Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL9298

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
Awb 07 / 3797
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belastingzaak. Wet WOZ. Huurwaardekapitalisatie. Met zittende huurder is nieuwe huurperiode overeengekomen. Geen reden om aan te nemen dat nieuw overeengekomen huurprijs niet marktconform is. Tegenover de door verweerder in dit verband geuite veronderstelling dat een verhuurder met een lagere huurprijs genoegen zal willen nemen om de bestaande relatie met de zittende huurder voort te zetten en zodoende geen nieuwe huurder te hoeven zoeken, kan immers met evenveel recht worden gesteld de veronderstelling dat een zittende huurder bereid zal zijn een hogere huurprijs te accepteren om te vermijden dat hij elders bedrijfsruimte zal moeten zoeken. De kapitalisatiefactor dient bij voorkeur te worden berekend aan de hand van een vergelijking met objecten waarvan zowel een rond de waardepeildatum gerealiseerde huurprijs als een verkoopprijs bekend is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0842
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/3797

Uitspraakdatum: 4 maart 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de erven van [eisers] eisers,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [het bedrijfspand], per waardepeildatum 1 januari 2005, voor het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 vastgesteld op € 1.274.000. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelasting 2007 bekendgemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 oktober 2007 de waarde van het bedrijfspand verlaagd tot € 744.000 en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd.

Eisers hebben daartegen bij brief van 9 november 2007, ontvangen bij de rechtbank op 13 november 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is, tegelijkertijd met het beroep inzake AWB 08/3139, behandeld ter zitting van 16 december 2009. Eisers zijn daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [taxateur]

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eisers zijn (bloot)eigenaar van het bedrijfspand. Het bedrijfspand is gelegen op het [bedrijventerrein] te Eindhoven. De totale perceelsoppervlakte bedraagt 1.906 m². Het bedrijfspand is tot november 2007 v[verfindustrie]rd aan [verfind[verfindustrie]e] Het huurcontract is in 1987 afgesloten tussen [verfindustrie] en de voormalig eigenaar van het bedrijfspand. [eiser] heeft het bedrijfspand in 1989 gekocht. De jaarhuur per 1 januari 2005 bedroeg € 53.245.

3. Geschil

In geschil is de waarde van het bedrijfspand op de waardepeildatum 1 januari 2005.

Eisers bepleiten een waarde van € 559.072, zijnde de jaarhuur per 1 januari 2005 (€ 53.245), vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor van 10,5.

Verweerder verdedigt in beroep een waarde van € 725.000. Verweerder heeft daartoe onder meer verwezen naar een door hem overgelegd taxatierapport, opgemaakt op 10 januari 2008, door [WOZ-taxateur]. Naast gegevens van het bedrijfspand bevat dit taxatierapport gegevens van[adres]ho[adres]kingsobjecten: [adressen]

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ wordt de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde voor niet-woningen onder meer bepaald door middel van een methode van kapitalisatie van de bruto huur en door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten.

De bewijslast inzake de juistheid van de aan het bedrijfspand toegekende waarde ligt bij verweerder.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift nader op het standpunt gesteld dat de waarde moet worden vastgesteld op € 725.000, conform het taxatierapport van taxateur [taxateur]. Omdat deze waarde lager is dan de waarde die in de uitspraak op bezwaar is vastgesteld, dient het beroep reeds hierom gegrond te worden verklaard. De uitspraak op bezwaar dient derhalve te worden vernietigd. De rechtbank dient verder te beoordelen of verweerder de waarde van € 725.000 aannemelijk heeft gemaakt.

Uit het taxatierapport komt naar voren dat de waarde is bepaald met toepassing van de methode van kapitalisatie van de huurwaarde. Daarbij is uitgegaan van een bruto jaarhuur van in totaal € 63.600. Deze huurwaarde is vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor van 11,4.

De rechtbank stelt voorop dat, indien met betrekking tot een te waarderen object op of rond de waardepeildatum een huurprijs is overeengekomen die als marktconform kan worden aangemerkt, het in de rede ligt die huurprijs bij toepassing van de huurwaardekapitalisatiemethode tot uitgangspunt te nemen. Een huurprijs kan als marktcomform worden aangemerkt, indien deze geacht kan worden op zakelijke gronden tot stand te zijn gekomen.

Uit de gedingstukken komt naar voren dat in november 2002 met [verfindustrie] een nieuwe huurperiode is overeengekomen en dat in verband daarmee een huurprijsaanpassing heeft plaatsgevonden. De (geïndexeerde) huurprijs per 1 januari 2005 bedroeg als gevolg van die huurprijsaanpassing € 53.245. Anders dan door verweerder ter zitting is betoogd, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de bij de nieuwe huurperiode overeengekomen huurprijs niet als een marktconforme huurprijs voor het bedrijfspand kan worden aangemerkt. Tegenover de door verweerder in dit verband geuite veronderstelling dat een verhuurder met een lagere huurprijs genoegen zal willen nemen om de bestaande relatie met de zittende huurder voort te zetten en zodoende geen nieuwe huurder te hoeven zoeken, kan immers met evenveel recht worden gesteld de veronderstelling dat een zittende huurder bereid zal zijn een hogere huurprijs te accepteren om te vermijden dat hij elders bedrijfsruimte zal moeten zoeken. Ook de omstandigheid dat eisers na het beëindigen in 2007 van de huurovereenkomst met [verfindustrie] het bedrijfspand te huur hebben aangeboden voor een huurprijs van € 65.000 per jaar, acht de rechtbank in dit verband niet relevant, reeds omdat niet is gebleken dat de gevraagde huurprijs ook daadwerkelijk is gerealiseerd.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de door eisers voorgestane huurprijs van € 53.245 per jaar als basis kan worden genomen voor de berekening van de waarde van het bedrijfspand. Daarbij is in aanmerking genomen dat de datum waarop de nieuwe huurperiode is aangegaan niet zodanig ver van de waardepeildatum is gelegen, dat aan de daarbij overeengekomen huurprijs bij de waardebepaling geen betekenis meer kan worden gehecht.

Tussen partijen is voorts in geschil de te hanteren kapitalisatiefactor. De door verweerder bepleite factor van 11,4 is volgens het taxatierapport van taxateur [taxateur] vastgesteld op basis van een analyse van verkoop- en huurtransacties van bedrijfspanden in de omgeving van het te taxeren object, rekening houdend met relevante verschillen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de kapitalisatiefactor bij voorkeur te worden berekend aan de hand van een vergelijking met objecten waarvan zowel een rond de waardepeildatum gerealiseerde huurprijs als een verkoopprijs bekend is. De kapitalisatiefactor komt dan tot uitdrukking in het quotiënt van de verkoopprijs en de jaarhuur.

Uit het taxatierapport komt naar voren dat van geen van de drie vergelijkingsobjecten zowel een huurprijs als een verkoopprijs [adres]n de objecten [adressen] zijn in het taxatierapport slechts verkoopprijzen vermeld en van het object [adres] slechts een huurprijs. Het rapport biedt verder geen inzicht in de wijze waarop, op grond van deze gegevens, tot de gehanteerde kapitalisatiefactor van 11,4 is gekomen. Een en ander klemt te meer nu ter zitting is gebleken dat van het object [adres] naast de op 1 augustus 2005 gerealiseerde verkoopprijs van € 524.000 tevens een op diezelfde datum overeengekomen huurprijs van € 49.656 per jaar bekend is. Door verweerder is erkend dat ook dit laatste gegeven bij de taxatie had moeten worden betrokken. Op basis van beide bedragen kan een kapitalisatiefactor van ongeveer 10,5 worden berekend. Nu een aldus berekende kapitalisatiefactor, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in beginsel de voorkeur verdient boven een andere methode en het taxatierapport van taxateur [taxateur] onvoldoende inzicht biedt in de wijze waarop de gehanteerde factor van 11,4 tot stand is gekomen, ligt het naar het oordeel van de rechtbank in de rede uit te gaan van een kapitalisatiefactor van 10,5. Vermenigvuldigd met de huurprijs van € 53.245 levert dit de door eisers bepleite waarde op van het bedrijfspand van € 559.072. Het gelijk is derhalve aan de zijde van eisers.

De rechtbank ziet, gelet op het vorenoverwogene, aanleiding om ter finale beslechting van het onderhavige geschil met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf te voorzien in de zaak en de waarde van het bedrijfspand per waardepeildatum 1 januari 2005 vast te stellen op € 559.072. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig wordt verminderd.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eisers kosten hebben gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de vastgestelde waarde tot € 559.072;

- vermindert de aanslag onroerendezaakbelasting tot een bedrag, berekend naar een waarde van € 559.072;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 39,00 vergoedt.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield, voorzitter, mr. D.J. de Lange en mr. L.C. Michon, leden, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2010.

De griffier is buiten staat de uitspraak

mede te ondertekenen.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201CZ te ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.