Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM0318

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
647450
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Al dan niet bestaan arbeidsovereenkomst. Tussen eiser en de v.o.f. die een manege exploiteert is niet uitdrukkelijk een arbeidsovereenkomst overeengekomen. Eiser heeft onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat er een arbeidsovereenkomst is gesloten. De feitelijke invulling die partijen aan hun verhouding hebben gegeven leidt niet tot de slotsom dat er feitelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst. Ook indien er wel een arbeidsovereenkomst zou hebben bestaan dan zou eiser nog geen aanspraak kunnen maken op betaling van het door hem gevorderde loon. Dat eiser werkzaamheden ten behoeve van de manege heeft verricht houdt verband met de affectieve relatie die bestond tussen hem en gedaagde sub 2 en de bij eiser bestaande verwachting dat hij op termijn tot de v.o.f. zou kunnen toetreden. Eiser heeft € 600,- netto per maand ontvangen en gratis kost en inwoning gehad. Indien er een arbeidsovereenkomst bestond, moeten partijen worden geacht de v.o.f. op deze wijze aan haar verplichting tot betaling van het loon waarop eiser aanspraak zou kunnen maken, te hebben willen laten voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0317

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie 's-Hertogenbosch

Zaaknummer : 647450

Rolnummer : 09-8832

Uitspraak : 7 januari 2010

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [adres],

eiser,

hierna te noemen [eiser],

gemachtigde: mr. J.J.C.M. Rouws,

t e g e n :

1. [de v.o.f.],

2. [gedaagde],

3. [gedaagde],

4. [gedaagde],

gevestigd respectievelijk wonende te [adres],

gedaagden,

gezamenlijk te noemen [gedaagden]

gemachtigde: mr. S.M.M. van Dalen.

1. De procedure

[eiser] heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. [gedaagden] zijn in rechte verschenen en hebben een conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een comparitie van partijen gelast die heeft plaatsgevonden op

16 december 2009. Daarna is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevinden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert betaling van € 80.823,20 bruto, te verminderen met het reeds betaalde netto salaris van € 30.600,- en te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente als vermeld in de dagvaarding, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.

[eiser] legt daaraan het volgende ten grondslag. Ingaande het jaar 2003 tot 11 mei 2007 heeft er tussen [eiser] en [de v.o.f.] een arbeidsovereenkomst bestaan. In het jaar 2003 heeft [eiser] gemiddeld 30 uur per week gewerkt en in de jaren 2004 tot april 2007 heeft hij 50 uur per week gewerkt. [eiser] heeft tot en met april 2007 netto € 600,- per maand aan salaris ontvangen, zijnde in totaal € 30.600,-. [eiser] heeft minimaal recht op het op dat moment geldende minimumloon en bijbehorende vakantietoeslag. Gelet hierop bedraagt de loonvordering, inclusief vakantietoeslag € 80.823,20 bruto. Ondanks dat [gedaagden] op deze betalingsverplichting zijn gewezen, heeft geen enkele betaling plaatsgevonden. [eiser] maakt aanspraak op de wettelijke verhoging en hij is gezien de onderlinge verhouding tussen partijen bereid de hoogte daarvan tot 10% te beperken. Het loon diende per maand te worden betaald en nu [de v.o.f.] daarmee in verzuim is geraakt, maakt [eiser] aanspraak op wettelijke rente.

2.2. [gedaagden] hebben, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd. Partijen zijn nimmer een arbeidsovereenkomst overeengekomen. [eiser] heeft in 2003 wat meegewerkt met de bouwwerkzaamheden van [de v.o.f.] die toen zijn gestart. Dit kwam voort uit de affectieve relatie die tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] bestond. [eiser] heeft voor deze werkzaamheden een vergoeding gekregen. In 2004 moest de manege worden opgebouwd. [gedaagde sub 2] verrichtte alle werkzaamheden en [eiser] heeft geen werkzaamheden verricht. Nadat de manege groeide heeft [eiser] bepaalde werkzaamheden op de manege verricht. [eiser] heeft nimmer de door hem genoemde uren gewerkt. De vergoedingen die [eiser] ontving, bestaande in een vergoeding van € 600,- per maand vanaf 2004 en de indirecte vergoeding bestaande in het kosteloos bij [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] inwonen vanaf 2004, zijn in verhouding tot de verrichte werkzaamheden van [eiser] meer dan voldoende geweest.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat het navolgende vast. [De v.o.f.] exploiteert een manege. [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zijn vennoten van [de v.o.f.]. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zijn de ouders van [gedaagde sub 2]. [eiser] en [gedaagde sub 2] hebben gedurende tien jaar, tot 11 mei 2007, een affectieve relatie gehad en zij hebben vanaf 2004 tot aan het verbreken van hun relatie ingewoond bij de ouders van [gedaagde sub 2]. Zij hadden daar gratis kost en inwoning. [eiser] heeft vanaf 2003 tot april 2007 maandelijks een bedrag van € 600,- netto van [de v.o.f.] ontvangen.

3.2. Volgens [eiser] was sprake van een arbeidsovereenkomst tussen [de v.o.f.] en hem in afwachting van zijn toetreding tot [de v.o.f.], hetgeen door [gedaagden] is weersproken. Een arbeidsovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt in dienst van de andere partij tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stellingen verwezen naar een door hem in het geding gebracht concept ondernemingsplan dat in opdracht van [de v.o.f.] is gemaakt in de eerste helft van 2002. Dit plan is onweersproken opgesteld met het oog op een subsidieaanvraag van [de v.o.f.]. Het plan houdt geen arbeidsovereenkomst tussen partijen in, terwijl uit de in het plan gebezigde bewoordingen, inhoudende dat [eiser] in het eerste jaar van de dan nog op te starten manege waarschijnlijk als werknemer beloond zal worden, niet kan worden afgeleid dat er tussen partijen vanaf 2003 sprake is van een arbeidsovereenkomst. [eiser] heeft omtrent de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst en de in dat kader gemaakte afspraken volstrekt onvoldoende gesteld, om te concluderen dat [de v.o.f.] en [eiser] hebben beoogd om een arbeidsovereenkomst te sluiten. Ook op grond van de wijze waarop [de v.o.f.] en [eiser] inhoud aan hun verhouding hebben gegeven, kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Op geen enkele wijze is gesteld of gebleken dat [eiser] zich jegens [de v.o.f.] heeft verbonden. De omstandigheid dat [eiser] werkzaamheden in de manege heeft verricht hield verband met het feit dat er een langdurige affectieve relatie tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] bestond en met de bij hem bestaande verwachting dat hij rechtstreeks dan wel middels een nieuw op te richten v.o.f. zou toetreden tot [de v.o.f.]. Van toetreding van [eiser] is geen sprake is geweest en op het moment dat de relatie met [gedaagde sub 2] eindigde heeft [eiser] ook zijn werkzaamheden bij de manege beëindigd. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake was van een gezagsverhouding met [de v.o.f.]. [eiser] heeft ter comparitie verklaard dat hij zijn werkzaamheden in verband met de verbouwing van de manege verrichtte op aanwijzing van [gedaagde sub 3], hetgeen door [gedaagden] is weersproken. Voor wat betreft zijn werkzaamheden bij de manege heeft [eiser] verklaard dat hij zelf bepaalde welke werkzaamheden hij verrichtte. Het bestaan van enige gezagsverhouding kan hieruit niet worden afgeleid. Gesteld noch gebleken is dat partijen afspraken hebben gemaakt over verplichtingen van [eiser] en over het aantal uren dat [eiser] werkzaamheden bij de manege zou verrichten. Vast staat dat er geen inhoudingen ten laste van [eiser] op diens salaris zijn gedaan en dat [eiser] geen loonstroken ontving. Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat ook er gelet op de wijze waarop [eiser] en [de v.o.f.] feitelijk inhouding hebben gegeven aan hun onderlinge verhouding, geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Reeds hierom komt de vordering van [eiser] niet voor toewijzing in aanmerking.

3.3. Overigens ook indien zou moeten worden aangenomen dat er tussen [eiser] en [de v.o.f.] een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, dan nog zou de vordering van [eiser] niet voor toewijzing in aanmerking komen. Zoals hiervoor al is overwogen hield de omstandigheid dat [eiser] werkzaamheden in de manege heeft verricht verband met het feit dat er een langdurige affectieve relatie tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] bestond en met de bij hem bestaande verwachting dat hij rechtstreeks dan wel middels een nieuw op te richten v.o.f. zou toetreden tot [de v.o.f.]. [eiser] had bovendien een hobbymatige belangstelling voor paardrijden en zijn aanwezigheid in de manege hield ook verband met de uitoefening van deze hobby. In de manege waren ook een of meerdere aan hem toebehorende paarden gestald. [eiser] ontving naast een bedrag van € 600,- netto per maand, gratis kost en inwoning. Ter comparitie heeft [eiser] verklaard dat de omstandigheid dat hij niet voor kost en inwoning hoefde te betalen verband hield met het feit dat hij werkzaamheden bij de manege verrichtte. Voorts hoefde [eiser] voor de stalling van zijn paard of paarden niet te betalen. [eiser] heeft nimmer aanspraak gemaakt op betaling van het thans door hem gestelde aantal uren tegen het voor hem geldende minimumloon. [eiser] heeft bij dagvaarding gesteld dat hij in verband met zijn activiteiten voor [de v.o.f.] en zijn toekomstige toetreding tot [de v.o.f.] in plaats van fulltime voor halve dagen is gaan werken bij zijn werkgever Asito. Ter comparitie heeft hij echter, in afwijking daarvan, verklaard dat hij een fulltime dienstverband bij een andere werkgever heeft opgezegd en dat hij vervolgens vanaf januari 2003 bij een nieuwe werkgever, Asito, parttime is gaan werken. Wat hiervan ook zij, gesteld noch gebleken is dat [eiser] met dit parttime dienstverband en met de vergoedingen van [de v.o.f.], het netto bedrag van € 600,- per maand en de gratis kost en inwoning, minder inkomsten genoot dan hij ten tijde van zijn fulltime dienstverband ontving.

Voor zover er sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst moeten [eiser] en [de v.o.f.], gezien deze omstandigheden en met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen hen beheerst, worden geacht te zijn overeengekomen dat [de v.o.f.] aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van die arbeidsovereenkomst zou voldoen door betaling van € 600,- netto per maand en het verschaffen van gratis kost en inwoning. [eiser] kan derhalve ook indien het bestaan van een arbeidsovereenkomst zou moeten worden aangenomen, geen aanspraak maken op nadere betalingen.

3.4. De vordering zal gelet op het voorgaande worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [gedaagden] gevallen en tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde sub 2] begroot op € 150,- salaris gemachtigde, te voldoen aan de griffier, door overschrijving op rekeningnummer 56.99.90.572 t.n.v. Arrondissement 's-Hertogenbosch onder vermelding van het zaaknummer en rolnummer van deze zaak, en aan de zijde van [gedaagden], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] begroot op € 450,- salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.

Zaaknummer: 647450 CV EXPL 09-8832 [eiser] - [gedaagden] blad 4

vonnis