Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM0882

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
01/845574-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verwerping Salduz-verweer. Verdachte heeft voldoende gelegenheid gehad een raadsman te consulteren voordat hij zich vrijwillig meldde op het politiebureau voor een verhoor inzake de feiten waarvan hij werd verdachte. Ook is niet gesteld, noch anderszins gebleken dat verdachte bij gelegenheid van dit verhoor heeft verzocht om voorafgaand daaraan of tijdens het verhoor bijstand te mogen hebben van een raadsman. Na zijn aanhouding op het politiebureau is verdachte gewezen op het consultatierecht, waarna hij een gesprek met zijn advocaat heeft gehad. De bekennende verklaring die verdachte in eerste instantie heeft afgelegd bij de politie, mag worden gebruikt voor het bewijs.

Veroordeling verkrachting in eendaadse samenloop gepleegd met mishandeling. Opgelegd een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarde toezicht van de reclasseing, ook als dit inhoudt ambulante behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845574-09

Datum uitspraak: 14 april 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier, in Vught.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding 3 maart 2010.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 31 maart 2010 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat

1. hij op of omstreeks 20 november 2009 te Uden door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van

(een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte met een

penis in erectie de vagina van die [slachtoffer] binnengedrongen en bestaande dat

geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of

die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer] meermalen,

althans eenmaal, in/tegen haar gezicht en/of hoofd heeft geslagen en/of

gestompt en/of die [slachtoffer] van de bank heeft getild en/of die [slachtoffer] om haar

middel naar de slaapkamer heeft getrokken en/of die [slachtoffer] op het bed geduwd

en/of de kleding van die [slachtoffer] uitgetrokken en/of in elk geval een dermate

(be)dreigende sfeer heeft geschapen dat die [slachtoffer] (gerechtvaardigd) kon vrezen en/of vreesde voor door hem, verdachte, te plegen geweld en/of die [slachtoffer] zich niet vrij kon voelen en/of voelde vooromschreven handelingen niet te verrichten en/of te dulden;

artikel 242 Wetboek van Strafrecht

2. hij op of omstreeks 20 november 2009 te Uden opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal, in/tegen haar

gezicht en/of hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

artikel 300 Wetboek van Strafrecht

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 20 november 2009 heeft verdachte in zijn woning in Uden aangeefster [slachtoffer] tegen haar gezicht geslagen als gevolg waarvan deze pijn heeft ondervonden. Vervolgens heeft verdachte op het bed in de slaapkamer van die woning zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht. 1 2

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht beide tenlastegelegde feiten bewezen op grond van de aangifte van het slachtoffer [slachtoffer], het ambtelijk verslag van verbalisant [verbalisant] en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie. De officier van justitie is van oordeel dat die bekennende verklaring van verdachte bruikbaar is voor het bewijs omdat verdachte, voorafgaande aan dit verhoor en in de wetenschap verkerend waar dit verhoor over zou gaan, ruimschoots in de gelegenheid is geweest om een advocaat te raadplegen. Daarbij komt dat verdachte in 2005 al eerder in een soortgelijke situatie is komen te verkeren en dus wist wat hem te wachten kon staan.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring uitgesloten moet worden van het bewijs gelet op de uitspraak van het EHRM van 27 november 2008, nr 3639/02 NJ 2009, 214 (Salduz versus Turkije) en de uitspraken van de Hoge Raad van 30 juni 2009 NJ 2009/349/350/351, omdat haar cliënt niet de mogelijkheid is geboden zich tijdens zijn verhoor door een raadsman te laten bijstaan noch om voorafgaand aan het verhoor een raadsman te raadplegen. Hierdoor is sprake van een onherstelbaar vormverzuim waardoor bewijsuitsluiting en bij gebreke van voldoende overig bewijs, vrijspraak voor feit 1 dient te volgen. De raadsvrouwe heeft voorts de betrouwbaarheid van de aangifte van [slachtoffer] ernstig in twijfel getrokken en ook op die grond vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van het bewijs voor feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

ten aanzien van feit 1:

De rechtbank verwerpt het bewijsuitsluitingsverweer op de navolgende gronden.

Aangeefster [slachtoffer] doet op 23 november 2009 aangifte van mishandeling gepleegd op 20 november 2009 en zij geeft daarbij aan dat zij op die datum tevens door verdachte is verkracht. Aangeefster uit echter haar twijfels omtrent het doen van aangifte bij de zedenpolitie terzake de verkrachting. Zij verzoekt de politie wel contact op te nemen met verdachte om hem duidelijk te maken dat hij haar niet meer moet lastig vallen.

Op verzoek van de afdeling Zeden is verdachte op 23 november 2009 door twee verbalisanten thuis bezocht. Hij gaf aan dat hij inmiddels had gesproken met de broer van aangeefster, waardoor hij wist waarom er politie aan de deur zou komen. Spontaan verklaart verdachte tijdens dit gesprek dat op 20 november 2009 één en ander mis was gegaan en dat hij aangeefster had mishandeld. Hierbij was hij, naar eigen zeggen, 'zijn boekje ver te buiten gegaan'.

Vervolgens wordt verdachte op 11 december 2009 door de politie telefonisch uitgenodigd om op 14 december 2009 op het politiebureau te verschijnen voor een verhoor. Nadat aan hem de cautie is verleend legt verdachte een bekennende verklaring af omtrent de gebeurtenissen op 20 november 2009, waarna hij om 10.46 uur wordt aangehouden en hem wordt gewezen op het recht een advocaat te raadplegen. Na contact met zijn raadsvrouw wil verdachte niet verder verklaren dan wel beroept hij zich op zijn zwijgrecht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte voldoende gelegenheid gehad een raadsman te consulteren alvorens hij zich op 14 december 2009 vrijwillig meldde op het politiebureau voor een verhoor inzake de feiten waarvan hij werd verdacht. Ook is niet gesteld, noch anderszins gebleken, dat hij bij gelegenheid van dit verhoor heeft verzocht om voorafgaand daaraan of tijdens het verhoor bijstand te mogen hebben van een raadsman.

Overigens dient een verdachte op basis van de Salduz-jurisprudentie eerst bij gelegenheid van de aanhouding te worden gewezen op het recht een raadsman te raadplegen. Verdachte is op 14 december 2009 om 10.46 uur aangehouden op het politiebureau, waarna hij is gewezen op dit consultatierecht. Hierna heeft verdachte een gesprek met zijn advocaat gehad.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens geen sprake is zodat het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Aangeefster [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat verdachte in zijn woning in Uden tegen haar gezicht heeft geslagen en haar bodywarmer gedeeltelijk over haar heeft heengetrokken zodat ze daar in verstrengeld raakte en geen kant meer op kon. Vervolgens voelde zij dat ze de slaapkamer in werd geduwd en dat verdachte haar op bed duwde. Daarna heeft verdachte haar gedwongen seks met hem te hebben. 3 Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij aangeefster [slachtoffer] in zijn woning in Uden tegen het gezicht heeft geslagen en vervolgens van de bank heeft getild en bij de deur van de slaapkamer die grenst aan de woonkamer op de grond heeft gezet. Hij heeft [slachtoffer] vervolgens om haar middel naar de slaapkamer getrokken en op bed geduwd. Verdachte heeft vervolgens haar joggingbroek uitgetrokken en tijdens de seks heeft hij haar bovenkleding uitgetrokken. Verdachte verklaart verder dat hij in het begin boven op [slachtoffer] is gaan liggen en dat hij wist dat zij niet uit vrije wil seks met hem wilde hebben. Hij verklaart voorts dat hij met zijn penis in erectie in de vagina van [slachtoffer] is gegaan. Hij verklaart ook dat hij weet dat hij haar heeft verkracht. 4 Hiermee acht de rechtbank de verkrachting bewezen zoals hierna onder de bewezenverklaring is vermeld.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de aangifte van [slachtoffer] onbetrouwbaar is.

Deze verklaring wordt immers ondersteund door het relaas van verbalisant [verbalisant] 5, de verklaring van de broer van [slachtoffer] 6 en de verklaring van verdachte bij de politie waarin hij details over de verkrachting heeft verteld die aangeefster zelf niet heeft verteld. 7 De rechtbank doelt dan met name op het van de bank tillen en het bij de deur van de slaapkamer die grenst aan de woonkamer op de grond zetten en het om haar middel naar de slaapkamer trekken.

ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht op grond van de verklaring van aangeefster [slachtoffer] bij de politie en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 31 maart 2010 de onder dit feit tenlastegelegde mishandeling bewezen zoals hierna onder de bewezenverklaring is vermeld.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op 20 november 2009 te Uden door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte met een penis in erectie de vagina van die [slachtoffer] binnengedrongen en bestaande dat geweld hierin dat verdachte die [slachtoffer] tegen haar gezicht heeft geslagen en die [slachtoffer] van de bank heeft getild en die [slachtoffer] om haar

middel naar de slaapkamer heeft getrokken en die [slachtoffer] op het bed heeft geduwd en de kleding van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en een dermate bedreigende sfeer heeft geschapen dat die [slachtoffer] (gerechtvaardigd) kon vrezen voor door hem, verdachte, te plegen geweld en die [slachtoffer] zich niet vrij kon voelen vooromschreven handelingen niet te dulden.

2. op 20 november 2009 te Uden opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) tegen haar gezicht heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 55 lid 1, 242, 300.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de beide tenlastegelegde feiten eist de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek van voorarrest, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering, ook indien zulks een ambulante behandeling in een psychiatrische kliniek inhoudt. Voorts eist de officier van justitie een contactverbod met aangeefster [slachtoffer]. De officier van justitie betrekt bij zijn eis enerzijds de ernst van met name feit 1 en het feit dat verdachte eerder terzake soortgelijke feiten is veroordeeld tot onder meer een forse deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf en anderzijds dat verdachte blijkens de persoonsrapportage licht verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de feiten.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft allereerst bepleit dat in het kader van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek op grond van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering strafreductie dient plaats te vinden. Voorts dient een lagere straf op te worden gelegd omdat verdachte ten tijde van de feiten licht verminderd toerekeningsvatbaar was. Resumerend verzoekt de raadsvrouwe een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. In het kader van een daarnaast voorwaardelijk op te leggen strafdeel dient verdachte als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering te worden opgelegd, onder meer inhoudende dat verdachte een behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek dient te ondergaan.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt allereerst vast dat gelet op hetgeen hiervoor onder het bewijsuitsluitingsverweer is overwogen er geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Op die grond kan er geen sprake zijn van een verlaging van de straf.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank acht strafverzwarend dat verdachte reeds eerder voor soortgelijk feiten is veroordeeld en meer bepaald in 2005 tot een zeer forse deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Voorts dient in het kader van de strafverzwaring te worden meegewogen dat verdachte in augustus 2009 (3 maanden vóór deze feiten) nog is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf ter zake van mishandeling. Verder heeft verdachte zijn slachtoffer, zijnde de vrouw waarmee hij tot op de dag van de feiten een relatie had, ernstig aangetast in haar lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer.

Strafverminderend acht de rechtbank het feit dat blijkens de omtrent verdachte opgestelde dubbelrapportage de feiten hem slechts in licht verminderende mate kunnen worden toegerekend. Voorts pleit in het voordeel van verdachte dat hij wil meewerken aan de geïndiceerde behandeling.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarde naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan. De rechtbank zal een proeftijd van drie jaar opleggen, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de ontastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte het door de officier van justitie gevorderde contactverbod met aangeefster [slachtoffer] op te leggen.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

Verkrachting.

in eendaadse samenloop gepleegd met feit 2

t.a.v. feit 2:

Mishandeling.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

t.a.v. feit 1, feit 2:

een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3

jaren en de bijzondere voorwaarde:

dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de

aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio

's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze

instelling zulks noodzakelijk acht, ook indien zulks een ambulante behandeling

in een forensisch psychiatrische kliniek inhoudt.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d

van het Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M. Nusselder , voorzitter,

mr. J.J.H. Bruggink en mr. Ch. Dunnewijk, leden,

in tegenwoordigheid van G.A.M. de Laat, griffier,

en is uitgesproken op 14 april 2010.

1 De verklaring van aangeefster [slachtoffer] op p 26 van het eindproces-verbaal.

2 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 31 maart 2010.

3 De verklaring van aangeefster [slachtoffer] op p 26 van het eindproces-verbaal.

4 De verklaring van verdachte op p 38 en 39 van het eindproces-verbaal.

5 Het relaas van verbalisant [verbalisant] op p 21 van het eindproces-verbaal.

6 De verklaring van [broer slachtoffer] op p 32 van het eindproces-verbaal.

7 De verklaring van verdachte op p 39 van het eindproces-verbaal.