Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM1192

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
01/889035-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BW6502, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verwerping verweren tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

- Startinformatie. Proces-verbaal van de CIE vormde de grondslag waarop het bevel tot stelselmatige observatie is gegeven. Dit proces-verbaal rechtvaardigt naar objectieve maatstaven zelfstandig een redelijk vermoeden dat medeverdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer misdrijven. Het bevel tot stelselmatige observatie is rechtmatig gegeven.

- Verbaliseringsplicht en het delen van dubbelnul-informatie. Door het niet vermelden in het proces-verbaal van dubbelnul-informatie is in casu niet gehandeld in strijd met de verbaliseringsplicht. Het buiten het proces-verbaal houden van informatie die in verband met bronbescherming niet operationeel kan worden gemaakt, hoeft niet op bezwaren te stuiten, zolang die dubbel-nulinformatie niet de grondslag vormt voor de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen.

Het delen van de dubbelnul-informatie met de teamleider van het tactisch team zonder toestemming van de CIE-officier, hetgeen in strijd is met de geldende (interne) instructie, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid. De instructie strekt niet ter bescherming van de belangen van de verdachte in een strafrechtelijk onderzoek.

- De inzet van een infiltrant. Niet is gebleken dat over de inzet van de infiltrant relevante informatie is achtergehouden noch dat in strijd met de verbaliseringsplicht is gehandeld.

- Talloncriterium. Door het optreden van de pseudokoper is niet gehandeld in strijd met artikel 126h, lid 2 Sv.

- Geheimhoudergesprekken. Het handelen in strijd met artikel 126aa, lid 2 Sv en de daarbij behorende uitvoeringsregelingen door een aantal afgeluisterde en opgenomen geheimhoudersprekken niet terstond te vernietigen, leidt in casu tot strafvermindering.

- Opzettelijke misleiding. Het door een politiefunctionaris in eerste instantie bewust geven van een onjuiste voorstelling met betrekking tot de dubbelnul-informatie tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris leidt in casu eveneens tot strafvermindering.

Veroordeling voor medeplegen van opzetheling van kostbare schilderijen en medeplegen van witwassen tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek voorarrest. Strafvermindering wegens onherstelbare vormverzuimen van 25%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/889035-08

Datum uitspraak: 14 april 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 april 2009, 24 november 2009, 6 januari 2010, 10 maart 2010 en 31 maart 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 maart 2009.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 maart 2002

tot en met 13 september 2008 te 's-Hertogenbosch en/of Haarlem en/of Boxtel

en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, en/of te Neerpelt (België), in elk

geval in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, (telkens) één of meer schilderij(en), te weten:

"De kwakzalver" en/of "De tevreden drinker" van Adriaen van Ostade en/of

"De kwakzalver" van Jan Steen en/of

"Drinkgelag" van Cornelis Dusart en/of

"De straatmuzikanten" van Cornelis Bega,

in ieder geval een of meer schilderij(en)

en/of een of meer geldbedrag(en),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij

en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen

van die/dat schilderij(en) en/of die/dat geldbedrag(en) (telkens) wist(en),

althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof;

[artikel 416 c.q. 417bis van het Wetboek van Strafrecht]

en/of

dat hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 maart

2002 tot en met 13 september 2008 te 's-Hertogenbosch en/of Haarlem en/of

Boxtel en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, en/of te Neerpelt (België),

in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (telkens) van een of meer voorwerp(en), te weten één of meer

schilderij(en), te weten:

"De kwakzalver" en/of "De tevreden drinker" van Adriaen van Ostade en/of

"De kwakzalver" van Jan Steen en/of

"Drinkgelag" van Cornelis Dusart en/of

"De straatmuzikanten" van Cornelis Bega,

in ieder geval een of meer schilderij(en)

en/of een of meer geldbedrag(en),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of

verhuld wie de rechthebbende op een of meer van die voorwerp(en), was of wie

bovenomschreven voorwerp(en), voorhanden had

en/of

een of meer van die voorwerp(en) heeft/hebben verworven en/of overgedragen

en/of omgezet en/of voorhanden heeft gehad en/of van een of meer van die

voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat

dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit

enig misdrijf;

[artikel 420bis c.q. 420quater van het Wetboek van Strafrecht]

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft aangevoerd dat het niet duidelijk is waarop de tenlastegelegde 'geldbedragen' doelen en dat de dagvaarding partieel nietig verklaard dient te worden voor dat deel van de tenlastelegging.

De rechtbank is van oordeel dat het de verdediging op basis van het procesdossier genoegzaam duidelijk moet zijn geweest dat de telastlegging onmiskenbaar duidt op het geldbedrag dat op 13 september 2008 in zijn woning is aangetroffen en afkomstig bleek te zijn van de pseudokoop. Het is verdachte derhalve duidelijk wat hem wordt verweten alsmede waartegen hij zich moet verdedigen. Nu het tenlastegelegde ook overigens voldoet aan de daaraan in art 261 Sv en in artikel 6 lid 3 sub a EVRM gestelde eisen, verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman.

De dagvaarding voldoet ook voor het overige aan de alle wettelijke eisen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging voert aan dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging van verdachte omdat bij de start van het opsporingsonderzoek tegen medeverdachte [medeverdachte 1] sprake was van ernstige en onherstelbare vormfouten. De verdediging voert in dit verband het volgende aan:

1. Startinformatie. De informatie in het proces-verbaal van 3 januari 2007 van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) was onvoldoende concreet en actueel om ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 1] een redelijk vermoeden van schuld aan een misdrijf en de daarop volgende inzet van bijzondere opsporingsmiddelen te rechtvaardigen. Ook de informatie, verkregen in de eerste dagen van de observatie, leverde geen bevestiging op dat [medeverdachte 1] handelde in gestolen kunst, zoals was vermeld in het CIE-proces-verbaal.

2. Verbaliseringsplicht en dubbelnul-informatie. De politie beschikte bij de start van het onderzoek over meer informatie dan zij in het proces-verbaal heeft gerelateerd: er was sprake van zogenoemde dubbelnul-informatie, die niet werd prijsgegeven maar wel een rol heeft gespeeld bij de start van het opsporingsonderzoek en de keuzes die tijdens het onderzoek zijn gemaakt. Zo zouden in het opsporingsonderzoek tegen medeverdachte [medeverdachte 1] extra opsporingsmiddelen zijn ingezet om tevens te kunnen rechercheren op verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2], van wie de politie betrokkenheid vermoedde maar die bij de start van dit onderzoek naar objectieve maatstaven niet konden worden aangemerkt als verdachten. Het niet vermelden van die dubbelnul-informatie is in strijd met de verbaliseringsplicht van de politie en in strijd met de plicht van de officier van justitie om alle relevante informatie toe te voegen aan het procesdossier. Inzicht in al die informatie is van belang om de rechtmatigheid van het politieoptreden te kunnen beoordelen, aldus de verdediging.

Bovendien is vanuit de CIE dubbelnul-informatie verstrekt aan de tactisch teamleider van de recherche. Dat is in strijd met de interne voorschriften voor het omgaan met dergelijke informatie, onder andere omdat de daartoe vereiste toestemming van de CIE-officier van justitie ontbrak. Deze vormfout is zo ernstig dat zij moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

3. Inzet van Infiltrant [infiltrant 1]. Er bestaan onduidelijkheden omtrent de exacte (eerste) inzet van de infiltrant A-1765 ([infiltrant 1]) en het relateren hierover bij proces-verbaal.

4. Talloncriterium/verbaliseringsplicht. Enkele handelingen/acties van de infiltrant A-1303 ([infiltrant 2]) lijken op gespannen voet te staan met het bepaalde in de artikelen 152 (verbaliseringsplicht) en 126h, tweede lid Wetboek van Strafvordering (het Tallon-criterium). Ook om deze reden dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging.

5. Geheimhoudergesprekken. Afgeluisterde telefoongesprekken (de rechtbank begrijpt hier ook faxen onder) met geheimhouders zijn in strijd met de wettelijke regels niet of niet tijdig vernietigd, waardoor niet te controleren is of de inhoud van de geheimhoudergesprekken enige (sturende) invloed heeft gehad op het opsporingsonderzoek. Het niet tijdig vernietigen van de geheimhoudergesprekken is in strijd met de grondslagen van het strafprocesrecht en levert een schending van de procesrechtelijke belangen van verdachte op. De verdediging stelt zich daarom op het standpunt dat het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht ook om die reden heeft verspeeld.

6. Opzettelijke misleiding. De tactisch teamleider heeft gelogen toen hij als getuige door de rechter-commissaris werd gehoord. Tijdens zijn eerste verhoor heeft hij verklaard dat hij bij de start van het opsporingsonderzoek uitsluitend beschikte over het proces-verbaal van de CIE van 3 januari 2007, terwijl hij in een later verhoor erkende dat hij in die fase tevens beschikte over dubbelnul-informatie. De verdediging meent dat hier sprake is van opzettelijke misleiding van de rechter en de verdediging, wat een zeer ernstige inbreuk op de goede procesorde meebrengt.

7. Telefoontap. Er waren geen termen om de telefoons van verdachte af te luisteren en deze taps door te laten lopen tot maart 2008, ook niet in het kader van onderzoek tegen een ander. Weliswaar woonde de zoon van verdachte, jegens wie wel een strafrechtelijk onderzoek liep, op hetzelfde terrein, maar dat betekent niet dat vader en zoon dienen te worden vereenzelvigd. Evenmin waren er termen om verdachte in maart 2008 als zodanig aan te merken en op die grond een tapbevel te geven en deze te laten doorlopen tot 13 september 2008.

Op grond van het voorgaande heeft de raadsman aangevoerd dat de vormverzuimen in ieder geval in onderlinge samenhang bezien dienen te leiden tot het niet ontvankelijk zijn van het openbaar ministerie, subsidiair tot bewijsuitsluiting, hetgeen vrijspraak van de ten laste gelegde feiten betekent.

De rechtbank overweegt als volgt.

1. Startinformatie.

Op 3 januari 2007 kwam bij de politie Brabant-Noord een proces-verbaal binnen van de CIE, gedateerd 3 januari 2007, met de volgende inhoud: "Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid is in de periode van augustus 2002 tot heden van meerdere informanten de navolgende informatie binnengekomen: [medeverdachte 1] steelt, heelt en verkoopt op grote schaal kunst en antiek. Hij maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer]". De verstrekte informatie kon worden aangemerkt als betrouwbaar. De groepschef van de CIE heeft als getuige tegenover de rechter-commissaris verklaard dat genoemde informatie werd ontvangen van informanten in 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006. Kort voor het opmaken van het proces-verbaal is nagegaan of de informatie over medeverdachte [medeverdachte 1] nog actueel was en dat bleek het geval te zijn, aldus de groepschef (zie verhoor [groepschef CIE] bij de rechter-commissaris op 16 juni 2009).

Twee dagen na ontvangst van het CIE-proces-verbaal, op 5 januari 2007, heeft de officier van justitie mondeling een bevel gegeven tot stelselmatige observatie van medeverdachte [medeverdachte 1] voor maximaal drie maanden. Op 5 januari 2007 is met deze observatie gestart. Op 9 januari 2007 - zijnde drie werkdagen nadien - is het bevel op schrift gesteld, onder vermelding van de verdenking van de misdrijven: gekwalificeerde diefstal en heling. Het gebruik van technische hulpmiddelen zoals camera's en een plaatsbepalingsbaken werd eveneens mogelijk gemaakt. Nadien heeft de officier van justitie telkens verlengingsbevelen afgegeven waarvan de laatste liep tot de aanhouding van medeverdachte [medeverdachte 1].

Beantwoord moet worden de vraag, of er op 5 januari 2007 voldoende grond was voor de inzet van het middel van stelselmatige observatie tegen medeverdachte [medeverdachte 1].

Stelselmatige observatie kan worden ingezet als opsporingsmiddel krachtens artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering op bevel van de officier van justitie in een geval waarin sprake is van een verdenking - dat wil zeggen een redelijk vermoeden van schuld - dat een verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een misdrijf.

Naar het oordeel van de rechtbank leverde het CIE-proces-verbaal van 3 januari 2007 op zichzelf voldoende grond op voor een redelijk vermoeden dat medeverdachte [medeverdachte 1] zich schuldig had gemaakt aan diefstal en/of heling. Weliswaar bleven de bronnen van de informatie onbekend, wat een zeker risico oplevert ten aanzien van de betrouwbaarheid van die bronnen, daar staat echter tegenover dat de informatie van meerdere bronnen afkomstig was, die door de CIE werden ingeschat als betrouwbaar, en voorts dat de informatie met een zekere continuïteit over een lange periode - vijf jaren - is binnengekomen en nog kort voor het gebruik is geactualiseerd. De inhoud van de informatie was ook voldoende concreet: het CIE-proces-verbaal vermeldt zowel naam, voornaam en telefoonnummer van de verdachte persoon als de concrete strafbare feiten waaraan deze zich schuldig zou maken.

Het proces-verbaal van de CIE van 3 januari 2007 vormde de grondslag waarop het bevel tot stelselmatige observatie is gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt dit proces-verbaal naar objectieve maatstaven zelfstandig - dus ook zonder aanvulling van andere informatie waarover de politie op dat moment beschikte - een redelijk vermoeden dat medeverdachte [medeverdachte 1] zich schuldig had gemaakt aan een of meer misdrijven. Het bevel tot stelselmatige observatie van 5 januari 2007 is dan ook rechtmatig is gegeven.

Daar komt nog het volgende bij, wat de verdenkingen jegens medeverdachte [medeverdachte 1] heeft versterkt. Op 4 januari 2007 wordt waargenomen dat medeverdachte [medeverdachte 1] bij zijn woning in 's-Hertogenbosch een ontmoeting heeft met [medeverdachte 3], die hem een pakket overhandigt van ongeveer 90x60 cm, verpakt in een vuilniszak. [medeverdachte 3] heeft antecedenten op het gebied van de Opiumwet (zie proces-verbaal nr.27-004696 van 26 januari 2007, doorgenummerde pag. 27-28).

Ook voor de daarop volgende inzet van andere opsporingsmiddelen tegen medeverdachte [medeverdachte 1] ziet de rechtbank voldoende grondslag in de verdenking, die steeds sterker wordt in de eerste weken van het onderzoek.

Uit het proces-verbaal komt naar voren dat de naam van medeverdachte [medeverdachte 1] voorkomt in een eerder onderzoek van de politie Haaglanden, genaamd "Waldorp", naar aanleiding van diefstal van schilderijen uit een woning. Voorts komt tijdens weer een ander opsporingsonderzoek, betreffende hennephandel, genaamd "Trabant" in de tweede helft van 2006, naar voren uit telefoontaps dat medeverdachte [medeverdachte 1] in november 2006 meermalen belt met [medeverdachte 2], waarbij wordt gesproken van handel in grote partijen "schoenen/boots", wat een dekmantel lijkt voor andersoortige handel (zie proces-verbaal nr. 27-004696 van 26 januari 2007, doorgenummerde pag. 21-27).

Uit de observatie in de onderhavige zaak in januari en februari 2007 blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 1] regelmatig bezoeken brengt aan de [adres] te 's-Hertogenbosch, waar verdachte en zijn zoon, medeverdachte [medeverdachte 2], wonen. Medeverdachte [medeverdachte 1], zijn auto en zijn fiets worden meermalen gezien bij de [adres], te weten op 9 en 30 januari 2007 en op 14 februari 2007. Ook blijkt dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] elkaar elders ontmoeten.

Voorts blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 1] tussen 8 en 22 januari 2007 meermalen met een sleutel het pand aan de [adres] te 's-Hertogenbosch binnengaat, maar daarbij telkens zijn auto op ruime afstand parkeert, ondanks de aanwezigheid van parkeergelegenheid vlakbij het pand.

Ten slotte komt uit het Bedrijfs Processen Systeem van de politie Brabant-Noord naar voren dat in 2006 een hennepkwekerij was aangetroffen in een pand dat was gehuurd door medeverdachte [medeverdachte 1].

Vanaf 30 januari 2007 wordt met machtiging van de rechter-commissaris het telefoonverkeer van medeverdachte [medeverdachte 1] opgenomen en uitgeluisterd. Daaruit blijkt van intensief telefonisch contact tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die ook regelmatig afspreken elkaar te ontmoeten.

Op 14 februari 2007 wordt door de officier van justitie inzake medeverdachte [medeverdachte 1] een bevel afgegeven tot het stelselmatig inwinnen van informatie (artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering). In dat kader wordt een politiële infiltrant ingezet, met wie medeverdachte [medeverdachte 1] diverse ontmoetingen en gesprekken had. Tijdens een ontmoeting op 14 maart 2007 vertelt medeverdachte [medeverdachte 1] aan de infiltrant dat hij zelf en namens anderen handelt in kunst, die ongeveer 14 miljoen waard is, maar dat men er ongeveer 1.750.000 euro voor wil hebben. Op 30 maart 2007 vertelt medeverdachte [medeverdachte 1] aan de infiltrant dat het ging om vijf schilderijen uit de tijd van Rembrandt, die ongeveer vijf jaar geleden zijn gestolen.

Op 4 april 2007 beveelt de officier van justitie de inzet van een politieel pseudokoop traject inzake medeverdachte [medeverdachte 1]. In de maanden daarop heeft medeverdachte [medeverdachte 1] meerdere ontmoetingen en gesprekken met de infiltrant, die zich voordoet als potentiële koper van de schilderijen en worden afspraken gemaakt over de bezichtiging van de schilderijen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft ook vele ontmoetingen en telefonische gesprekken met [medeverdachte 2]. Meerdere van die gesprekken betreffen kennelijk de bezichtiging en verkoop van de schilderijen. In zijn gesprekken met de infiltrant en in zijn gesprekken met [medeverdachte 2] noemt medeverdachte [medeverdachte 1] meermalen "de ouwe"/"de ouwe op de dijk"/"de vader van die jongen" en beschouwt hij de vader kennelijk als iemand die ook zeggenschap heeft over de voorgenomen verkoop.

2. Verbaliseringsplicht en het delen van dubbelnul-informatie.

* Verbaliseringsplicht en dubbelnul-informatie.

Gebleken is dat ten tijde van de start van het onderzoek bij de politie ook andere informatie dan de geverbaliseerde CIE-informatie bekend was. Die informatie is niet neergelegd in een proces-verbaal omdat het zogenoemde dubbelnul-informatie betreft, waarvan de inhoud zodanig is dat het bekend worden daarvan kan leiden tot ontdekking van de bron, waardoor de bron gevaar zou lopen. Daarom geldt als regel dat dubbelnul-informatie niet buiten de CIE mag worden gebracht, dus ook niet elders binnen het politiekorps. Wel kan de CIE-officier van justitie toestemming geven voor het delen van dubbelnul-informatie.

Verschillende (leidinggevende) politieambtenaren die door de rechter-commissaris als getuigen zijn gehoord verklaren dat in december 2006 bij de politie regio Brabant-Noord naast de hiervoor besproken CIE-informatie tevens dubbelnul-informatie bekend was, die niet operationeel kon worden gemaakt. Uit de getuigenverhoren blijkt voorts dat die dubbelnul-informatie in december 2006 is gedeeld met de leider van het tactisch team. Ten slotte geven twee getuigen aan dat de beslissing om het onderhavige onderzoek te starten, mede is ingegeven door de betreffende dubbelnul-informatie (zie het verhoor van [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris op 14 september 2009 en het verhoor van [groepschef CIE] bij de rechter-commissaris op 16 juni 2009). Ter bescherming van de informatiebron is daarover niets opgenomen in het proces-verbaal over de start van het onderzoek, aldus het openbaar ministerie.

De vraag is of, door het niet vermelden in het proces-verbaal dat bij de start van het onderzoek sprake was van dubbelnul-informatie, is gehandeld in strijd met de verbaliseringsplicht van de politie.

Voorop staat dat het proces-verbaal zoveel mogelijk transparant behoort te zijn en inzicht moet geven in de start en het verloop van het opsporingsonderzoek. Relevante informatie daarover dient zoveel mogelijk in het proces-verbaal te worden opgenomen en verantwoord, zodat rechterlijke controle op de rechtmatigheid van de inzet van opsporingsmiddelen mogelijk is.

Daarbij moet inzet van bijzondere opsporingsmiddelen, zoals stelselmatige observatie, telefoontaps, infiltratie etc. volledig worden verantwoord door informatie die wel in het proces-verbaal wordt opgenomen. Aan de hand van het proces-verbaal moet kunnen worden getoetst of ten tijde van de beslissing tot inzet van het middel was voldaan was aan de voorwaarden om tot die inzet te kunnen komen.

Aan de hand van het overzicht dat hiervoor is opgenomen onder het kopje "Startinformatie" komt de rechtbank tot het oordeel dat in deze zaak aan die voorwaarden is voldaan: de inzet van stelselmatige observatie en de latere bijzondere opsporingsmiddelen berust telkens op een voldoende gerechtvaardigd vermoeden van schuld van de betreffende verdachten en een en ander is ook verantwoord in het proces-verbaal.

De rechter en de verdediging moeten ook kunnen vertrouwen op de volledigheid van de processen-verbaal. Dat beginsel kan echter nooit zo ver gaan dat de politie verplicht is om alle informatie waarover zij beschikt te vermelden in het proces-verbaal. Informatie die in verband met bronbescherming niet operationeel kan worden gemaakt, zoals dubbelnul-informatie, moet om die reden buiten het proces-verbaal kunnen worden gehouden.

Dat hoeft ook niet op bezwaren te stuiten, zolang die dubbelnul-informatie niet de grondslag vormt voor de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen. Immers, wanneer dat laatste wel het geval zou zijn, zou de rechtmatigheid van die inzet niet voldoende kunnen worden beoordeeld.

In de onderhavige zaak is echter de inzet van de stelselmatige observatie bij de start van het onderzoek volledig verantwoord door de wel geverbaliseerde informatie, te weten het proces-verbaal van de CIE van 3 januari 2007. Aan die inzet lag dus geen "geheime" informatie ten grondslag.

Enkele politiefunctionarissen geven tijdens hun verhoor bij de rechter-commissaris aan dat in december 2006 wel dubbelnul-informatie mede ten grondslag heeft gelegen aan de keuze om juist het onderhavige onderzoek op te starten. De keuze om een bepaald onderzoek op te starten is echter een afzonderlijke beleidsbeslissing van politie en/of openbaar ministerie en moet worden beschouwd los van het opsporingsonderzoek zelf. Dat een dergelijke beleidsbeslissing mede kan zijn genomen op basis van dubbelnul-informatie die niet wordt prijsgegeven acht de rechtbank op geen enkele wijze bezwaarlijk.

* Het delen van dubbelnul-informatie.

Uit de getuigenverhoren van de verschillende functionarissen van politie en openbaar ministerie blijkt dat vanuit de CIE dubbelnul-informatie is gedeeld met de teamleider van het tactisch team, terwijl daarvoor geen toestemming was gegeven door de CIE-officier van justitie.

Daarmee is gehandeld in strijd met de geldende (interne) instructie over de wijze van omgaan met dubbelnul-informatie. Immers, volgens die instructie mag niet-operationele informatie (dubbelnul-informatie) uitsluitend buiten de CIE-structuur worden gebracht met toestemming van de CIE-officier van justitie. Die regel beoogt zoveel mogelijk de veiligheid van de bron, de informant van de politie, te waarborgen en naleving ervan is dus van groot belang voor de informant zelf en voor het werk van de CIE in het algemeen. Ook de officier van justitie erkent dat het delen van dubbelnul-informatie met de leider van het tactisch team zonder toestemming van de CIE-officier in strijd is met de interne instructie.

Dat dient echter niet, zoals de verdediging bepleit, te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en evenmin tot een andere sanctie. De betreffende instructie immers strekt uitsluitend ter bescherming van de bron tegen ontdekking en tegen het gevaar dat deze zou lopen door het bekend worden van zijn of haar identiteit.

De instructie strekt niet ter bescherming van de belangen van de verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. De verdachte kan in zijn strafzaak dan ook niet met succes een beroep doen op het handelen van de politie in strijd met deze instructie.

3. De inzet van infiltrant A-1765 ([infiltrant 1]).

De rechtbank stelt het volgende vast:

Infiltrant [infiltrant 1] is volgens het dossier ingezet op 10 maart 2008, 17 april 2008 en op 12 en 13 september 2008. Infiltrant [infiltrant 1] verklaart onder ede op 23 juni 2009 bij de rechter-commissaris dat hij gelooft in maart of april 2007 voor het eerst contact te hebben gehad met medeverdachte [medeverdachte 1]. Deze is toen achterin gaan zitten in de auto waar infiltrant [infiltrant 1] ook in zat. Infiltrant [infiltrant 1] maakte toen duidelijk dat het hem niet lekker zat dat medeverdachte [medeverdachte 1] de foto's van de schilderijen niet bij zich had. Kort daarna is infiltrant [infiltrant 1] met infiltrant [infiltrant 2] weggereden. Infiltrant [infiltrant 1] verklaart hiervan verslag te hebben gedaan aan zijn Nederlandse begeleider. Hij heeft zelf geen proces-verbaal opgemaakt van deze ontmoeting. Verder verklaart infiltrant [infiltrant 1] dat hij meent dat het tweede gesprek met medeverdachte [medeverdachte 1] plaatsvond in maart of april 2008 in een hotel in Maastricht. Aan infiltrant [infiltrant 1] wordt vervolgens een proces-verbaal voorgehouden waarin staat dat hij op 10 maart 2008 aan medeverdachte [medeverdachte 1] zou worden voorgesteld. Hij verklaart daarop dat voor zover hij weet hij al eerder aan medeverdachte [medeverdachte 1] was voorgesteld en dat hij zich misschien vergist en het maart 2008 was dat hij medeverdachte [medeverdachte 1] voor het eerst ontmoette. Infiltrant [infiltrant 1] heeft geen dossiers die hij kan raadplegen. Hij denkt dat er ongeveer een jaar zat tussen de eerste en tweede keer dat hij medeverdachte [medeverdachte 1] ontmoette.

Uit het proces-verbaal dat naar aanleiding van dit verhoor is opgemaakt blijkt dat het verhoor enige tijd is onderbroken en dat tijdens deze onderbreking overleg heeft plaatsgevonden tussen de rechter-commissaris, de officier van justitie en de raadslieden. Tijdens dit overleg heeft de officier van justitie aangegeven dat hij zich ook herinnert dat het eerste contact tussen infiltrant [infiltrant 1] en medeverdachte [medeverdachte 1] in april 2007 heeft plaatsgevonden, maar daarvan blijkt geen proces-verbaal te zijn opgemaakt. Tijdens deze onderbreking ontvangt de officier van justitie van het onderzoeksteam een proces-verbaal d.d. 21 januari 2009, waaruit blijkt dat infiltrant [infiltrant 1] desgevraagd op 20 januari 2009 zich een gesprek herinnert op 10 maart 2008 met medeverdachte [medeverdachte 1] en infiltrant [infiltrant 2] waarbij medeverdachte [medeverdachte 1] zich toen voorstelde als [medeverdachte 1].

Ten overstaan van de rechter-commissaris verklaart infiltrant [infiltrant 1] aansluitend dat hij ongeveer vijf maanden na zijn laatste inzet nog is gehoord door een begeleider van het Nederlandse infiltratieteam, welk verhoor ging over de ontmoeting op 10 maart 2008 in Maastricht. Een eerdere ontmoeting met medeverdachte [medeverdachte 1] is toen niet ter sprake gekomen.

Infiltrant [infiltrant 2], gehoord door de rechter-commissaris op 22 juni 2009, verklaart dat hij direct na een inzet met zijn begeleider terugkoppelde wat er is gebeurd. Na elke inzet maakte hij zo spoedig mogelijk proces-verbaal op; daar kon één of twee dagen tussen zitten maar vaak was het maar een paar uur. Hij verklaart verder dat hij de eerste keer met infiltrant [infiltrant 1] is ingezet in maart 2008. In 2007 heeft hij al meerdere keren contact gehad met infiltrant [infiltrant 1] over deze zaak.

De rechtbank constateert dat zich in het dossier vele processen-verbaal bevinden met betrekking tot de inzet van infiltrant [infiltrant 2], beginnend op 1 maart 2007. Ook kortstondige contacten tussen hem en medeverdachte [medeverdachte 1] worden gerelateerd. Uit geen van deze processen-verbaal blijkt dat er eerder dan 10 maart 2008 persoonlijk contact is geweest tussen infiltrant [infiltrant 2], medeverdachte [medeverdachte 1] en infiltrant [infiltrant 1]. Wel blijkt dat infiltrant [infiltrant 2] bij zijn tweede ontmoeting met medeverdachte [medeverdachte 1] op 14 maart 2007 een joodse vriend in Londen in het gesprek opvoert en dat het dan over kunst gaat (pp. 1205 en 1206). Tijdens de derde ontmoeting tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en infiltrant [infiltrant 2] op 30 maart 2007 vraagt medeverdachte [medeverdachte 1] of infiltrant [infiltrant 2] hem uit Londen nog had gesproken. Infiltrant [infiltrant 2] antwoordt dat die vriend voor zaken half komende week hier zou zijn en stelt voor dat wanneer hij interesse had hij medeverdachte [medeverdachte 1] komende donderdag (5 april 2007, rb.) tussen twaalf en één zou ontmoeten bij (naam) (pp. 1211 en 1212). De volgende ontmoeting tussen infiltrant [infiltrant 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] vindt plaats op 5 april 2007. Infiltrant [infiltrant 2] heeft dan op de afgesproken tijd en plaats op medeverdachte [medeverdachte 1] gewacht en komt hem vervolgens tegen op een terras elders in 's-Hertogenbosch. Hij heeft de indruk dat medeverdachte [medeverdachte 1] de afspraak vergeten was. Medeverdachte [medeverdachte 1] vraagt of hij hem nog gesproken heeft, waarop infiltrant [infiltrant 2] antwoordt dat hij in de omgeving is en vraagt of het niet meer doorging. Medeverdachte [medeverdachte 1] antwoordt dat hij die mensen niet gesproken heeft. Infiltrant [infiltrant 2] verlaat daarop het terras (pp. 1215 en 1216). Op 28 juni 2007 vindt er wederom een ontmoeting plaats tussen infiltrant [infiltrant 2] en medeverdachte [medeverdachte 1]. Infiltrant [infiltrant 2] geeft aan dat hij en zijn Engelse vriend zich afvroegen waarom medeverdachte [medeverdachte 1] laatst was afgehaakt. Medeverdachte [medeverdachte 1] antwoordt dat hij de komst van die derde man, de Engelsman, niet zo vertrouwde (pp. 1223 en 1224).

Uit een proces-verbaal van infiltrant [infiltrant 2] van 18 april 2008 (pp. 1450 e.v.) blijkt dat hij op 17 april 2008 zijn auto parkeert op de Leeghwaterlaan te 's-Hertogenbosch en uitstapt. Infiltrant [infiltrant 1] blijft in de auto zitten. Een kwartier later loopt infiltrant [infiltrant 2] met medeverdachte [medeverdachte 1] naar zijn auto en laat hem plaatsnemen op de bestuurdersstoel. Medeverdachte [medeverdachte 1] en infiltrant [infiltrant 1] schudden elkaar de hand en zij spreken in het Engels met elkaar. Medeverdachte [medeverdachte 1] biedt zijn verontschuldigingen aan en zegt dat als hij zelf de schilderijen had gehad het allemaal niet zo moeilijk was geweest. Even later stapt hij uit en rijden de beide infiltranten weg.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat infiltrant [infiltrant 1] zich heeft vergist ten aanzien van de eerste ontmoeting met medeverdachte [medeverdachte 1] en dat de gang van zaken zo is geweest dat infiltrant [infiltrant 1] in april 2007 wel in 's-Hertogenbosch aanwezig was voor een ontmoeting met medeverdachte [medeverdachte 1] maar dat die ontmoeting toen niet heeft plaatsgevonden. Infiltrant [infiltrant 1] heeft kennelijk de tijdstippen van verschillende ontmoetingen met medeverdachte [medeverdachte 1] door elkaar gehaald, hetgeen niet onbegrijpelijk is indien een getuige zo veel later over specifieke gebeurtenissen wordt gehoord.

Weliswaar verklaart medeverdachte [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris dat zijn ontmoeting met infiltrant [infiltrant 1] in Maastricht niet zijn eerste ontmoeting met hem was, maar waar en wanneer die eerste ontmoeting dan wel zou hebben plaatsgevonden wordt niet gerelateerd, zodat de rechtbank aan deze verklaring voorbij gaat.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet is gebleken dat over de inzet van infiltrant [infiltrant 1] relevante informatie is achtergehouden noch dat in strijd met de verbaliseringsplicht is gehandeld.

4. Talloncriterium/verbaliseringsplicht.

Bij de beoordeling van dit verweer neemt de rechtbank het navolgende tot uitgangspunt.

Wanneer gebruik wordt gemaakt van het opsporingsmiddel infiltratie geldt dat de infiltrant een persoon door zijn optreden niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan die waarop diens opzet reeds tevoren was gericht (artikel 126h, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering).

De rechtbank verwerpt het verweer dat medeverdachte [medeverdachte 1] door de handelingen van infiltrant [infiltrant 2], te weten het uitlenen van geld, het aankopen van een horloge en het tonen van een groot geldbedrag, is uitgelokt tot de verkoop van de schilderijen. Het initiatief tot verkoop van de schilderijen is uitgegaan van medeverdachte [medeverdachte 1] zelf. Immers, in het gesprek met infiltrant [infiltrant 2] op 14 maart 2007 geeft medeverdachte [medeverdachte 1] aan - nog voor dat zij zich aan elkaar hebben voorgesteld - dat hij kunst te koop heeft. Volgens het proces-verbaal d.d. 15 maart 2007 van infiltrant [infiltrant 2] vraagt medeverdachte [medeverdachte 1] of die vriend echt verstand van kunst heeft en dat hij wel wat voor die vriend van hem heeft. Nadat zij zich aan elkaar voorstellen voegt medeverdachte [medeverdachte 1] daaraan toe dat de spullen een waarde van rond de 10 miljoen hebben, maar dat zij er 1,75 miljoen voor willen hebben. Verder zegt hij dat het al zes jaar weg is, maar dat het goed staat waar het nu is (p. 1206).

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zichzelf derhalve gepresenteerd als iemand die zich bezig houdt met de handel in gestolen goederen.

Het uitlenen van geldbedragen aan medeverdachte [medeverdachte 1] door infiltrant [infiltrant 2] en de aankoop van een horloge zijn beide aan te merken als normale handelingen in het kader van de zogenaamde cover. Het tonen van de 1,75 miljoen euro op 27 mei 2008 was min of meer op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 1]. Deze zegt immers op 23 mei 2008 tegen infiltrant [infiltrant 2] dat de vader weer gevraagd had of dat er wel geld was en dat het voor hen wel goed zou zijn als infiltrant [infiltrant 2] een foto van het geld zou kunnen geven (pp. 1479 en 1480).

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte 1] door het optreden van de pseudokoper [infiltrant 2] niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds voor het inzetten van de pseudokoper was gericht. Gelet hierop ziet de rechtbank geen grond het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

5. Geheimhoudergesprekken.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat slechts een aantal geheimhoudergesprekken in strijd met het wettelijke kader niet tijdig (terstond) is vernietigd. Nadat die gesprekken in het kader van een hercontrole alsnog als geheimhoudergesprek waren herkend is direct de vernietiging daarvan bevolen en is een en ander door de officier van justitie aan de verdediging gemeld. In de visie van de officier van justitie is er sprake geweest van omissies en onzorgvuldigheid, doch dient enkel met die constatering te worden volstaan, omdat er van moedwilligheid geen sprake was en er wel degelijk een continue stroom van geheimhoudergesprekken tijdig door de politie aan het parket is voorgelegd en ook vernietigd. Van belang hierbij is volgens de officier van justitie dat de inhoud van de niet tijdig vernietigde geheimhoudergesprekken nooit is uitgewerkt, aan het dossier is toegevoegd of is gebruikt voor sturing tijdens het onderzoek. De officier van justitie is van mening dat het verzuim de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet raakt.

De rechtbank constateert dat het dossier tientallen vernietigingsbesluiten van geheimhoudergesprekken bevat. De officier van justitie heeft na sluiting van het opsporingsonderzoek nogmaals opdracht gegeven om de tapprocedure te controleren op de aanwezigheid van geheimhoudergesprekken in het kader van de zorgvuldigheid. Daaruit bleek dat 71 telefonische contacten (niet in alle gevallen vond daadwerkelijk een gesprek plaats) niet terstond zijn vernietigd. Nadat deze gesprekken in het kader van deze hercontrole zijn herkend werd alsnog terstond de vernietiging bevolen. De officier van justitie heeft de verdediging daarvan in zijn brief d.d. 16 maart 2009 op de hoogte gebracht. De rechtbank heeft deze bevolen vernietiging ter terechtzitting d.d. 1 april 2009 bevroren teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen aan de hand van de gespreksdeelnemers te controleren of er sprake was van relevante geheimhoudergesprekken welke wellicht sturend zijn geweest tijdens het onderzoek.

In het kader van een landelijke opschoonactie heeft het openbaar ministerie vervolgens besloten om een nadere digitale scan uit te laten voeren op alle onderzoeken die vanaf 2005 hebben gelopen, zo ook in het onderhavige onderzoek. Deze scan is nauwkeuriger dan de eerder uitgevoerde hercontrole. De officier van justitie is op zijn 8 maart 2010 om 16.00 uur bekend geworden met deze resultaten en heeft de rechtbank en de verdediging hiervan ter terechtzitting van 10 maart jl. op de hoogte gesteld. Nadat de vals-positieve hits eruit gehaald te hebben bleken er nog 34 gesprekken niet volgens de voorgeschreven procedure te zijn verwerkt. Het overgrote deel van deze gesprekken is gevoerd door personen die geen verdachte zijn in onderhavige zaak.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat in strijd met het bepaalde in artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de daarbij behorende uitvoeringsregelingen een aantal afgeluisterde en opgenomen geheimhoudergesprekken niet terstond is vernietigd.

Het niet tijdig vernietigen van geheimhoudergesprekken levert op een vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek dat niet meer kan worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Ingevolge artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de rechtbank hieraan rechtsgevolgen verbinden. Bij de toepassing van genoemd eerste lid houdt de rechtbank ingevolge het tweede lid rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

* Het belang dat het geschonden voorschrift dient.

Aan het in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verschoningsrecht ligt ten grondslag dat een ieder die zich om hulp of bijstand richt tot de in dit artikel genoemde hulpverleners, onder wie de advocaat, er op moet kunnen rekenen dat hetgeen hij aan hen toevertrouwt, geheim blijft. De wetgever heeft dat zo belangrijk gevonden dat de waarheidsvinding in een strafzaak daarvoor in het algemeen moet wijken. Toegespitst op de advocaat als geheimhouder is het verschoningsrecht van essentieel belang voor het contact tussen de advocaat en zijn cliënt en daarmee voor een goed functionerende verdediging, die op haar beurt weer mede bepalend is voor de kwaliteit van de rechtspleging. Artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering en de daarbij behorende uitvoeringsregelingen dienen ertoe om het verschoningsrecht te waarborgen door voor te schrijven dat de inhoud van afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken, die onder het verschoningsrecht vallen, zo snel mogelijk en op afdoende wijze dient te worden vernietigd. Aldus wordt beoogd te verzekeren dat die inhoud geen deel uitmaakt van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen.

Het belang dat het geschonden voorschrift dient is gelet op het voorgaande derhalve groot.

* De ernst van het verzuim.

Het niet terstond vernietigen van geheimhoudergesprekken is een ernstig verzuim. Vaststaat evenwel dat de niet vernietigde geheimhoudergesprekken beperkt in aantal zijn en dat na de eerste hercontrole direct op de voorgeschreven wijze vernietiging is bevolen van de aangetroffen geheimhoudergesprekken. Voorts acht de rechtbank van belang dat de niet vernietigde gesprekken nooit zijn uitgewerkt en niet aan het dossier zijn toegevoegd. Daarbij komt dat niet alleen gesprekken tussen verdachte en diens advocaat niet tijdig zijn vernietigd, maar ook gesprekken met andersoortige geheimhouders, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een indicatie vormt dat het verzuim niet specifiek gericht is geweest op gesprekken tussen verdachte en zijn advocaat. Evenmin is gebleken noch is anderszins aannemelijk gemaakt/geworden, dat de inbreuken op het verschoningsrecht moedwillig zijn begaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve niet aannemelijk geworden dat sprake is van een doelbewuste schending van artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht eerder het tegendeel daarvan aannemelijk gelet op de handelwijze van de officier van justitie, inhoudende dat er tweemaal een digitale scan heeft plaatsgevonden waarvan de resultaten aanstonds aan de verdediging zijn gemeld.

* Het nadeel dat door het verzuim werd veroorzaakt.

Niet gebleken is noch anderszins aannemelijk gemaakt/geworden, dat door het onderzoeksteam direct of indirect gebruik is gemaakt van informatie die - op wat voor wijze dan ook - te herleiden is op de inhoud van een of meer geheimhoudergesprek(ken). Van nadeel dat door dit verzuim werd veroorzaakt is de is de rechtbank dan ook niet gebleken.

* Conclusie.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het verweer strekkende tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in verband met het niet tijdig vernietigen van geheimhoudergesprekken wordt verworpen.

Bedoeld verzuim dient evenmin te leiden tot uitsluiting van bewijsmateriaal, nu het verzuim direct noch indirect heeft geleid tot onderzoeksresultaten. Wel dient het geconstateerde verzuim te leiden tot strafvermindering, waarop de rechtbank later nader zal ingaan. Immers, niet kan worden volstaan met de enkele constatering dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Daarvoor is het belang dat het verschoningsrecht wordt gerespecteerd te groot.

6. Opzettelijke misleiding.

In de getuigenverhoren van politieambtenaren door de rechter-commissaris werden onder meer vragen gesteld over de informatie waarover de politie beschikte bij de start van het opsporingsonderzoek.

De teamleider van het tactisch rechercheteam, [teamleider tactisch rechercheteam], is op 16 juni 2009 en op 14 september 2009 gehoord door de rechter-commissaris. In het verhoor op 16 juni 2009 verklaart [teamleider tactisch rechercheteam] dat de keuze om dit onderzoek op te starten is genomen door het Divisie Management Team, waarvan hij geen deel uitmaakt en voorts verklaart hij dat de informatie in het CIE proces-verbaal van 3 januari 2007 voor hem nieuw was.

[teamleider tactisch rechercheteam] verklaart tijdens dat verhoor ook dat er niet meer informatie was waarop het onderzoek is gestart dan de informatie die is vermeld in het politie proces-verbaal. [teamleider tactisch rechercheteam] verklaart verder dat hij zich niet heeft voorbereid op het verhoor bij de rechter-commissaris, behalve door het doorlezen van zijn aanvraag tot stelselmatige informatie inwinning.

Op 14 september 2009 vraagt de rechter-commissaris [teamleider tactisch rechercheteam] opnieuw naar de informatie die hem bij de start van het onderzoek bekend was. Dan verklaart [teamleider tactisch rechercheteam] dat hij eind december 2006 of begin januari 2007 van een collega mondeling dubbelnul-informatie heeft gekregen. Dat was tijdens het gesprek waarin hij hoort dat hij teamleider zou worden. Het betreft volgens [teamleider tactisch rechercheteam] informatie waarmee hij tijdens het onderzoek niets kan en die hij daarin ook niet heeft gebruikt. [teamleider tactisch rechercheteam] erkent voorts dat hij voorafgaand aan zijn vorige verhoor vooroverleg had met twee collega's, die ook als getuigen zijn gehoord. Met hen was afgesproken dat de CIE en niet [teamleider tactisch rechercheteam] op vragen uitleg zou geven over sturingsinformatie/dubbelnul-informatie.

De rechtbank gaat ervan uit dat de laatste verklaring van [teamleider tactisch rechercheteam] de gang van zaken juist weergeeft, aangezien zijn verklaring, dat hem voor de start van het onderzoek dubbelnul-informatie was verstrekt, wordt bevestigd door getuigenverklaringen van de collega's [verbalisant 2] en [verbalisant 3].

De rechtbank stelt vast dat [teamleider tactisch rechercheteam] tijdens het verhoor op 16 juni 2009 kennelijk bewust niet de waarheid heeft verklaard over zijn wetenschap van dubbelnul-informatie bij de start van het onderzoek. Voorts stelt de rechtbank vast dat hij, na een vraag van de rechter-commissaris daarover, eveneens bewust heeft verzwegen dat hij met collega's vooroverleg had over het getuigenverhoor.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Het bewust niet de waarheid verklaren tijdens een verhoor door de rechter-commissaris, zoals hier is gebeurd, is buitengewoon ernstig. Dat geldt ook wanneer, zoals hier het geval was, dat verhoor niet onder ede plaatsvond.

De omstandigheid, dat het hier ging om dubbelnul-informatie waarvan de inhoud niet kon worden onthuld, maakt de ernst van de zaak niet minder. Die inhoud hoefde vanwege bronbescherming niet te worden prijsgegeven, wel ging het er om dat zou worden vastgesteld of en zo ja, vanaf welk moment, [teamleider tactisch rechercheteam] meer wist dan alleen de inhoud van het CIE proces-verbaal.

Het door een politiefunctionaris bewust geven van een onjuiste voorstelling van zaken ten overstaan van een rechter kan ertoe leiden dat de rechterlijke controle op het opsporingsonderzoek ernstig wordt gefrustreerd. Dat raakt de kern van het strafproces. In het strafproces moet immers steeds inzichtelijk worden gemaakt welke opsporingshandelingen zijn verricht en of rechtmatig gebruik is gemaakt van opsporingsbevoegdheden. De rechter moet erop kunnen vertrouwen dat hetgeen door politiefunctionarissen in hun processen-verbaal op ambtseed wordt gerelateerd ook klopt, in die zin dat het de waarneming of bevindingen van de verbalisant weergeeft. Datzelfde mag ook worden verwacht van de politiefunctionaris die ten overstaan van een rechter een getuigenverklaring aflegt. De onjuiste verklaring van [teamleider tactisch rechercheteam] schendt het hiervoor bedoelde vertrouwen en daarmee ook de goede procesorde.

Om het belang van handhaving van de goede procesorde te benadrukken dient een sanctie te volgen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om over te gaan tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Nu niet is gebleken dat daadwerkelijk schade is ontstaan voor de belangen van verdachten en de onjuiste verklaring voorts een relatief klein onderdeel van de hele gang van zaken betreft, is een zo ver gaande sanctie niet op zijn plaats. Wel ziet de rechtbank aanleiding om bij wijze van sanctie strafvermindering toe te passen, waarop de rechtbank later nader zal ingaan.

7. Telefoontap.

De rechtbank heeft derhalve te oordelen of de rechter-commissaris in redelijkheid de schriftelijke machtigingen heeft kunnen verlenen.

Vast staat dat bij de start van het onderzoek jegens verdachte geen strafrechtelijk onderzoek gaande was en dat de op 5 december 2007 verleende machtigingen ex artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering zijn verleend in het kader van het onderzoek tegen medeverdachte [medeverdachte 1]. De rechter-commissaris baseerde zijn oordeel op de inhoud van een proces-verbaal van politie van 4 december 2007.

De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris op grond van het proces-verbaal van 4 december 2007 niet in redelijkheid de gevorderde machtigingen heeft kunnen verlenen. De enkele omstandigheid dat de zoon van verdachte, [medeverdachte 2], voor wie wel in redelijkheid machtigingen zijn verleend, op hetzelfde adres als verdachte woont - maar wel in een aparte woning - is daartoe onvoldoende.

De machtiging ex artikel 126m voornoemd jegens verdachte als verdachte dateert van 20 maart 2008 en is gebaseerd op een proces-verbaal van politie van 19 maart 2008. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de inhoud van dat proces-verbaal de rechter-commissaris toen wel in redelijkheid tot het verlenen van de machtiging heeft kunnen komen. Er was immers sprake van verdenking van een misdrijf als bedoeld in voornoemd artikel 126m, terwijl uit voormeld proces-verbaal voldoende concrete omstandigheden naar voren kwamen: weliswaar heeft medeverdachte [medeverdachte 1] vooral contacten met medeverdachte [medeverdachte 2], maar herhaaldelijk wenst hij verdachte te spreken als de contacten met [medeverdachte 2] niet goed lopen. Ook laat medeverdachte [medeverdachte 1] de naam van verdachte vallen ten opzichte van infiltrant [infiltrant 2]. Ook de machtigingen tot verlenging heeft de rechter-commissaris in redelijkheid kunnen verlenen gelet op de daaraan ten grondslag gelegde processen-verbaal.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen naar voren is gekomen uit de tapgesprekken die gebaseerd zijn op de machtiging van 5 december 2007 en de verlengingen daarvan van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Conclusie van de rechtbank.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de vormverzuimen in ieder geval in onderlinge samenhang bezien dienen te leiden tot de niet ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en subsidiair tot bewijsuitsluiting, hetgeen vrijspraak van de ten laste gelegde feiten betekent.

De rechtbank is van oordeel dat daar waar de rechtbank in het voorgaande, gelet op de aard ervan, het rechtsgevolg van strafvermindering heeft verbonden aan de geconstateerde vormverzuimen, het niet in de rede ligt om vervolgens het geheel overziende de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uit te spreken.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 24 maart 2002 wordt aangifte gedaan ter zake van diefstal uit het Frans Halsmuseum te Haarlem van vijf kostbare schilderijen, te weten "De kwakzalver" en "De tevreden drinker" van Adriaen van Ostade en "De kwakzalver" van Jan Steen en "Drinkgelag" van Cornelis Dusart en "De straatmuzikanten" van Cornelis Bega.1 Een onderzoek naar deze diefstal wordt ingesteld, echter zonder enig resultaat en de schilderijen worden niet teruggevonden. Op 3 januari 2007 wordt door de politie Brabant-Noord een CIE-proces-verbaal ontvangen inhoudende dat medeverdachte [medeverdachte 1] op grote schaal kunst en antiek, steelt, heelt en verkoopt.2 Tijdens het ingestelde onderzoek blijkt aan de hand van gevoerde telefoongesprekken en waarnemingen, dat [medeverdachte 1] een aantal kostbare schilderijen te koop aanbiedt. Gedurende het onderzoek blijkt dat [medeverdachte 1] samen met onder meer medeverdachte [medeverdachte 2] actief bezig is om bovengenoemde vijf schilderijen te verkopen. Daartoe wordt door hem een afnemer gezocht die hij vindt in infiltrant [infiltrant 2]. Vanaf 14 februari 2007 heeft [medeverdachte 1] verschillende malen contact met infiltrant [infiltrant 2] teneinde deze schilderijen te verkopen. [medeverdachte 1] en infiltrant [infiltrant 2] overleggen in de daarop volgende maanden over bezichtiging en aankoop door infiltrant [infiltrant 2]. Afgesproken wordt dat een Engelse kunstkenner - in werkelijkheid infiltrant [infiltrant 1] - de schilderijen op echtheid zal beoordelen.3 [medeverdachte 1] vertelt dat de schilderijen waren opgeslagen bij een derde.4

Op 17 oktober 2007 geeft [medeverdachte 1] kopieën van afbeeldingen van verschillende schilderijen aan infiltrant [infiltrant 2].5 Onderzoek naar aanleiding daarvan wijst uit dat het daadwerkelijk om de gestolen schilderijen uit het Frans Halsmuseum gaat.6 [medeverdachte 1] heeft veelvuldig contact met medeverdachte [medeverdachte 2].7 Ook brengt [medeverdachte 1] infiltrant [infiltrant 2] en [medeverdachte 2] (die zich tijdens die contacten '[bijnaam]' noemde) op een bepaald moment met elkaar in contact.8 Tijdens gesprekken met infiltrant [infiltrant 2] spreekt [medeverdachte 1] regelmatig over "de ouwe" of "de vader" van die jongen.9 Enkele malen spreekt [medeverdachte 1] met [verdachte] door de telefoon om een afspraak te maken.

Tussen [medeverdachte 1] en infiltrant [infiltrant 2] wordt afgesproken dat de overdracht van de schilderijen zal gaan plaatsvinden in de woning van medeverdachte [medeverdachte 4] te Boxtel aan de [adres] en dat [medeverdachte 4] een deel van de opbrengst zal krijgen.10 Op 12 september 2008 vindt in de woning van [medeverdachte 4] de overdracht van vier van de vijf schilderijen plaats tegen betaling van tweemaal een bedrag van € 500.000 door infiltrant [infiltrant 2] aan [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] overhandigt de schilderijen (per twee) aan infiltrant [infiltrant 2], die wordt bijgestaan door infiltrant [infiltrant 1]. Voorts neemt [medeverdachte 1] het geld in ontvangst en hij verpakt het in twee pakketjes waarvan er één wordt meegegeven aan medeverdachte [medeverdachte 5] en de andere later aan medeverdachte [medeverdachte 6].11 De overdracht van het vijfde en laatste schilderij vindt plaats op 13 september 2008 op een parkeerplaats van het Van der Valk motel te Eindhoven.12

Tijdens een doorzoeking op 13 september 2008 wordt in de woning van verdachte [verdachte] een bedrag van 100.000 euro aangetroffen, bestaande uit 200 biljetten van 500 euro, verstopt in een kussen van een bank. Bij doorzoeking op diezelfde datum van de woning van medeverdachte [medeverdachte 2] wordt achter een plint een bedrag van 95.500 euro aangetroffen, in 191 biljetten van 500 euro. Alle bankbiljetten blijken afkomstig van het geld waarmee de schilderijen door infiltrant [infiltrant 2] zijn betaald.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit nu wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Subsidiar heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het witwassen dan wel helen van het geldbedrag dat bij [medeverdachte 2] is aangetroffen.

Het oordeel van de rechtbank

Door de verdediging is - kort gezegd - aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voorhanden is waaruit daderschap van verdachte blijkt. De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank is met name op grond van hetgeen onder 'vaststaande feiten' is overwogen, de infiltratie processen-verbaal ondersteund door een enkel tapgesprek - in onderling verband en samenhang bezien - bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit samen met anderen heeft gepleegd. Meer in het bijzonder blijkt daaruit het navolgende.

Tijdens een gesprek tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en infiltrant [infiltrant 2] op 30 maart 2007 biedt [medeverdachte 1] vijf schilderijen te koop aan van verschillende Nederlandse meesters uit de tijd van Rembrandt met een totale waarde van zeker 12 miljoen, waarvan er één bij zit met een waarde van 6 miljoen.13

Op 6 december 2007 zegt [medeverdachte 1] tegen infiltrant [infiltrant 2] dat als hij over die vijf iets zou weten hij het zou laten weten. Verder vertelt [medeverdachte 1] dat hij die dag om 4 uur een afspraak heeft met de zoon van de man die ze nu heeft. 14 Uit een eerder gevoerd telefoongesprek op die dag blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben afgesproken om elkaar rond kwart voor vier te ontmoeten.15

Op 7 maart 2008 vertelt [medeverdachte 1] aan infiltrant [infiltrant 2] dat hij ze gesproken heeft en dat ze zaken willen doen en dat [medeverdachte 1] morgen die ouwe spreekt en dan meer zou weten.16

Op 10 maart 2008 vertelt [medeverdachte 1] aan infiltrant [infiltrant 2] dat vanavond of anders morgenvroeg echt zal proberen om met die vader te gaan praten.17 Uit een tapgesprek van 11 maart 2008 blijkt dat [medeverdachte 1] naar verdachte belt omdat [medeverdachte 1] hem deze week even moet zien. Verdachte zegt dat [medeverdachte 1] dan maar even voorbij moet komen.18

Tijdens een ontmoeting op 13 maart 2008 vertelt [medeverdachte 1] aan infiltrant [infiltrant 2] dat hij hem had gesproken en tegen die man had gezegd: "[verdachte], als ik ze nou had, was het zo rond." Verder zegt [medeverdachte 1] dat ze wilden weten of er wel geld was.

Op 28 maart 2008 zegt [medeverdachte 1] in een gesprek tegen infiltrant [infiltrant 2] dat de zoon en of de vader begin volgende week bij "[bijnaam 2]" in de grote hal met hem (infiltrant [infiltrant 2]) willen praten.19

Op 3 april 2008 wordt infiltrant [infiltrant 2] door [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] voorgesteld (die zich '[bijnaam]' noemt).In dit gesprek wordt besproken hoe de overdracht van de schilderijen plaats kan vinden. [medeverdachte 2] zegt dat hij voor een verandering van het plan eerst met zijn vader moet overleggen.20

Op 15 april 2008 vertelt [medeverdachte 1] aan infiltrant [infiltrant 2] dat hij de vader morgen in de sportschool zal ontmoeten.21 Op dezelfde dag belt verdachte naar [medeverdachte 1]. Zij spreken af elkaar morgenochtend te ontmoeten in de sportschool. Even later belt verdachte nogmaals naar [medeverdachte 1]. Ze bevestigen de afspraak om tien uur de volgende dag.22

Op 16 april 2008 wordt omstreeks 10.11 uur vastgesteld dat zowel verdachte als [medeverdachte 1] de sportschool op Orthen bezoeken.23 [medeverdachte 1] vertelt later die dag aan infiltrant [infiltrant 2] dat hij die vader vanmorgen heeft gesproken. De vader had op zijn manier gezegd dat ze voor duizend procent echt waren en dat ze niets geks van plan waren.24

Op 17 april 2008 vertelt [medeverdachte 1] aan infiltrant [infiltrant 2] dat hij nog niet in het bezit is van de foto's en dat zij eerst die zeven en een half willen hebben. Vervolgens wordt er over en weer ge-smst tussen [medeverdachte 2] en infiltrant [infiltrant 2] waarbij [medeverdachte 2] onder meer een sms-bericht zendt inhoudende: "Die ouwe moet eerst iets zien. Voor wat hoort wat" en "Ik heb met die ouwe gesproken en die zegt dat alles ok is."25

Op 23 april 2008 uit infiltrant [infiltrant 2] zijn ongenoegen over het handelen van de zoon aan [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij denkt dat het wel goed zou gaan komen en dat die vader er gewoon achter zat en dat het daarom wel goed zou komen.26

Op 16 mei 2008 vertelt [medeverdachte 1] aan infiltrant [infiltrant 2] dat hij de vader had gesproken. Dat het allemaal wel goed zou gaan komen en dat hij van de zoon een kaartje met foto's had gekregen.27

Op 21 mei 2008 vertelt [medeverdachte 1] aan infiltrant [infiltrant 2] dat de vader de schilderijen aan hem had laten zien en dat de vader zei dat hij er van af wilde en dat ze voor 1 juli verkocht moesten zijn. Infiltrant [infiltrant 2] zegt dat als [medeverdachte 1] het nodig vindt, hij hem het geld zo kan laten zien zodat [medeverdachte 1] er een foto van kan maken. [medeverdachte 1] zegt dat dat misschien wel goed is voor die vader.28

Op 23 mei 2008 vertelt [medeverdachte 1] aan infiltrant [infiltrant 2] dat hij de schilderijen gezien heeft. [medeverdachte 1] zegt dat ze ze één voor één wilden verkopen en dat een motel of zo goed was. Het zou dan wel wat tijd kosten en de vriend van [infiltrant 2] zou dan wel voor een dag of drie hier naartoe moeten komen. Verder zegt [medeverdachte 1] dat de vader weer had gevraagd of het geld er wel was en dat het voor hen toch wel goed zou zijn als [infiltrant 2] een foto van het geld zou geven.29 Tijdens een ontmoeting op 27 mei 2008 wordt door infiltrant [infiltrant 2] een geldbedrag van 1,7 miljoen euro aan [medeverdachte 1] getoond, waarvan foto's worden gemaakt door infiltrant [infiltrant 2] met het toestel van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt dat hij morgen naar hen toe zal gaan.30

Op 1 augustus 2008 vertelt [medeverdachte 1] aan infiltrant [infiltrant 2] dat die zoon gewoon eerst geld wil zien en dat ze ze gewoon aan hem moeten geven. Daarom moeten ze volgens [medeverdachte 1] gewoon wachten op die vader die nu op Ibiza zit.31

Op 2 september 2008 zegt [medeverdachte 1] tegen infiltrant [infiltrant 2] dat de vader heeft gezegd dat als [medeverdachte 1] er een goed gevoel bij heeft het gewoon moet gebeuren omdat hij er nu echt vanaf wil. De zoon zou nog wel met het een en ander helpen. [medeverdachte 1] zegt verder dat hij de vader morgen in de sportschool ziet en nog met hem moet praten over zijn deel.32

Op maandag 8 september 2008 vertelt [medeverdachte 2] (alias [bijnaam]) in aanwezigheid van [medeverdachte 1] aan infiltrant [infiltrant 2] dat het vrijdag allemaal zou gaan lukken en dat het echt moest gebeuren. Vervolgens wordt het plan besproken. Door [medeverdachte 1] wordt na vertrek van [medeverdachte 2] verteld dat hij woensdag een afspraak had met die vader en dat hij dan wel zou horen of het allemaal klopte wat die zoon allemaal had verteld.33

Op woensdag 10 september 2008 zendt [medeverdachte 1] om 10.23 uur een sms-bericht naar [medeverdachte 2] met inhoud: ik ben aan het wachten.34 Vervolgens belt [medeverdachte 2] naar verdachte om 10.33 uur. [medeverdachte 2] zegt dat hij vertrekt omdat "die zit te wachten de hele tijd al". Verdachte antwoordt: "kom ik eraan".

Op 10 september 2008 's middags vertelt [medeverdachte 1] aan infiltrant [infiltrant 2] dat hij die morgen anderhalf uur met de vader had gesproken en dat hij er een heel goed gevoel over had omdat hij nu zeker wist dat het door zou gaan. Verder zegt [medeverdachte 1] dat die zoon dacht dat hij de regie in handen had, maar dat dat gewoon zijn vader is.35

Op 12 september 2008 vertelt [medeverdachte 1] aan infiltrant [infiltrant 2] dat hij met geld van die "ouwe" € 5000,-- aan [betrokkene ] had gegeven. Dat "ze" vanmorgen € 300.000,-- hadden betaald voor de schilderijen. Voorts zegt [medeverdachte 1] dat hij het nog wel zag zitten omdat die "ouwe" zijn woord had gegeven. 36

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte een belangrijke schakel was bij het plegen van de tenlastegelegde feiten. Volgens de uitlatingen van [medeverdachte 1] aan infiltrant [infiltrant 2] had verdachte de regie mede in handen. Dit blijkt mede uit het feit dat [medeverdachte 1] op het moment dat onduidelijkheden ontstaan tussen enerzijds [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en anderzijds [medeverdachte 2] en infiltrant [infiltrant 2], [medeverdachte 1] eigenlijk alleen nog maar contact wil met verdachte in plaats van [medeverdachte 2]. De rechtbank wordt gesteund in haar oordeel nu voorts is gebleken dat ook [medeverdachte 2] voor het nemen van belangrijke beslissingen eerst ruggespraak wil met verdachte.

Verdachte heeft zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen; ook met betrekking tot het in zijn woning aangetroffen geld. [medeverdachte 2] heeft daarentegen bij de politie verklaard dat hij op vrijdagavond 12 september 2008 met een hoeveelheid geld naar zijn vader (verdachte) is gegaan en hem heeft gevraagd dit geld te verstoppen. Ze hebben dit geld samen geteld en daarna is hij vertrokken.37 Verdachte heeft dus voor een omstandigheid die - in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd - redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het tenlastegelegde, geen enkele verklaring gegeven.

Op basis van de voorgaande feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Ten aanzien van de tenlastegelegde periode:

Het medeplegen van opzetheling van de vijf tenlastegelegde schilderijen op tijdstippen in de gehele tenlastegelegde periode wordt bewezen verklaard nu de rechtbank op basis van het procesdossier niet precies kan vast stellen vanaf welk moment in deze periode verdachte betrokken is geraakt bij het plegen van dit feit. Voorts zal de rechtbank het medeplegen van witwassen van geldbedragen op 12 en 13 september 2008 wettig en overtuigend bewezen verklaren omdat het moment waarop dit feit is gepleegd op grond van de bewijsmiddelen wel duidelijk is.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 24 maart 2002 tot en met 13 september 2008

in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens schilderijen, te weten:

"De kwakzalver" en "De tevreden drinker" van Adriaen van Ostade en

"De kwakzalver" van Jan Steen en "Drinkgelag" van Cornelis Dusart en "De straatmuzikanten" van Cornelis Bega, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die schilderijen telkens wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

en

op 12 september en 13 september 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens van geldbedragen, de vindplaats en de verplaatsing heeft verborgen en verhuld en die geldbedragen heeft verworven en overgedragen en voorhanden heeft gehad terwijl hij en zijn mededaders telkens wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 47, 57, 416, 420bis.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van het feit (kort gezegd: medeplegen van opzetheling en medeplegen van witwassen):

* een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 jaar.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij:

* niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij Frans Hals Musuem in haar vordering.

Ten aanzien van het beslag:

* onttrekking aan het verkeer van het bij verdachte in beslag genomen patroon.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte dient te worden vrijgesproken bij gebrek aan bewijs.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- verdachte heeft zich puur uit winstbejag ingelaten met onder meer het helen van gestolen schilderijen die cultureel erfgoed zijn en hij heeft bij de uitvoering van het geheel een aanzienlijke rol als medepleger gehad;

- daarnaast is er van het betaalde aankoopbedrag voor de schilderijen tot op heden nog een bedrag van € 804.500,00 zoek.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. In de eerste plaats ziet de rechtbank verdachte als een medepleger en niet als initiatiefnemer of leidinggevende ten opzichte van de mededaders zoals het openbaar ministerie stelt. Voorts wordt het volgende overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank, zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden op zijn plaats zijn, nu deze straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Echter nu er, zoals hiervoor overwogen, in dit onderzoek sprake is geweest van onherstelbare vormverzuimen, zal de rechtbank deze straf matigen. Genoemde verzuimen zijn naar het oordeel van de rechtbank van een dergelijke aard dat op de op te leggen straf 25% in mindering dient te worden gebracht. Aan verdachte zal daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt.

De vordering van de benadeelde partij Frans Hals Museum.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen patroon aan het verkeer onttrokken dient te worden verklaard, omdat blijkens het onderzoek ter terechtzitting dit voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane misdrijf is aangetroffen en dit voorwerp toebehoort aan verdachte en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven en

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

opzetheling, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

witwassen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.

* Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

* Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij Frans Hals Museum, in haar vordering. Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

* Onttrekking aan het verkeer van het patroon (voorwerp 22 van de lijst van inbeslaggenomen goederen die als bijlage 2 aan dit vonnis is gehecht).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.G.A.M. van de Ven, voorzitter,

mr. E.C.M. de Klerk en mr. M. Lammers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Meurs, griffier,

en is uitgesproken op 14 april 2010.

1 delictdossier 'vijf schilderijen' p. 146-150.

2 idem: p. 154.

3 idem: p. 182-183

4 idem: p. 182, 213

5 idem: p. 210-218

6 idem: p 17

7 idem: p. 219, 232, 237, 238, 274, 305, 308-309, 312-316, 317 e.v.

8 idem: p. 518

9 idem: o.m. op p. 452, 462, 500, 572, 595, 674, 697

10 idem: p. 861, 918

11idem: p. 1091-1095 en p.1097-1101

12 idem: p. 1140-1142 en p. 1143-1147

13 delictdossier 'vijf schilderijen' p.180

14 idem: p. 244

15 idem: p. 238

16 idem: p. 451-452

17 idem: p. 462

18 idem: p. 467

19 idem: p.500

20 idem: p. 518

21 idem: p. 572

22 idem: p. 580-581

23 idem: p.587-588

24 idem: p.595

25 idem: p. 630, 631, 637

26 idem: p. 674

27 idem: p. 697

28 idem: p.704-705

29 idem: p. 717- 718

30 idem: p. 724

31 idem: p.839

32 idem: p. 901-904

33 idem: p. 932-933

34 idem: p.939

35 idem: p. 941

36 idem: p. 1093

37 persoonsdossier medeverdachte [medeverdachte 2] p. 51

??

??

23

Parketnummer: 01/889035-08

[verdachte]