Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM0251

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
Awb 08 / 3593
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie AWB 08/3593

Bij de vaststelling van de planschadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO in verband met de aanleg van de A50 heeft verweerder rekening gehouden met een aftrek wegens voorzienbaarheid van 35% vanwege het besluit van de gemeenteraad van Son en Breugel van 26 februari 1981, waarbij is ingestemd met de aanleg van een westelijke omleiding om Son. De rechtbank verwerpt dit standpunt van verweerder. De rechtbank is van oordeel dat de aanleg van een rijksweg in de huidige vorm ten tijde van de aankoop van het perceel in het geheel niet voorzienbaar was. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door een schadevergoeding toe te kennen als in het advies van de SAOZ omschreven.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/416
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/3593

Uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2010

inzake

[betrokkene],

te [adres],

eiser,

tegen

de raad van de gemeente Son en Breugel,

verweerder,

gemachtigden [gemachtigde] en [gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2007 heeft verweerder het verzoek van eiser om vergoeding van planschade ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) toegewezen en hem een planschadevergoeding van € 47.125,00 toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag tot aan de datum van uitbetaling.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 2 oktober 2008 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 22 januari 2010, waar eiser (met afmelding) niet is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

Overwegingen

1. In dit geding is de vraag aan de orde of verweerders besluit van 2 oktober 2008, waarbij het bezwaar van eiser tegen (de hoogte van) de aan hem toegekende planschadevergoeding ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

2. Bij de beoordeling van het onderhavige geding gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

3. Eiser is sedert 27 augustus 1986 eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Son en Breugel, sectie A, nummer 369[adres]ijk bekend [adres]. De woning is gelegen in de woonwijk ‘De Gentiaan’. Eiser heeft bij brief van 4 augustus 2004, door verweerder ontvangen op 6 augustus 2004, verzocht om vergoeding van planschade in de vorm van waardevermindering van zijn woning ten gevolge van de bestemmingsplannen “A50/Omlegging Son” en “A50/Omlegging Son, herziening 1999”. Op basis van deze bestemmingsplannen is op de gronden ten westen van de woonwijk ‘De Gentiaan’ de rijksweg A50 aangelegd, welke een verbinding vormt tussen Eindhoven en Oss. De kortste afstand tussen de woning van eiser en de gronden met de nieuwe verkeersbestemming voor de A50 bedraagt ongeveer 48 meter.

4. Verweerder heeft het verzoek van eiser ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). In het in april 2005 uitgebrachte advies heeft de SAOZ op basis van een planologische vergelijking gesteld dat het perceel als gevolg van de door voormelde bestemmingsplannen mogelijk gemaakte aanleg van de A50 in waarde is gedaald en dat deze planologische verslechtering voor eiser ten tijde van de aankoop van het perceel niet voorzienbaar was. De SAOZ heeft aan verweerder geadviseerd om aan eiser een vergoeding van planschade toe te kennen van € 72.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2004 tot de dag der uitbetaling.

5. In een op verzoek van verweerder door [deskundige], juridisch adviseur (door partijen aangeduid als de commissie [deskundige]), opgestelde “second opinion” van 24 juli 2007 wordt door deze, evenals door de SAOZ, geconcludeerd dat met betrekking tot het perceel van eiser sprake is van een planologische verslechtering. In tegenstelling tot de SAOZ, komt [deskundige] evenwel tot de conclusie dat deze planologische verslechtering voor eiser ten tijde van de aankoop gedeeltelijk voorzienbaar was op grond van het besluit van de gemeenteraad van Son en Breugel van 26 februari 1981, waarbij is ingestemd met de aanleg van een westelijke omleiding om Son, met een aansluiting op de [adres] (hierna: Raadsbesluit 1981). Bij besluit van 27 mei 1982 heeft de gemeenteraad de nota “Tracé-uitwerking Westelijke Omleiding” vastgesteld, met daarin de definitieve variant voor de westelijke omleiding (de zogenaamde variant 3b). Deze definitieve tracévariant verschilde echter niet wezenlijk van het tracé dat aan het Raadsbesluit 1981 ten grondslag lag. Volgens [deskundige] was de aanleg van de A50 in de huidige vorm reeds op basis van het Raadsbesluit 1981 voor 35 % voorzienbaar. [deskundige] heeft op basis daarvan aan verweerder geadviseerd om aan eiser, uitgaande van de door de SAOZ vastgestelde planschade, een vergoeding toe te kennen van € 47.125,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag tot aan de datum van uitbetaling.

6. Aan het bestreden besluit ligt – zakelijk weergegeven – verweerders opvatting ten grondslag dat ten gevolge van de aanleg van de A50 weliswaar sprake is van een planologische verslechtering ter plaatse van het perceel van eiser, maar dat deze verslechtering ten tijde van de aankoop van het perceel door eiser gedeeltelijk voorzienbaar was. Overeenkomstig het advies van [deskundige] is verweerder van mening dat 35 % van de planschade voor rekening van eiser dient te blijven.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

9. Niet in geschil is dat eiser door de bestemmingsplanwijziging in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren en dientengevolge schade lijdt, zoals begroot door de SAOZ. In geschil is uitsluitend of de door de planwijziging ontstane schade gedeeltelijk, namelijk voor 35 %, ten laste van eiser dient te blijven, omdat de nadelige planwijziging voorzienbaar was ten tijde van de aankoop van de woning.

10. De rechtbank bespreekt eerst de grief van eiser dat verweerder, na ontvangst van het rapport van de SAOZ, ten onrechte advies heeft ingewonnen van [deskundige]. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat, behoudens bijzondere omstandigheden, geen rechtsregel eraan in de weg staat dat een bestuursorgaan, dat zich ten aanzien van een te nemen besluit laat adviseren door een deskundige en zich geconfronteerd ziet met een advies dat voor het bestuursorgaan verstrekkende (financiële) gevolgen heeft, een andere deskundige om nader advies (een second opinion) vraagt. Van bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze grief niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Dit neemt uiteraard niet weg dat de keuze van verweerder om in afwijking van het eerder uitgebrachte advies, de second opinion te volgen, door de rechtbank op zijn begrijpelijkheid zal dienen te worden getoetst.

11. De rechtbank overweegt vervolgens dat waardevermindering van een onroerende zaak ten gevolge van een gewijzigd planologisch regime in beginsel een grond voor schadevergoeding oplevert en dat dit slechts anders is, indien de schade redelijkerwijs ten laste van de verzoeker om planschade dient te blijven. Dit laatste is het geval indien eiser geacht moet worden het risico van de planologische verslechtering te hebben aanvaard. Daarbij is van belang het antwoord op de vraag in hoeverre voor eiser als redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie van het onderhavige perceel in ongunstige zin zou veranderen. Verweerder heeft in dit verband terecht op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 16 december 2009 (www.rechtspraak.nl, LJN: BK6700) gewezen, waarin de ABRS heeft benadrukt dat alleen de planologische situatie op de datum van aankoop van belang is. Eventuele wijzigingen in het planologische regime die na het moment van aankoop plaatsvinden zijn derhalve niet relevant.

12. Ten tijde van de aankoop van het perceel [adres] door eiser gold ten aanzien van de gronden ten westen van de wijk ‘De Gentiaan’ het Raadsbesluit 1981, waarmee de aanleg van een westelijke omleiding om Son en Breugel werd beoogd. Dit besluit strekte tot instemming met de aanleg van een provinciale weg op een afstand van ongeveer 200 meter van de wijk, met een aansluiting op de [adres]. In zijn advies aan verweerder stelt [deskundige] zich op het standpunt dat reeds vanaf het Raadsbesluit 1981 voorzienbaar was dat op een afstand van ongeveer 200 meter van de wijk ‘De Gentiaan’ een - provinciale - weg zou worden aangelegd. Nu het huidige tracé van de A50 de aanleg van een rijksweg op een afstand van ongeveer 100 meter van de wijk betreft, was volgens [deskundige] de aanleg van een rijksweg in zijn huidige vorm slechts gedeeltelijk voorzienbaar. Rekening houdend met de verschillen tussen het Raadsbesluit 1981 tot de aanleg van een westelijke omleiding enerzijds en de uiteindelijke aanleg van de A50 anderzijds, dient volgens [deskundige] een aftrek wegens voorzienbaarheid plaats te vinden van 35 %.

13. De rechtbank verwerpt het door verweerder onderschreven standpunt van [deskundige] en overweegt daartoe het volgende. Op grond van het Raadsbesluit 1981 kon eiser ten tijde van de aankoop van het onderhavige perceel weliswaar op de hoogte zijn van het feit dat ten westen van de wijk ‘De Gentiaan’ een provinciale weg op een afstand van 200 meter van de wijk was voorzien, maar dat wil nog niet zeggen dat voor eiser daarmee aanleiding bestond om rekening te houden met een verslechtering van de planologische situatie op het onderhavige perceel. Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat eiser op basis van het Raadsbesluit 1981 geen rekening behoefde te houden met de kans dat de planologische situatie op het onderhavige perceel in ongunstige zin zou veranderen als gevolg van de aanleg van een verkeersweg op het daarin aangeduide tracé. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat dit tracé op een dusdanig ruime afstand van de wijk ‘De Gentiaan’ is gelegen, dat van eventuele hinder van de daarop voorziene verkeersweg geen nadelige invloed op de planologische situatie op het onderhavige perceel is te verwachten. Hoewel de mogelijkheid bestond dat het uiteindelijke tracé nog enigszins zou verschuiven en eiser met deze mogelijkheid in beginsel ook rekening diende te houden, bevat het Raadsbesluit 1981, noch het op 27 mei 1982 door de gemeenteraad genomen besluit, enige aanwijzing dat het tracé zou komen te liggen op of in de buurt van het tracé van de A50 in de huidige vorm. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de aanleg van een rijksweg in de huidige vorm ten tijde van de aankoop van het perceel aan de [adres] in het geheel niet voor eiser voorzienbaar was.

14. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in de onderhavige zaak sprake is van gedeeltelijke voorzienbaarheid. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 49 van de WRO.

15. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet daarop komt de rechtbank niet meer toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden.

16. Door verweerder is desgevraagd ter zitting te kennen gegeven dat, indien de rechtbank tot de conclusie komt dat sprake is van een planologische verslechtering zoals door SAOZ in haar advies is omschreven en niet kan worden staande gehouden dat de daaruit voortvloeiende schade gedeeltelijk ten laste van eiser behoort te blijven, de hoogte van de te vergoeden schade, zoals door SAOZ is begroot, niet wordt betwist. Ook eiser betwist die hoogte niet. De rechtbank ziet hierin aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door, onder gegrond verklaring van het bezwaar en herroeping van het primaire besluit, aan eiser een schadevergoeding toe te kennen als in het advies van SAOZ omschreven.

17. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 145,00 dient te vergoeden.

18. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 2 oktober 2008;

- verklaart het bezwaar van eiser tegen verweerders besluit van 19 december 2007 gegrond;

- herroept het besluit van 19 december 2007;

- bepaalt dat aan eiser op zijn verzoek een schadevergoeding wordt toegekend van € 72.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 6 augustus 2004 tot aan de dag der uitbetaling, te betalen binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 145,00.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als voorzitter en mr. A.H.N. Kruijer en mr. F.M. Tadic als leden in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2010.

?