Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM1632

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
654733
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tussen Tele2Nederland BV en consument terzake een Goldpakket voor 20 MB internet en TV via internet. Hierop is van toepassing het (consumenten)recht voor een koop op afstand ingevolge de artikelen 7:46a e.v. BW. Artikel 7:46i betreft het verrichten van diensten. Hierin wordt door middel van verwijzing naar oa lid c van dat artikel bepaald dat in casu Tele2 een informatieplicht heeft terzake de kenmerken van de zaak en de al dan niet aanwezige mogelijkheid van ontbinding van de overeenkomst. Deze specifieke informatie dient na het sluiten van de overeenkomst schriftelijk aan de klant te worden verstrekt op een duidelijke en begrijpelijke wijze. Ontbreekt deze informatie dan komt de klant het recht op ontbinding van de overeenkomst toe gedurende de termijn als in artikel 7:46d lid 1 BW bedoeld.

Consument stelt dat hij bij het sluiten van de overeenkomst telefonisch uitdrukkelijk heeft aangegeven 2 decoders te wensen. Tele2 betwist dit. De kantonrechter overweegt dat Tele2 niet aan voornoemde informatieplicht heeft voldaan, zij heeft bewust in het geheel geen schriftelijke informatie verstrekt. Hierdoor is de consument de kans ontnomen om te verifieren of de telefonisch gemaakte afspraken door Tele2 juist zijn opgenomen in de overeenkomst. Indien dit wel het geval zou zijn geweest had de consument kunnen constateren dat de overeenkomst zoals door Tele2 genoteerd afweek van de telefonisch gemaakte afspraken, althans van de bedoelingen van de consument, en had deze aan de hand van deze informatie kunnen beslissen of hij al dan niet de overeenkomst had geaccepteerd. Consument heeft nu evenmin gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om de overeenkomst gedurend zeven dagen na ontvangst zonder opgave van redenen te ontbinden. Consument heeft ter comparitie gesteld dat hij indien hij was geinformeerd dat een tweede decoder niet mogelijk was, hij gebruik van zijn bevoegdheid tot ontbinding zou hebben gemaakt.

Nu Tele2 door haar stelselmatig gedrag de doelstellingen van artikelen 7:46a ev BW volledig ontwijkt kan zij, gezien de beschermingsratio van genoemde bepalingen als te interpreteren in het licht van Richtlijn 97/71/EG en gezien HvJ 17 december 2009 inzake Martin Martin (LJN BK7889, C-227/08) r.o. 35, zich naar eisen van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden niet beroepen op het verstrijken van de drie maanden termijn van artikel 7:46d lid 1 BW. Aan de consument moet derhalve alsnog de mogelijkheid van ontbinding worden toegekend en zijn mededeling ter comparitie moet als zodanig worden geduid.

Nu de consument omweersproken heeft gesteld géén televisiesignaal of internetverbinding van Tele2 te hebben gebruikt en Tele2 voorts heeft erkend dat de consument géén telefoongesprekken ten koste van Tele2 heeft gevoerd, staat artikel 7:46d lid 2 BW niet aan ontbinding in de weg.

Overeenkomst dient als ontbonden te worden beschouwd. Consument is niets aan Tele2 verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie Eindhoven

Zaaknummer : 654733

Rolnummer : 09-11180

Uitspraak : 4 maart 2010

In de zaak van:

de besloten vennootschap Tele2 Nederland BV, voorheen handelend onder de naam Versatel Nederland BV,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: GGN Brabant, gerechtsdeurwaarders te Tilburg,

t e g e n :

[de heer L],

wonende te Eindhoven,

gedaagde,

procederend in persoon,

heeft de kantonrechter het navolgende vonnis gewezen.

1. De procedure

1.1. De kantonrechter heeft acht geslagen op de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 7 oktober 2009;

- de conclusie van antwoord van 29 oktober 2009, met vier producties, waaronder een geluidsopname op CD;

- de brief van 4 januari 2010 zijdens eiseres met vijf producties, ten behoeve van de comparitie als op voorhand toegezonden aan de kantonrechter en gedaagde;

- de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt van de comparitie van partijen gehouden op 6 januari 2010. Namens eiseres is verschenen, mr. [P], werkzaam bij gemachtigde voornoemd. Namens gedaagde zijn verschenen, [de heer L], gedaagde, diens echtgenote, en, [de heer R], informant.

1.2. De uitspraak is bepaald op heden.

1.3. Partijen zullen hierna "[eiseres]" en "[gedaagde]" worden genoemd.

2. Het geschil

2.1. [eiseres] vordert van [gedaagde] betaling van een bedrag van € 1.862,18, ter zake hoofdsom, rente en buitengerechtelijke incassokosten. Voorts vordert [eiseres] betaling van proceskosten. Aan haar vordering legt [eiseres] ten grondslag dat zij met [gedaagde] een overeenkomst tot dienstverlening heeft gesloten. Uit hoofde van deze overeenkomst is [gedaagde] een bedrag van € 1.560,56 verschuldigd aan [eiseres]. Ook na aanmaning weigert [gedaagde] dit bedrag te betalen.

2.2. [gedaagde] erkent dat hij de overeenkomst met [eiseres] heeft gesloten, echter heeft [eiseres] niet datgene geleverd waarop [gedaagde] recht heeft. Behalve dat [eiseres] slechts één in plaats van twee tuners heeft geleverd, is het tevens onmogelijk vanuit de woning van [gedaagde] de aangeboden dienst te ontvangen. [gedaagde] heeft contact opgenomen met de klantenservice van [eiseres] en ook de klantenservice bevestigde [gedaagde] dat ontvangst van de dienst niet mogelijk was. [eiseres] heeft [gedaagde] aangeboden het contract af te kopen, maar [gedaagde] wil óf de overeengekomen dienst ontvangen óf ontbinding van de overeenkomst.

2.3. Vervolgens een comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen hebben ter comparitie bij hun respectieve standpunten volhard. Op de argumenten zowel in de processtukken als ter comparitie nader aangevoerd komt de kantonrechter, voor zover voor de beoordeling van belang, hieronder terug.

3. De beoordeling

3.1. Naar het oordeel van de kantonrechter is komen vast te staan dat [gedaagde] op 23 januari 2009 met [eiseres] telefonisch een overeenkomst heeft gesloten ter zake een Goldpakket voor 20 MB internet en TV via internet. Van de telefonische overeenkomst is [gedaagde] geen schriftelijke overeenkomst toegezonden, dat is - aldus [eiseres] - geen beleid bij haar. Tussen partijen is vóór of bij het sluiten van de overeenkomst geen enkel persoonlijk contact geweest, anders dan per telefoon.

3.2. Op de overeenkomst is het (consumenten)recht van toepassing voor een koop op afstand ingevolge de artikelen 7:46a e.v. Burgerlijk Wetboek (BW) ter uitvoering van Europese richtlijn 97/7/EG respectievelijk richtlijn 2002/65/EG. Artikel 7:46i BW betreft het verrichten van diensten. Hierin wordt - kort gezegd door middel va verwijzig naar onder meer artikel 7:46c BW - bepaald dat, in casu, [eiseres] een informatieplicht heeft ten aanzien van haar klant ter zake, voor de onderhavige zaak van belang zijnde, de kenmerken van de zaak en de al dan niet aanwezige mogelijkheid van ontbinding van de overeenkomst (art. 7:46c lid 1 sub b en f). Deze specifieke informatie dient na het sluiten van de overeenkomst schriftelijk aan de klant te worden verstrekt op een duidelijke en begrijpelijke wijze. Indien deze informatie ontbreekt komt de klant het recht op ontbinding van de overeenkomst toe gedurende de termijn als in artikel 7:46d lid 1 BW bedoeld. Artikel 7:46j bepaalt ten slotte dat van deze bepalingen niet ten nadele van de klant mag worden afgeweken.

3.3. [gedaagde] heeft ter comparitie toegelicht dat hij bij het sluiten van de overeenkomst uitdrukkelijk navraag heeft gedaan naar het plaatsen van een tweede decoder. Dit in verband met een extra televisie aansluiting voor zijn zoon. De zoon van [gedaagde] is rolstoelafhankelijk en wil op zijn eigen kamer op televisie naar voetbal kijken. Zonder een tweede televisie aansluiting voor zijn zoon heeft het abonnement voor [gedaagde] geen enkele zin, aldus [gedaagde].

3.4. [eiseres] betwist dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst uitdrukkelijk heeft aangegeven twee decoders te wensen. Zij is altijd uitgegaan van één decoder. [eiseres] erkent ter comparitie dat ontvangst via een tweede decoder technisch gezien niet mogelijk is.

3.5. De kantonrechter overweegt dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar informatieplicht ingevolge artikel 7:46c BW, [eiseres] heeft zelfs bewust in het geheel géén schriftelijke informatie verstrekt. Vanwege dit verzuim heeft [eiseres] [gedaagde] de kans ontnomen aan de hand van een schriftelijke vastlegging te verifiëren of de telefonisch gemaakte afspraken door [eiseres] juist zijn opgenomen in de overeenkomst. Alsdan had [gedaagde] kunnen constateren dat de overeenkomst zoals [eiseres] die had genoteerd afweek van de telefonisch gemaakte afspraken, althans bedoelingen van [gedaagde] en had hij aan de hand van de (nieuwe) informatie kunnen beslissen of hij al dan niet de overeenkomst had geaccepteerd. Immers [gedaagde] heeft nu evenmin gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid de overeenkomst gedurende zeven dagen na de ontvangst ervan zonder opgave van redenen te ontbinden. Ter comparitie heeft [gedaagde] nadrukkelijk gesteld dat hij gebruik van deze bevoegdheid zou hebben gemaakt, indien hij terstond na het sluiten van de overeenkomst was geïnformeerd door [eiseres] dat zij uitging van één decoder en dat een tweede decoder niet mogelijk was. Nu [eiseres] door haar stelselmatig gedrag de doelstellingen van artikelen 7:46a ev BW volledig ontwijkt kan zij, gezien de beschermingsratio van genoemde bepalingen als te interpreteren in het licht van Richtlijn 97/71/EG en gezien HvJ 17 december 2009 inzake Martin Martin (LJN BK7889, C-227/08) r.o. 35, zich naar eisen van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden niet beroepen op het verstrijken van de drie maanden termijn van artikel 7:46d lid 1 BW. Aan [gedaagde] moet derhalve alsnog de mogelijkheid van ontbinding worden toegekend en zijn mededeling ter comparitie moet als zodanig worden geduid.

Nu [gedaagde] omweersproken heeft gesteld géén televisiesignaal of internetverbinding van [eiseres] te hebben gebruikt en [eiseres] voorts heeft erkend dat [gedaagde] géén telefoongesprekken ten koste van [eiseres] heeft gevoerd, staat artikel 7:46d lid 2 BW niet aan ontbinding in de weg.

3.6. Gelet op het voorgaande dient de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] als ontbonden te worden beschouwd en kan [gedaagde] géén vergoeding in rekening worden gebracht (zie artikel 7:46d lid 2 BW en overigens ook HvJ 3 september 2009 inzake Messner, LJN BJ8110, C-489/07). Hieruit volgt dat [gedaagde] niets aan [eiseres] is verschuldigd. De vordering van [eiseres] zal dan ook worden afgewezen. De nevenvorderingen volgen dit lot.

3.7. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij, ingevolge artikel 238 Rv worden veroordeeld in de verletkosten van [gedaagde] als hierna te melden en op gebruikelijke wijze te begroten.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] in de verletkosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen tot op heden begroot op een bedrag van € 150,=;

Gewezen door mr. R.R.M. de Moor, kantonrechter, en op donderdag, 4 maart 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.

Zaaknummer: 654733 blad 3

vonnis