Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL9316

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
AWB 09-830
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de verklaringen van de collega’s ziet de rechtbank voldoende rechtvaardiging voor de op non-actiefstelling van eiser. De gestelde nadelige gevolgen van de op non-actiefstelling voor eiser zijn niet onevenredig in verhouding met het door de op non-actiefstelling te dienen doel, te weten dat een onafhankelijke commissie ongestoord onderzoek kan verrichten naar de situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/830

Uitspraak van de meervoudige kamer van 18 maart 2010

inzake

[adres]

te [adres]

eiser,

gemachtigde [gemachtigde]

tegen

het college van bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2005 heeft verweerder eiser meegedeeld hem op grond van artikel 6.15, eerste lid, onder c, van de CAO Nederlandse Universiteiten 2004-2005 per 12 oktober 2005 op non-actief te stellen in het belang van de dienst voor de duur van het onderzoek en ten hoogste drie maanden, behoudens de mogelijkheid van verlenging indien het onderzoek nog niet is afgerond.

Eiser heeft tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorzieningen te treffen (bij de rechtbank ingeschreven onder AWB 05/3532). De voorzieningenrechter heeft dat verzoek afgewezen bij uitspraak van 29 december 2005.

Bij besluit van 5 januari 2006 heeft verweerder meegedeeld dat de op non-actiefstelling van eiser met ingang van 12 januari 2006 wordt verlengd met een periode van drie maanden, behoudens de mogelijkheid van verlenging indien het onderzoek na afloop van deze periode niet zou zijn afgerond.

Ook tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Eisers bezwaren zijn door verweerder bij besluit van 4 september 2007 niet-ontvankelijk verklaard.

Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep (bij de rechtbank ingeschreven onder AWB 07/3389) heeft de rechtbank bij uitspraak van 5 augustus 2008 gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 4 september 2007 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen.

Bij besluit van 9 februari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 7 oktober 2005 en 5 januari 2006 opnieuw ongegrond verklaard.

Eiser heeft vervolgens opnieuw beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is behandeld op de zitting van 25 januari 2010. Eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [mede gemachtigde].

Overwegingen

1. In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om eiser met ingang van 12 oktober 2005 op non-actief te stellen en deze op non-actiefstelling met ingang van 12 januari 2006 te verlengen voor de duur van drie maanden.

2. Eiser, geboren op [geboortedatum], is van 1 mei 1985 tot 1 maart 2008 als hoogleraar verbonden geweest aan de Technische Universiteit Eindhoven (hierna: TU/e).

3. Verweerder heeft schriftelijke verklaringen van vier hoogleraren ontvangen waarin een negatief beeld wordt geschetst van eisers functioneren. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder eiser met ingang van 12 oktober 2005 op non-actief gesteld in het belang van de dienst, omdat hij een onderzoek naar de juistheid van de schriftelijke verklaringen een dringend dienstbelang acht. Uit de verklaringen blijkt dat de samenwerking met eiser als zeer negatief wordt ervaren en er reële gevaren zijn voor de samenwerking van de TU/e met diverse andere - waaronder externe - partijen. De inhoud van de verklaringen zijn voor verweerder aanleiding geweest het onderzoek buiten eisers aanwezigheid uit te willen voeren, ook omdat zich in het verleden vaker conflicten met en rond eiser hebben afgespeeld. De op non-actiefstelling werd gekoppeld aan de duur van het onderzoek.

4. Met ingang van 17 februari 2006 is eiser op zijn verzoek begonnen met het opnemen van zijn (overschot aan) verlofuren. Vanaf dat moment heeft eiser feitelijk geen werkzaamheden meer verricht voor de TU/e.

5. Op 1 november 2006 heeft de door verweerder ingestelde onafhankelijke commissie onder leiding van [adviseur] verweerder geadviseerd het dienstverband met eiser te beëindigen wegens grondige verstoring van de werkrelatie, waarvan geen herstel is te verwachten of redelijkerwijs denkbaar is.

6. Per 1 maart 2008 is het dienstverband van eiser beëindigd in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

7. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de maatregel van de op non-actiefstelling terecht en op goede gronden is genomen. Verweerder heeft naar zijn oordeel zorgvuldig en proportioneel gehandeld, nu eiser, gedurende zijn schorsing, de gelegenheid werd gegeven te kunnen blijven voldoen aan dringende verplichtingen uit hoofde van zijn functie. Verweerder heeft eiser de mogelijkheid geboden dergelijke werkzaamheden voor toestemming voor te leggen. Eiser heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Van enige schade die eiser geleden zou hebben is verweerder niets gebleken.

8. Eiser heeft tegen het besluit aangevoerd dat verweerder de op non-actiefstelling oneigenlijk heeft gebruikt. Verweerder heeft, ongeacht de wijze waarop, willen bereiken dat eiser zijn werkzaamheden voor de TU/e niet zou voortzetten. Eiser is van mening dat zijn op non-actiefstelling onderdeel uitmaakt van een vooropgezet plan van verweerder om zich van eiser te ontdoen zodra de subsidie ten behoeve van onderzoek veilig was gesteld. Volgens eiser is sprake van détournement de pouvoir. Subsidiair is eiser van mening dat het zorgvuldigheidsbeginsel en/of het motiveringsbeginsel is geschonden. Verweerder heeft een onjuiste afweging van belangen gemaakt. De verklaringen van collega hoogleraren hebben betrekking op eisers functioneren (in het verleden) in de rol van capaciteitsgroepvoorzitter. Eiser was ten tijde van de schorsing geen capaciteitsgroepvoorzitter meer, maar uitsluitend hoogleraar. Op zijn functioneren als hoogleraar valt niets aan te merken. Eiser stelt schade te hebben ondervonden van zijn op non-actiefstelling, omdat hij daardoor niet aan zijn internationale verplichting heeft kunnen voldoen. Daar er geen grondslag was voor de op non-actiefstelling was er ook geen grondslag voor de verlenging.

Ter zitting heeft eiser zijn beroep aangevuld en verzocht om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzocht is het onderzoek te heropenen in verband met een schadestaatprocedure.

9. De rechtbank overweegt als volgt.

10. Zoals de voorzieningenrechter reeds heeft geoordeeld in de uitspraak van 29 december 2005 is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de ordemaatregel op non-actiefstelling niet beslissend of de juistheid van de gegevens, die daartoe aanleiding hebben gegeven, onbetwist vaststaat. Beslissend is of die gegevens - voor zover niet kennelijk onjuist - van dien aard en ernst zijn, dat daaraan redelijkerwijs de conclusie kon worden verbonden, dat de ambtenaar niet kon worden gehandhaafd in zijn functie.

11. Ook de rechtbank ziet in de verklaringen van [getuige], [getuige], [getuige] en [getuige] voldoende rechtvaardiging voor de op non-actiefstelling van eiser. Uit deze verklaringen blijkt dat genoemde collega hoogleraren unaniem van mening zijn dat eiser door zijn doen en laten grote schade toebrengt aan het aanzien van de TU/e en haar personeel. In het op 1 november 2006 uitgebrachte rapport van de commissie Van Alphen wordt dat beeld bevestigd.

12. De gestelde nadelige gevolgen van de op non-actiefstelling voor eiser zijn niet onevenredig in verhouding met het door de op non-actiefstelling te dienen doel, te weten dat een onafhankelijke commissie ongestoord onderzoek kan verrichten naar de situatie binnen de capaciteitsgroep van eiser zowel op het terrein van het personeel als op het terrein van de samenwerking binnen de faculteit.

13. Daarbij weegt mee dat verweerder direct heeft toegezegd om zoveel mogelijk mee te zullen werken aan verzoeken van eiser om gedurende zijn op non-actiefstelling verplichtingen uit hoofde van zijn functie binnen of buiten de TU/e te mogen verrichten. Dat eiser verweerder nimmer hierom heeft verzocht doet niet af aan de door verweerder betrachte zorgvuldigheid.

14. Niet gezegd kan worden dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid eiser op non-actief te stellen. Eisers stelling dat sprake is van schending van het beginsel van détournement de pouvoir slaagt niet. De rechtbank heeft geen aanwijzingen gevonden waaruit geconcludeerd kan worden dat sprake was van een vooropgezet plan, zoals door eiser is gesteld. De datum van de op non- actiefstelling is min of meer toevallig gekozen. De periode van de op non-actiefstelling is gekoppeld aan de duur van het onderzoek. Daarbij komt dat verweerder eiser heeft gevraagd of hij een derde lid voor de onafhankelijke onderzoekscommissie wilde voordragen. Door het uitblijven van een voordracht van de kant van eiser is de onderzoekscommissie (veel) later van start kunnen gaan, waardoor een verlenging van de op non-actiefstelling noodzakelijk was.

15. Gezien het hiervoor overwogene oordeelt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen eiser op non-actief te stellen en deze op non-actiefstelling te verlengen. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Gelet hierop zal eisers verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb worden afgewezen.

16. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat de proceskosten of het griffierecht moeten worden vergoed.

17. De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het schadevergoedingsverzoek af.

Aldus gedaan door mr. J.H.L.M. Snijders als voorzitter en mr. B.A.J. Zijlstra en

mr. I. Ravenschlag als leden in tegenwoordigheid van E.H.J.M.T. van der Steen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: