schade, het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr.drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. H.H.E. Boomgaart, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Bossink, griffier,

en is uitgesproken op 11 mei 2010.

Mr. E.C.P.M. Valckx is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.