Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL9471

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
2-1530 / FA RK 09-5847
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente dient een verzoek in op grond van artikel 62 Wet werk en bijstand, omdat zij van mening is dat de man zijn onderhoudsplicht ten aanzien van een minderjarige niet nakomt. De man verweert zich met een beroep op een overeenkomst gesloten met de vrouw, waarin een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige door partijen is vastgesteld, die vervolgens wordt verrekend met een schuld van de vrouw aan de man. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente de overeenkomst tegen zich heeft te laten gelden ingevolge artikel 62a Wwb. Weliswaar wordt de bijdrage maandelijks verrekend met de aflossing van de schuld van de vrouw aan de man, doch dat doet niet af aan het feit dat de man maandelijks bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding. De bevoegdheid van de man tot verrekening uit hoofde van de overeenkomst is niet in geschil tussen partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Zaaknummer : 201530 / FA RK 09-5847

Uitspraak : 19 maart 2010

Beschikking betreffende bijstandsverhaal onderhoudsplicht in de zaak van

DE GEMEENTE [gemeente]

zetelende te [gemeente],

gemachtigde [gemachtigde],

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. C.J.Th. Smeets,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de gemeente en de man.

De procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift van de gemeente, ontvangen ter griffie op 23 oktober 2009;

- het verweerschrift van de man;

- de ter zitting door de gemeente overgelegde draagkrachtberekening.

De zaak is behandeld ter zitting van 19 januari 2010. Verschenen zijn [gemachtigde] namens de gemeente en de man. De advocaat van de man is niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De gemeente verzoekt, op de in het verzoekschrift aangevoerde gronden en na wijziging van het verzoek ter zitting, vast te stellen dat de man met ingang van 1 mei 2009 een bedrag van € 72,00 per maand dient te voldoen op grond van artikel 62 Wet werk en bijstand (verder: Wwb) terzake van gemaakte kosten en nog te maken kosten van bijstand voor zijn zoon.

De man heeft hiertegen op de in het verweerschrift aangevoerde gronden verweer gevoerd.

De beoordeling

Feiten

De man heeft een affectieve relatie gehad met [ex-partner](verder de vrouw). Deze relatie is inmiddels geëindigd. Uit deze relatie is een kind geboren:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats]op [geboortedatum].

Bij beschikking van 26 februari 2009 heeft de gemeente aan de vrouw mede ten behoeve van voornoemde minderjarige een uitkering op basis van de Wwb toegekend met ingang van 21 januari 2009. Bij brief van 6 april 2009 heeft de gemeente de man hiervan op de hoogte gesteld en hem verzocht financiële gegevens te overleggen. Bij brief van 27 mei 2009 heeft de gemeente de man een onderhoudsbijdrage opgelegd van € 137,00 per maand met ingang van 1 mei 2009. In de daaropvolgende periode heeft de gemeente de man aangemaand deze bijdrage te voldoen doch heeft de man geen bijdrage betaald. De man heeft vervolgens het inlichtingenformulier ingevuld en aan de gemeente toegestuurd zonder nadere bewijsstukken.

Verzoek gemeente

De gemeente motiveert haar verzoek als volgt . De gemeente heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt op basis van nadere, door de man aan de gemeente toegezonden, financiële gegevens. Op basis van deze gegevens heeft de gemeente ter zitting haar verzoek verminderd tot een bedrag van € 72,00 per maand met ingang van 1 mei 2009.

Verweer man

De man voert verweer en betwist dat hij voldoende draagkracht heeft. Hij stelt dat hij nog een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding is verschuldigd ten behoeve van twee minderjarige kinderen uit een eerdere relatie van € 100,00 per kind per maand. Voorts stelt de man dat hij op 15 oktober 2008 een overeenkomst heeft gesloten met de vrouw. Partijen zijn overeengekomen dat een schuld van de vrouw aan de man van € 10.000,00 in veertig maandelijkse termijnen van € 250,00 wordt afgelost door middel van verrekening met een door de man en de vrouw in overleg vastgestelde bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige van € 250,00 per maand. Na veertig maanden zouden partijen deze bijdrage opnieuw berekenen. Partijen zijn voorts overeengekomen dat de man de volledige hypothecaire schuld van de woning van de man en de vrouw overneemt en dat de woning op naam van de man alleen wordt gezet. Zowel de vrouw als de man hebben de gemeente van het bestaan en de inhoud van de overeenkomst op de hoogte gesteld.

De gemeente bevestigt dat zij op de hoogte is van het bestaan en de inhoud van de hieronder vermelde overeenkomst tussen de man en de vrouw. De gemeente betwist het bestaan van de overeenkomst niet, maar stelt dat zij de overeenkomst niet tegen zich hoeft te laten gelden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 62 Wwb, voor zover hier relevant, kunnen kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht worden verhaald door de gemeente, onder meer op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt.

Ingevolge artikel 62a Wwb wordt bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht, bedoeld in artikel 1:159a BW of artikel 62 Wwb, en de omvang van het te verhalen bedrag, rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend.

De rechtbank verstaat het beroep van de man op de overeenkomst met het verrekeningbeding inzake de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding aldus, dat volgens de man met deze omstandigheid rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht van de gemeente. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente de overeenkomst tegen zich heeft te laten gelden ingevolge artikel 62a Wwb.

Immers, uit artikel 62 Wwb blijkt dat er alleen dan sprake kan zijn van bijstandsverhaal als de onderhoudsplichtige niet naar behoren zijn onderhoudsplicht nakomt. Daarvan is in onderhavig geval geen sprake. Ingevolge de overeenkomst is de man maandelijks een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 250,00 verschuldigd. Weliswaar wordt de bijdrage maandelijks verrekend met de aflossing van de schuld van de vrouw aan de man, doch dat doet niet af aan het feit dat de man maandelijks bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding. De bevoegdheid van de man tot verrekening uit hoofde van de overeenkomst is verder niet in geschil tussen partijen. De maandelijkse bijdrage van de man die hij is verschuldigd uit hoofde van de overeenkomst met de vrouw is hoger dan de maximale bijdrage die hij naar de wettelijke maatstaven is verschuldigd. De man komt hiermee zijn onderhoudsplicht naar behoren na. De rechtbank concludeert derhalve dat de gemeente niet bevoegd is de kosten van bijstand aan de vrouw te verhalen op de man.

Ter zitting heeft de gemeente nog aangevoerd dat verrekening van de betreffende bijdrage zou kunnen leiden tot een korting op de uitkering van de vrouw, met dien verstande dat de vrouw daardoor onder de bijstandsnorm zou komen. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling aan het vorenstaande evenwel niets afdoet.

Het bovenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de gemeente af;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.H.M. Verhoeven, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2010, in aanwezigheid van de griffier.

conc:Mve

Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.