Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL8285

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
668052
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst. Vertrouwensbreuk. Partijen hebben onderhandeld over beëindigingsregeling na ontslag op staande voet en hadden overeenstemming over de datum waartegen de arbeidsovereenkomst zou eindigen. Definitieve overeenstemming is niet bereikt omdat partijen een bedrag van € 518,70 aan met het loon te verrekenen kosten van elkaar verwijderd waren. Op grond hiervan wordt aangenomen dat beide partijen van oordeel waren dat de verstoring van de arbeidsverhouding zodanig was dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de rede lag. In verband daarmee toewijzing van het verzoek en voorwaardelijke ontbinding per 1 februari 2010. Nu de beëindigingsdatum in het kader van de beëindigingsregeling op 1 juli 2009 was gesteld en de werknemer bij vernietiging van het ontslag op staande voet tot 1 februari 2010 aanspraak zal kunnen maken op doorbetaling van loon en ook de werknemer heeft bijgedragen aan de verstoring van de arbeidsverhouding, wordt hem geen ontbindingsvergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie 's-Hertogenbosch

Zaaknummer : 668052

EJ verz. : 09-6225

Uitspraak : 29 januari 2010

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

General Industrial Services B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

verzoekster,

gemachtigde: mr. E.J.L. Mulderink,

t e g e n :

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. A.W. Braam.

Partijen worden hierna aangeduid als "GIS" en "[verweerder]".

1. De procedure

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank, sector kanton, locatie

's-Hertogenbosch, op 31 december 2009, heeft GIS verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voorwaardelijk, namelijk voor het geval deze niet reeds eerder is geëindigd, te ontbinden.

Zijdens [verweerder] is een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 januari 2010, bij welke gelegenheid partijen de zaak hebben doen bepleiten door hun gemachtigden voornoemd. GIS heeft ter terechtzitting nog producties in het geding gebracht. Na gevoerd debat is de beschikking bepaald op heden.

2. Inleiding

2.1. [verweerder] is op 1 mei 2007 in dienst getreden van GIS, en was laatstelijk werkzaam als monteur tegen een bruto salaris (exclusief vakantiegeld) van € 2.558,01 per maand. [verweerder] is thans 28 jaar oud.

2.2. GIS grondt het verzoek op de stelling dat er gewichtige redenen zijn om de arbeidsovereenkomst, voor het geval deze blijkt nog niet te zijn geëindigd, te ontbinden, bestaande in omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677, lid 1 BW zouden opleveren, althans in veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst (in dat geval) billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

2.3. Ter toelichting op deze stellingname heeft GIS, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.

GIS heeft [verweerder] op 13 mei 2009 op staande voet ontslagen. Dit ontslag vindt zijn grondslag in het ondanks drie officiële waarschuwingen wederom schuldig maken aan het in grove mate veronachtzamen van zijn verplichtingen als werknemer. Belangrijk daarbij was dat keer op keer [verweerder] te laat op zijn werk kwam, dan wel bij klanten verscheen, bij bepaalde werken te vroeg vertrok of bewust foutief weeklijsten invulde. Indien en voor zover het ontslag op staande voet geen stand zou kunnen houden, acht GIS de relatie tussen partijen inmiddels zodanig verstoord dat een verdere voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet langer gevergd kan worden. Dit nog daargelaten dat [verweerder] door zelf een onderneming te zijn gestart niet eens feitelijk en praktisch in staat is om zijn activiteiten ten behoeve van GIS te verrichten. Het vertrouwen in [verweerder] is in ieder geval bij GIS volledig komen te vervallen.

2.4. [verweerder] heeft tegen het verzoek, kort weergegeven, het navolgende tot verweer aangevoerd.

Er was wel iets op het werk van [verweerder] aan te merken, maar deze kritiek steeg niet uit boven het signaleren van kleinere tekortkomingen die wel een beperkte sanctie zouden rechtvaardigen, maar zeker niet het ultieme middel van een ontslag op staande voet. Omdat GIS geen gebruik maakte van de beschikbaarheid van [verweerder] was hij gedwongen om op persoonlijke titel werk aan te nemen en uit te voeren. Dit was van marginale omvang en van zeer eenvoudige aard. [verweerder] is niet voornemens om voor zichzelf als ZZP-er te beginnen. Het ontslag op staande voet heeft de verhouding tussen partijen op scherp gezet maar voor [verweerder] is het geen enkel probleem om vandaag zijn werkzaamheden voor GIS te hervatten. GIS heeft [verweerder] ten onrechte op staande voet ontslagen en het is daarom niet aan haar om de vertrouwenskwestie te stellen. Als professionele werkgever mag van GIS worden verwacht dat zij op constructieve basis met [verweerder] verder gaat. Mocht de arbeidsovereenkomst worden ontbonden dan maakt [verweerder] aanspraak op een vergoeding van drie maandsalarissen.

3. De beoordeling

3.1. Gesteld noch gebleken is dat het verzoek verband houdt met een van de opzegverboden van artikel 7:647, 648, 670 en 670a BW of met enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

3.2.1. GIS heeft de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op 13 mei 2009 onverwijld opgezegd uit hoofde van een dringende reden. Voor zover er daadwerkelijk sprake zou zijn geweest van een dringende reden, is de overeenkomst door de opzegging reeds op die grond geëindigd. In deze voorwaardelijke ontbindingsprocedure behoeft derhalve niet beoordeeld te worden of de door GIS gestelde feiten en omstandigheden, die zowel aan de onverwijlde opzegging als aan het ontbindingsverzoek op grond van de dringende reden ten grondslag zijn gelegd, een dringende reden opleveren.

3.2.2. Volgens GIS heeft [verweerder] zich ondanks drie officiële waarschuwingen wederom schuldig gemaakt aan het in grove mate veronachtzamen van zijn verplichtingen als werknemer. Volgens GIS is daardoor de relatie tussen partijen zodanig verstoord dat een verdere voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet langer gevergd kan worden. Het vertrouwen in [verweerder] is bij GIS komen te ontvallen, zo heeft GIS gesteld. [verweerder] heeft erkend dat er wel iets op zijn werk aan te merken was dat een beperkte sanctie, niet ontslag op staande voet, zou rechtvaardigen. Gegeven de kritiek van GIS op [verweerder] en de opvatting van [verweerder] dat hetgeen er op zijn werk aan te merken was, wel een sanctie rechtvaardigde, kan er van worden uitgegaan dat [verweerder] zich niet steeds aan zijn verplichtingen als werknemer heeft gehouden en dat daardoor, mede gezien het feit dat [verweerder] onweersproken zijn werkzaamheden met een grote mate van zelfstandigheid diende uit te voeren, het vertrouwen in hem is komen te ontbreken. Voort is aannemelijk dat beide partijen van oordeel waren dat de hierdoor ontstane verstoring van de arbeidsverhouding zodanig was dat een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de rede lag. Partijen hebben immers niet alleen getracht om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in der minne te komen maar hadden daadwerkelijk overeenstemming over de beëindiging per 1 juli 2009. Uit de door partijen in het geding gebrachte stukken dienaangaande en hetgeen partijen daaromtrent hebben gesteld blijkt dat er enkel geen definitieve overeenstemming is bereikt omdat GIS een bedrag van € 1.018,70 aan kosten wenste te verrekenen met aan [verweerder] toekomend salaris terwijl [verweerder] enkel akkoord wilde gaan met verrekening van een bedrag van € 500,-.

De arbeidsovereenkomst zal daarom, voor zover in rechte zou komen vast te staan dat deze nog bestaat, worden ontbonden met ingang van 1 februari 2010.

3.3. [verweerder] heeft verzocht om toekenning van een vergoeding ter hoogte van drie maandsalarissen in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Zoals hiervoor al is overwogen bestond er tussen partijen nagenoeg overeenstemming over beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2009. Definitieve overeenstemming tussen partijen zou hebben meegebracht dat [verweerder] met zijn instemming vanaf 1 juli 2009 tegenover GIS geen aanspraak op loonbetaling meer zou hebben gehad. Indien in rechte zou komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat, kan [verweerder] aanspraak maken op zijn loon over de periode van 14 mei 2009 tot de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, 1 februari 2010. Onder deze omstandigheden en in aanmerking nemende dat [verweerder] er ook zelf aan heeft bijgedragen dat de arbeidsverhouding tussen partijen verstoord is geraakt, ziet de kantonrechter geen aanleiding voor toekenning van een vergoeding naar billijkheid.

3.4. De kantonrechter acht termen aanwezig de proceskosten te compenseren.

4. De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk, namelijk voor het geval in rechte onherroepelijk komt vast te staan dat deze nog niet is geëindigd, met ingang van 1 februari 2010;

compenseert de proceskosten zo, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2010 door

mr. E.J.C. Adang, kantonrechter te 's-Hertogenbosch, in tegenwoordigheid van de griffier.