Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM0884

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
01/825422-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling.

Verdachte heeft het slachtoffer met een schaartje in de buik geraakt.

Voor wat betreft de afmeting van de schaar gaat de rechtbank uit van de verklaring van verdachte.

Verdachte had de schaar van in totaal 13 à 14 centimeter in het midden vast.

De rechtbank acht, gelet op de afmeting van de schaar en het feit dat verdachte de schaar in het midden vast had,

de kans niet aanmerkelijk dat het slachtoffer door het handelen van verdachte

dodelijk zou worden getroffen, danwel zwaar zou worden verwond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825422-09

Datum uitspraak: 14 april 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

verblijfadres [adres] te [woonplaats].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 maart 2010.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 20 juli 2009 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te

beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die

[slachtoffer] (met kracht) met een schaar, althans een scherp, althans puntig

voorwerp, in de buik, in elk geval het bovenlichaam (ter hoogte van de

onderste ribben), heeft gestoken en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287/302 juncto artikel 45 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De officier van justitie eist.

Vrijspraak van de ten laste gelegde poging tot doodslag.

Ten aanzien van de poging tot zware mishandeling:

- een werkstraf van 160 uur subsidiair 80 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- toewijzing vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 391,34. Niet-ontvankelijkverklaring van het overige deel van de vordering.

- oplegging van de maatregel 36f van het Wetboek van Strafrecht, met toewijzing van de wettelijke rente.

De bewijsbeslissing.

Vaststaat dat verdachte op 20 juli 2009 te Eindhoven [slachtoffer] met een huishoudschaar heeft gestoken in de rechterzijde van zijn buik.

De vraag moet worden beantwoord of de handeling van verdachte een poging tot doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling oplevert.

Verdachte heeft de door hem gebruikte schaar op 28 juli 2009 overhandigd aan [verbalisant]. [verbalisant] spreekt in zijn proces-verbaal d.d. 28 juli 2009 over een 'huishoudschaartje'. Uit het dossier blijkt dat de schaar vervolgens in beslag is genomen en dat verdachte afstand heeft gedaan van deze schaar. De verbalisanten hebben verzuimd de afmetingen van deze schaar in het proces-verbaal te vermelden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de totale lengte van de door hem gebruikte schaar ongeveer 13 à 14 centimeter bedroeg.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat zijn vrouw, [getuige 1], heeft gezien dat verdachte een papierschaar voor linkshandige mensen in zijn hand had van ongeveer 15 centimeter, met gele plastic handvatten. Deze schaar hield verdachte in het midden vast.

[getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat zij schat dat de schaar die verdachte in zijn hand had ongeveer 18 tot 20 centimeter lang was.

[getuige 2] en [getuige 3] hebben niets verklaard over de afmeting van de schaar.

Gelet op de tegenstrijdigheden in de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] over de afmeting van de schaar en het feit dat de politie de afmetingen van de schaar niet heeft vermeld in het proces-verbaal, gaat de rechtbank voor wat betreft de afmeting van de schaar uit van de verklaring van verdachte.

Verdachte heeft ter zitting verklaard ten tijde van het slaan en/of steken de schaar in het midden vast te hebben gehad. Dit wordt bevestigd door aangever [slachtoffer], die heeft verklaard dat hij van zijn vrouw heeft gehoord dat verdachte de schaar in het midden vasthield, waarbij zij zag dat de schaar gele plastic handvatten had.

Verdachte ontkent het opzet te hebben gehad op de dood van het slachtoffer of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of in dit geval de kans aanmerkelijk was dat [slachtoffer] voornoemd door de handelingen van verdachte zou kunnen overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel op zou kunnen lopen.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Verdachte had de schaar van in totaal 13 à 14 centimeter lang in het midden vast.

Dit betekent dat het deel van de schaar dat het slachtoffer heeft geraakt zodanig kort is geweest, dat verdachte door één keer daarmee te slaan/steken tegen het lichaam van [slachtoffer], zoals verdachte heeft gedaan, [slachtoffer] daardoor niet zwaar kon worden verwond. Wanneer een slachtoffer met een dergelijk kleine punt van de schaar wordt geraakt, is naar het oordeel van de rechtbank de kans niet aanmerkelijk dat het slachtoffer zwaar wordt verwond, laat staan dat het slachtoffer daardoor dodelijk wordt getroffen. De kans dat vitale delen worden geraakt, is in casu niet aanmerkelijk.

Een en ander wordt ook bevestigd door de aard van het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel.

De ter plaatse gekomen [verbalisant] spreekt over een heel klein wondje dat hij heeft geconstateerd, dat niet of nauwelijks bloedde.

(naam arts), chirurg en (naam arts), arts-assistent chirurgie hebben tussen 20 juli 2009 en 21 juli 2009 een klein prikwondje bij het slachtoffer geconstateerd.

Aangever [slachtoffer] heeft in zijn aangifte verklaard dat de chirurg een snee met een diepte van 6 centimeter heeft geconstateerd. Dit wordt echter niet bevestigd door de in het dossier aanwezige medische verklaring betreffende [slachtoffer] voornoemd.

In het bij het voegingsformulier gevoegd waarneembericht van de arts (naam arts) d.d. 20 juli 2009 wordt vermeld "steekwond; met volle kracht een normale schaar in de buik gekregen; wellicht dus 10 cm diep". De rechtbank begrijpt dat dit geen letsel is dat door de arts is geconstateerd, maar een melding van mogelijk letsel naar aanleiding van de mededeling van het slachtoffer.

Om mogelijk ernstig letsel uit te sluiten, is verdachte na een bezoek bij de spoedeisende hulp een dag ter observatie opgenomen. Er zijn blijkens de medische verklaring echter geen aanvullende afwijkingen geconstateerd en verdachte is de volgende dag ontslagen uit het ziekenhuis. Poliklinische nabehandeling was niet nodig.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

De vordering van de benadeelde partij.

Nu verdachte van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus, dat elke partij de eigen kosten

draagt.

DE UITSPRAAK

Vrijspraak, achtende de rechtbank het ten laste gelegde niet wettig en

overtuigend bewezen.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis, welke voorlopige hechtenis sinds 31 juli 2009 is geschorst.

Beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer], in haar vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten

draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. S.J.O. de Vries en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 14 april 2010.

Mr. Verheggen en mr. De Vries zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.