Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL6660

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
AWB 08-4520
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerders besluit houdt in dat de WGA-uitkering over (ongeveer) drie jaar wordt beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit besluit in strijd met de zorgvuldigheidsjurisprudentie van de CRvB. Uit deze jurisprudentie volgt dat sprake is van een onvoldoende zorgvuldig onderzoek indien tussen het medisch onderzoek en de uiteindelijke datum waarop de schatting betrekking heeft, te veel tijd is verstreken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 17 april 2007, LJN: BA3278 waarin een tijdspanne van 14 maanden te lang werd geacht).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/4520

Uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2010

inzake

[eiser],

te Eindhoven,

eiser,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

[gemachtigde], werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2008 heeft verweerder de uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijke arbeidsgeschikten (WGA) van eiser ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 7 juni 2011 beëindigd.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 november 2008 ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van 3 december 2009, waar eiser is verschenen in persoon. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het onderzoek heropend en met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, van de Awb de zaak doorverwezen naar een meervoudige kamer.

De behandeling van het beroep ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 15 januari 2010, waar eiser is verschenen, vergezeld van zijn zoon. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser met ingang van 7 juni 2011 terecht en op goede gronden heeft vastgesteld op minder dan 35%.

2. Eiser was werkzaam als chef monteur voor 38 uur per week en is per 31 mei 2005 ontslagen in verband met een reorganisatie. Eiser is hierop een werkloosheidsuitkering toegekend. Op 9 juni 2005 heeft eiser zich ziek gemeld wegens pijnklachten op de borst. Bij besluit van 24 mei 2007 is eiser met ingang van 7 juni 2007 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering. In laatstbedoeld toekenningsbesluit is eiser tevens medegedeeld dat hij deze uitkering ontvangt tot 7 juni 2011 en dat hij ruim voor deze datum bericht krijgt over zijn uitkering na deze datum.

3. Blijkens de gedingstukken ligt aan het hier bestreden besluit het standpunt ten grondslag dat eisers arbeids¬ongeschiktheid in de zin van de Wet WIA vastgesteld kan worden naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% aangezien hij nog in staat wordt geacht bepaalde werkzaamheden te verrichten. In verband met het bepaalde in artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA heeft verweerder de WGA-uitkering eerst beëindigd na afloop van de loongerelateerde uitkering, te weten op 7 juni 2011.

4. Eiser kan zich niet met dit besluit verenigen en stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat verweerder zijn beperkingen heeft onderschat.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder aan zijn

medisch-arbeidskundig onderzoek uit 2008, nog daargelaten of dit onderzoek de rechterlijke toets kan doorstaan, het gevolg heeft kunnen verbinden dat de WGA-uitkering (ongeveer) drie jaar later, te weten per 7 juni 2011, wordt beëindigd.

7. In zijn algemeenheid geldt dat het verweerder vrij staat om tijdens de loongerelateerde WGA-uitkering een herbeoordeling uit te voeren en, afhankelijk van de uitkomst hiervan, een gewijzigde inkomenseis vast te stellen of een vastgestelde inkomenseis te handhaven. Deze vaststelling dan wel handhaving kunnen ter toetsing aan de bestuursrechter worden voorgelegd (vgl. rechtsoverweging 5.1.5 van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 september 2009, www.rechtspraak.nl, LJN: BJ7053 en zie (onder andere) pagina 64 van de Memorie van Toelichting 2004 – 2005, 30 034, nr. 3).

8. Vast staat dat verweerder bij het bestreden besluit niet de inkomenseis heeft bijgesteld,

maar aan zijn herbeoordeling een andere conclusie heeft verbonden, namelijk het beëindigen van de WGA-uitkering, en wel met ingang van 7 juni 2011. Hoewel, blijkens artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA, voor verweerder de mogelijkheid bestaat om de WGA-uitkering te beëindigen vanaf de dag waarop de loongerelateerde uitkering eindigt, geldt hierbij naar het oordeel van de rechtbank wel de restrictie dat dit besluit niet te allen tijde kan worden genomen. Daarbij wijst de rechtbank op zorgvuldigheidsvereisten zoals die blijken uit vaste jurisprudentie van de CRvB. Uit deze jurisprudentie volgt dat sprake is van een onvoldoende zorgvuldig onderzoek indien tussen het medisch onderzoek en de uiteindelijke datum waarop de schatting betrekking heeft, te veel tijd is verstreken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 17 april 2007, LJN: BA3278 waarin een tijdspanne van 14 maanden te lang werd geacht). Deze jurisprudentie, die tot stand is gekomen in het kader van de WAO, is naar het oordeel van de rechtbank eveneens van toepassing op de Wet WIA.

9. In dit geval heeft het medisch onderzoek van de verzekeringsarts plaatsgevonden op

21 februari 2008 en het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts op 20 juni 2008. Nu de datum in geding is gelegen op 7 juni 2011 is de rechtbank van oordeel dat tussen het laatste medisch onderzoek en de datum in geding te veel tijd zit, te weten (ongeveer) drie jaar. Verweerder kan niet reeds in 2008, naar aanleiding van het onderzoek door de verzekeringsarts op 21 februari 2008 en het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts op 20 juni 2008, vaststellen welke beperkingen voor eiser gelden per 7 juni 2011. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit is gebaseerd op een onzorgvuldig onderzoek.

10. Gezien het vorenstaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste van een deugdelijke motivering. Het beroep wordt gegrond verklaard. De rechtbank acht bovendien termen aanwezig om, onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 20 maart 2008 te herroepen.

11. Ter voorlichting van eiser en ter voorkoming van ongerechtvaardigde verwachtingen merkt de rechtbank op dat de mogelijkheid bestaat dat verweerder na een nieuw (zorgvuldig) onderzoek, opnieuw besluit om de uitkering te beëindigen per 7 juni 2011. In dat kader wijst de rechtbank nog op verweerders mededeling ter zitting dat eiser tegen het einde van de loongerelateerde uitkering opnieuw zal worden beoordeeld.

12. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser, nu van professionele rechtsbijstand in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen sprake is. Wel zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00 dient te vergoeden.

13. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 20 maart 2008;

- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00;

Aldus gedaan door mr. J.Y. van de Kraats als voorzitter en mr. Y.S. Klerk en

mr. J.H.L.M. Snijders als leden in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Laro als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002,

3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: