Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BM0134

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
AWB 08-1754
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De grief van eiser kan aldus worden begrepen dat het perceel niet of onvoldoende is gebaat, doordat de veehouderij, ingevolge geldende milieuregels, geen gebruik mag maken van de aangelegde riolering voor de lozing van haar afvalwater. Daaromtrent overweegt de rechtbank dat de bedrijfswoning wel is aangesloten op het gemeentelijk rioleringsnetwerk, zodat aldus betere gebruiksmogelijkheden voor de onroerende zaak zijn gecreëerd. De onroerende zaak is derhalve naar het oordeel van de rechtbank door de aanleg van de voorzieningen gebaat. Dat de onroerende zaak in nog grotere mate zou kunnen zijn gebaat indien het ook zou zijn toegestaan de veehouderij haar afvalwater via deze riolering te laten afvoeren doet voor de beantwoording van de vraag of de onroerende zaak is gebaat niet ter zake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0952
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/1754

Uitspraakdatum: 25 maart 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser]

wonende te Lith,

eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Lith,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 15 december 2007 heeft verweerder aan eiser een aanslag baatbelasting opgelegd met nummer 53800, ten bedrage van € 3.000, voor de onroerende zaak aan [adres] te Lith.

Na daartegen gemaakt bezwaar is deze aanslag bij uitspraak op bezwaar van 15 april 2008 gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 19 mei 2008 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 4 maart 2010, waar eiser niet is verschenen. De rechtbank is gebleken dat de uitnodiging voor de zitting aangetekend is verzonden naar het juiste adres en dat de desbetreffende zending, blijkens informatie van TNT Post, op

29 januari 2010 is afgeleverd. Verweerder is verschenen bij [gemachtigde]

2. Feiten

Eiser was op de peildatum 1 januari 2006 eigenaar van de onroerende zaak aan [adres] te Lith. Op het perceel bevinden zich een bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen ten behoeve van de veehouderij van eiser.

Op 20 november 2003 heeft de raad van de gemeente Lith het bekostigingsbesluit riolering buitengebied cluster 2 en 2a genomen. Dit bekostigingsbesluit heeft tot doel een deel van de kosten van de aanleg van een hoofdriolering en van de aanleg van putten en pompputten in het buitengebied van Lith door een baatbelasting te verhalen op de genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaken, die door de te treffen voorzieningen van openbaar nut zijn gebaat. Van de genothebbenden van niet-bedrijfsmatig in gebruik zijnde onroerende zaken zal maximaal € 1.500 worden geheven en van genothebbenden van bedrijfsmatig in gebruik zijnde onroerende zaken zal maximaal € 3.000 worden geheven. Dit bekostigingsbesluit is gepubliceerd door plaatsing in het gemeentelijk huis-aan-huisblad van 5 december 2003 en is in werking getreden op 8 december 2003.

Op 10 november 2005 heeft de gemeenteraad de Verordening op de heffing en invordering baatbelasting buitengebied 2005 cluster 2 en 2a vastgesteld. De Verordening is gepubliceerd door plaatsing in het gemeentelijk huis-aan-huisblad van 25 november 2005 en op 1 januari 2006 in werking getreden.

3. Geschil

In geschil is of verweerder op goede gronden aan eiser een aanslag baatbelasting van € 3.000 heeft opgelegd. Eiser is het eens met de baatbelasting voor zover deze de bedrijfswoning betreft, maar stelt zich op het standpunt dat ten onrechte het tarief van € 3.000 voor bedrijven is gehanteerd, nu het agrarische bedrijfsgedeelte niet op het riool is en mag worden aangesloten.

4. Beoordeling van het geschil

Op grond van artikel 222 van de Gemeentewet kan ter zake van de in een bepaald gedeelte van de gemeente gelegen onroerende zaak die gebaat is door voorzieningen die tot stand worden of zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, van degenen die van die onroerende zaak het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, een baatbelasting worden geheven, waarbij de aan de voorzieningen verbonden lasten geheel of gedeeltelijk worden omgeslagen. Indien de aan de voorzieningen verbonden lasten ter zake van een onroerende zaak krachtens overeenkomst zijn of worden voldaan, wordt de baatbelasting ter zake van die onroerende zaak niet geheven.

Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Verordening wordt onder de naam “baatbelasting riolering buitengebied 2005” in de vorm van een heffing ineens een directe belasting geheven ter zake van de onroerende zaken, gelegen in de gemeente binnen de omlijning op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaarten nummers 1 tot en met 23, 25 tot en met 28, 30 en 31, die op 20 december 2005 zijn gebaat door de in het tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand zijn of worden gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening wordt de belasting geheven van degene die van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Verordening bedraagt de belasting voor een onroerende zaak, die in het bestemmingsplan wordt aangeduid als een bedrijf, € 3.000.

Niet in geschil is dat eiser op de peildatum 1 januari 2006 eigenaar was van het perceel met bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen aan [adres] te Lith (hierna: de onroerende zaak), alsmede dat de onroerende zaak in gebruik is ten behoeve van een agrarisch bedrijf (veehouderij), hetgeen in overeenstemming is met de ter plaatse krachtens het geldende bestemmingsplan toegekende bestemming.

De grief van eiser kan aldus worden begrepen dat het perceel niet of onvoldoende is gebaat, doordat de veehouderij, ingevolge geldende milieuregels, geen gebruik mag maken van de aangelegde riolering voor de lozing van haar afvalwater. Daaromtrent overweegt de rechtbank dat de bedrijfswoning wel is aangesloten op het gemeentelijk rioleringsnetwerk, zodat aldus betere gebruiksmogelijkheden voor de onroerende zaak zijn gecreëerd. De onroerende zaak is derhalve naar het oordeel van de rechtbank door de aanleg van de voorzieningen gebaat. Dat de onroerende zaak in nog grotere mate zou kunnen zijn gebaat indien het ook zou zijn toegestaan de veehouderij haar afvalwater via deze riolering te laten afvoeren doet voor de beantwoording van de vraag of de onroerende zaak is gebaat niet ter zake.

De grief van eiser kan voorts aldus worden begrepen dat verweerder voor de onroerende zaak ten onrechte het tarief van € 3.000, behorende bij een onroerende zaak die in het bestemmingsplan is aangeduid als bedrijf, heeft toegepast. Daaromtrent overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat in het ter plaatse geldende bestemmingsplan de onroerende zaak is aangeduid als een agrarisch bedrijf. Aldus heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van de Verordening, terecht het tarief van € 3.000 toegepast.

Gelet op het vorenoverwogene kan de uitspraak op bezwaar van 15 april 2008 in rechte standhouden. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spreken of te bepalen dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als voorzitter en mr. D.J. de Lange en

mr. A.J. Kromhout als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. Anssems als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2010.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

?