Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL9411

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
665278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft een vordering op X.

Eiseres heeft derdenbeslag laten leggen betreffende de periodieke betaling van het loon van X, de geëxecuteerde, bij gedaagde, de werkgever van de X.

Het proces-verbaal van executoriaal derdenbeslag is op 25 augustus 2009 aan gedaagde betekend.

Gedaagde stelt dat zij op 5 juli 2009 een lening ten bedrage van € 5000,- aan X heeft verstrekt, onder de voorwaarde dat een bedrag van € 150,- per maand wordt afgelost. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat zij de maandelijkse aflossing mag verrekenen met het aan X uit te betalen loon.

Indien de stellingen van gedaagde juist zijn, heeft te gelden dat de vordering van gedaagde op X vóór de beslaglegging is ontstaan en dat de door X verschuldigde periodieke betalingen van € 150,- maandelijks opeisbaar zijn tegelijk met het maandelijks door gedaagde aan X verschuldigde loon. Dan moet worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de voorwaarde in artikel 6:130 lid 1 jo. lid 2 BW dat de vordering van de schuldenaar vóór de beslaglegging aan hem is opgekomen en opeisbaar is geworden. Dat is in overeenstemming met de in het kader van het derdenbeslag te hanteren uitgangspunten dat de derde-beslagene als gevolg van het derdenbeslag niet in een slechtere positie mag komen dan waarin hij stond tegenover de geëxecuteerde, en dat de derde-beslagene aan de beslaglegger in beginsel niet meer verschuldigd is dan wat hij aan de geëxecuteerde verschuldigd is.

Gedaagde mag in dat geval verrekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie 's-Hertogenbosch

Zaaknummer : 665278

Rolnummer : 09-12432

Uitspraak : 25 februari 2010

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Breda,

zetelende te Breda,

eiseres,

gemachtigde: gerechtsdeurwaarders W.C.J. Rosmalen, M.G.H. Langes en W.A. Mies,

t e g e n :

de besloten vennootschap [V] B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

procederend bij monde van O. Kaya en de heer J.G.Th.H. Rief, haar gemachtigde van V&R Accountancy.

Partijen zullen verder worden aangeduid als 'de Gemeente Breda' en '[V]'.

1. De procedure

De Gemeente Breda heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. [V] is in rechte verschenen en heeft een conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft plaatsgevonden op 10 februari 2010. Van de zijde van de Gemeente Breda is ter zitting een pleitnota voorgedragen. Daarna is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. De Gemeente Breda vordert [V] te veroordelen tot het afleggen van een gerechtelijke verklaring en tot betaling van de sommen die aan executant dienen toe te komen, te vermeerderen met kosten als vermeld in de dagvaarding.

De Gemeente Breda legt daaraan het volgende ten grondslag.

Op 8 juli 1998 heeft de Kantonrechter te Breda een beschikking gegeven en op 8 mei 2000 heeft de Commissie Sociale zekerheid te Breda een beschikking gegeven, beide ten laste van [X]. Op 19 juni 2009 is door de gemachtigde van de Gemeente Breda informatie opgevraagd aan [V] inzake de tenuitvoerlegging van de in executoriale vorm uitgegeven grossen van de voormelde beschikkingen. [V] heeft geen gevolg gegeven aan het verzoek tot verstrekken van de gevraagde informatie, waarna op 7 juli 2009 een herhaald verzoek is verzonden om de informatie te verstrekken. Op 16 juli 2009 heeft gemachtigde van de Gemeente Breda de gevraagde informatie van [V] ontvangen. Op 16 augustus 2009 heeft de gemachtigde van [V] door de Gemeente Breda gevraagde aanvullende informatie verstrekt aan de gemachtigde van de Gemeente Breda. Daaruit is gebleken dat er maandelijks een bedrag van € 150,- wordt ingehouden op het salaris van [X] inzake de door [V] aan haar verstrekte lening waarvan de restantschuld op 16 augustus 2009 € 5.000,- bedroeg. Uit de bijgevoegde salarisstroken blijkt niet dat er middels inhouding op het salaris van [X] een verrekening wordt toegepast door [V]. Derhalve is op 25 augustus 2009 een proces-verbaal executoriaal derdenbeslag betekend aan [V] op verzoek van de Gemeente Breda en ten laste van [X]. [V] heeft, ondanks sommatie, geen gevolg gegeven aan de op haar volgens de wet rustende verplichting tot uitbetaling van de verschuldigde sommen waarvoor het beslag is gelegd, zoals bepaald in artikel 477 lid 2 Rv.

Op 4 oktober 2009 heeft de gemachtigde van [V] de derdenverklaring aan de gemachtigde van de Gemeente Breda doen toekomen. Uit de ingevulde derdenverklaring blijkt dat [X] een nettosalaris ontvangt ad € 960,- per maand waarop maandelijks een bedrag ad € 150,- wordt ingehouden, zodat een nettosalaris ad € 810,- aan [X] wordt overgemaakt door [V]. Op grond van artikel 6:130 lid 1 juncto lid 2 BW mag evenwel geen verrekening worden toegepast.

2.2. [V] heeft, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd.

De ingestelde vordering wordt betwist.

[V] heeft de salarisspecificaties over de maanden mei, juni en juli 2009 aan de Gemeente Breda toegezonden. Een inhouding op het salaris blijkt daar niet uit, aangezien de aan [X] verstrekte lening dateert van 5 juli 2009. In de overeenkomst werd vastgelegd dat de eerste maandelijkse aflossing ad € 150,- voor het eerst op de salarisbetaling van augustus 2009 zou worden ingehouden.

[V] mag haar vordering op [X] wel degelijk verrekenen. Uitsluitend en alleen omdat er sprake is van een arbeidsverhouding met [X] heeft [V] haar het bedrag in lening verstrekt. De rechtsverhouding (de arbeidsovereenkomst) is voor [V] de zekerheid dat de lening zal worden terugbetaald, en daarom ook de voorwaarde voor de geldlening.

2.3. Hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd zal, indien en voor zover relevant, in het navolgende aan de orde komen.

3. De beoordeling

3.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in het geding gebrachte producties, voor zover de inhoud daarvan niet is weersproken, staat tussen partijen het navolgende vast.

Op 8 juli 1998 heeft de Kantonrechter te Breda een beschikking gegeven en op 8 mei 2000 heeft de Commissie Sociale zekerheid te Breda een beschikking gegeven, beide ten laste van [X]. Door de gemachtigde van de Gemeente Breda is informatie opgevraagd aan [V] inzake de tenuitvoerlegging van de in executoriale vorm uitgegeven grossen van de voormelde beschikkingen. Op 16 juli 2009 heeft gemachtigde van de Gemeente Breda informatie van [V] ontvangen.

Op 25 augustus 2009 is een proces-verbaal executoriaal derdenbeslag betekend aan [V] op verzoek van de Gemeente Breda en ten laste van [X].

Op 4 oktober 2009 heeft de gemachtigde van [V] de derdenverklaring aan de gemachtigde van de Gemeente Breda doen toekomen. Uit de ingevulde derdenverklaring blijkt dat [X] een nettosalaris ontvangt ad € 960,- per maand waarop maandelijks een bedrag ad € 150,- wordt ingehouden, zodat een nettosalaris ad € 810,- aan [X] wordt overgemaakt door [V].

De beslagvrije voet bedraagt voor [X] € 864,- per maand.

3.2. Ingevolge artikel 6:130 lid 1 jo. lid 2 BW is de schuldenaar, in casu [V], bevoegd tot verrekening, mits de vordering die [V] op [X] heeft, voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding die de vordering van [X] op [V] beheerst, of mits de vordering van [V] op [X] reeds vóór de beslaglegging aan [V] is opgekomen en opeisbaar is geworden.

3.3. [V] heeft gesteld dat zij op 5 juli 2009 een lening ten bedrage van € 5.000,- aan [X] heeft verstrekt, onder de voorwaarde dat een bedrag van € 150,- per maand wordt afgelost en dat de eerste aflossing ad € 150,- op de salarisbetaling van augustus 2009 zou worden ingehouden. Dit is ook vermeld in de derdenverklaring d.d. 4 oktober 2009.

Het proces-verbaal van het executoriaal derdenbeslag dateert van 25 augustus 2009. Het derdenbeslag betreft de periodieke betaling van het loon van [X].

Indien voormelde stellingen van [V] juist zijn, heeft te gelden dat de vordering van [V] op [X] vóór de beslaglegging is ontstaan en dat de door [X] verschuldigde periodieke betalingen van € 150,- maandelijks opeisbaar zijn tegelijk met het maandelijks door [V] aan haar verschuldigde loon. Dan moet worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de voorwaarde in artikel 6:130 lid 1 jo. lid 2 BW dat de vordering van de schuldenaar vóór de beslaglegging aan hem is opgekomen en opeisbaar is geworden. Dat is in overeenstemming met de in het kader van derdenbeslag te hanteren uitgangspunten dat de derde-beslagene als gevolg van het derdenbeslag niet in een slechtere positie mag komen dan waarin hij stond tegenover de geëxecuteerde, en dat de derde-beslagene aan de beslaglegger in beginsel niet meer verschuldigd is dan wat hij aan de geëxecuteerde verschuldigd is.

3.4. Nu de Gemeente Breda (impliciet) heeft weersproken dat [V] en [X] een overeenkomst van geldlening als gesteld hebben gesloten en dat vanaf de maand augustus 2009 maandelijks een inhouding van € 150,- op het nettoloon van [X] plaatsvindt, zal [V] daarvan bewijs hebben te leveren. In dat verband dient [V] de volgende stukken in het geding te brengen:

- (een kopie van) de akte van de betreffende overeenkomst;

- loonspecificaties van de maanden augustus 2009 tot en met januari 2010;

- betalingsbewijzen van het loon die op deze maanden betrekking hebben.

De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol. De Gemeente Breda zal daarna de gelegenheid krijgen daarop te reageren.

3.5. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 18 maart 2010 voor het overleggen van stukken aan de zijde van [V] als hiervoor bedoeld onder 3.4.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. J.H. Wiggers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 februari 2010.