Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL2180

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
01/839415-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BP1069, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Negen maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor (medeplegen van) opzetheling van (ruim) 2000 euro, een deel van de buit van een overval op een supermarkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839415-08

Datum uitspraak: 05 februari 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting van 20 januari 2010 en 22 januari 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 juli 2009.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 oktober 2008 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] (de bedrijfsleider van de [supermarkt]) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) eur 7000,-, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan de [supermarkt], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s):

met (deels) bedekte gezichten/hoofden de [supermarkt] supermarkt voor openingstijd is/zijn binnen gegaan en/of

- die [slachtoffer 1] een pistool (vuurwapen), althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of

- op die [slachtoffer 1] een pistool (vuurwapen), althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "Geld, geld, snel, snel" en/of die [slachtoffer 1] (vervolgens) heeft/hebben gedwongen de kluis van voornoemde supermarkt te openen en/of

- die [slachtoffer 1] (onder dreiging van dat pistool (vuurwapen), althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp) heeft/hebben gedwongen biljetten en/of muntgeld uit voornoemde kluis in een door verdachte en/of zijn mededader(s) meegebrachte tas te stoppen en/of

- vanuit de binnenzijde van een jas een dreigend gebaar/beweging heeft/hebben gemaakt in de richting van [slachtoffer 2] (chauffeur) en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Naar binnen, opschieten" en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] gedwongen heeft/hebben op de grond te gaan liggen;

(artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2008 tot en met 30 november 2008 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geldbedrag (een tas met muntgeld (in sealtjes)) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat geld wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416/417bis Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2008 tot en met 30 november 2008, te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een geldbedrag (een tas met muntgeld (in sealtjes)) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

(artikel 420bis Wetboek van Strafrecht)

([supermarkt]- [adres] - Eindhoven)

(map 11 en 12)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmotivering.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat het onder primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen en dat verdachte hiervoor dient te worden vrijgesproken.

Verdachte bekent dat hij van [medeverdachte 1] een tas met een geldbedrag van € 700,- à

€ 750,- aan muntgeld heeft ontvangen met het verzoek dit in te wisselen.1 [medeverdachte 1] heeft hem volgens verdachte verteld dat het muntgeld afkomstig was van de overval op de [supermarkt] op 1 oktober 2008. Verdachte heeft verder verklaard dat hij vervolgens eerst aan [getuige 1] heeft gevraagd het muntgeld voor hem in te wisselen voor briefgeld. Verdachte heeft de tas met het gestolen muntgeld echter weer van [getuige 1] terug ontvangen. Toen heeft verdachte het muntgeld zelf ingewisseld en vervolgens dit geld opgemaakt. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder subsidiair dan wel het onder meer subsidiair tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank betrekt bij haar oordeel het volgende.

De aangifte van [slachtoffer 1].

Als bedrijfsleider bij de [supermarkt] Eindhoven is hij op 1 oktober 2008 rond 07.10 uur naar het magazijn gegaan en zag [slachtoffer 2] (chauffeur) arriveren. [slachtoffer 2] reed zijn vrachtwagen achteruit naar achterzijde van het pand. Aangever keerde zich om en zag ineens een onbekende man met een bedekt gezicht en met een vuurwapen in zijn rechterhand. Deze man kwam naar hem toe gelopen tot een afstand van ongeveer 0,5 meter. De man riep: "geld, geld, snel, snel" en heeft dat tijdens de overval meer dan honderd keer gezegd. Aangever is met de man naar het kantoor gegaan. Daar heeft hij de kluissleutel gepakt en de kluis geopend. De man hield tijdens de overval het vuurwapen meerdere malen op hem gericht. De man heeft vervolgens een witte plastic tas gepakt en riep weer om geld. Aangever heeft papiergeld uit de kluis gepakt en in de tas van de man gedaan. De man wilde meer en riep: 'ik wil alles'. Aangever heeft vervolgens eerst alle rollen met twee euro munten en daarna de één euro munten in zijn tas gedaan. De man pakte de tas met beide armen vast om de tas te ondersteunen, liep het trapje af en het kantoor uit in de richting van de roldeur in het magazijn. Aangever is hem achterna gelopen en zag dat de chauffeur, [slachtoffer 2], op ongeveer tien meter voor hem op de grond lag en dat er bij hem een gemaskerde man stond. De beide mannen zijn vervolgens weggegaan. De mannen hebben een bedrag van ongeveer € 7.000,- weggenomen. Aangever beschrijft de dader met het wapen als ongeveer 1.75 meter lang, met een lichtgetinte huidskleur, normaal postuur, droeg een donkere broek, een zwarte gewatteerde jas tot op de heup en een rood baseball pet. Hij omschrijft het wapen als een zwart wapen iets groter dan een dienstwapen van de politie. Aangever omschrijft de tweede man als 1.80 meter lang en slungelig, droeg een zwarte trainingsbroek met aan de zijkant witte banden van de heup naar de enkels, een wit baseball pet en een donkere jas.2

De aangifte van [slachtoffer 2].

Hij doet aangifte van bedreiging met vermoedelijk een vuurwapen. Hij kwam op 1 oktober 2008 rond 07.15 uur voor de tweede keer die ochtend met zijn vrachtwagen bij de [supermarkt] in Eindhoven. Hij keek naar [slachtoffer 1] en zag toen dat er een jongeman naar binnen liep die zijn gezicht had bedekt. Toen zag hij dat een andere jongen op de laadklep van de vrachtwagen stapte, die hem zei dat hij mee moest komen. Deze jongen sprak met een Marokkaans accent. Het leek alsof hij een vuurwapen vast had en deze zou gaan trekken. De jongen liep achter hem en hield zijn rechterhand onder zijn jas. [slachtoffer 2] moest van de jongen op de grond gaan liggen en heeft dat ook gedaan. Na ongeveer anderhalf à twee minuten zag hij dat de andere jongen uit het kantoor kwam en samen met de jongen die bij hem stond via het magazijn wegging. [slachtoffer 2] geeft vervolgens de signalementen van de twee overvallers. Aangever voelde zich door de daders bedreigd.3

De verklaring van [getuige 2].

Op 1 oktober 2008 rond 07.30 uur zag hij twee mannen dicht langs de voorzijde van de [supermarkt] aan de zijde van de Karel Keizer V te Eindhoven lopen. Een van de twee trok van achter zijn hoofd iets zoals een capuchon over zijn hoofd. De mannen liepen snel naar de ingang voor het laden en lossen bij de [supermarkt]. Daar stond op dat moment ook een vrachtwagen. Minder dan vijf minuten later zag hij de twee mannen, allebei met capuchon op, vanachter de vrachtwagen hard rennen in de richting waar ze eerder vandaan kwamen. De man voorop had nu iets in zijn handen en hij draaide met zijn hand om het voorwerp alsof hij iets dicht deed. Beide mannen waren jonge jongens, beide ongeveer1.70 meter lang.4

De verklaring van [getuige 3].

Hij zag op 1 oktober 2008 rond half acht 's morgens twee jongens rennen ten hoogte van de coffeeshop. Ze kwamen uit de richting van de [supermarkt] gerend. Eén van hen hield daarbij met twee armen iets wits vast. Ze renden de Bussonilaan in. De jongens waren beiden ongeveer 1.73 meter lang en droegen beiden donkere kleding. Eén van hen had zeker een petje op zijn hoofd.5

De bevindingen verbalisant [verbalisant 1].

De verbalisant beschrijft de video-prints die zijn gemaakt van de beelden van de beveiligingscamera's in de overvallen [supermarkt] op 1 oktober 2008. Verbalisant ziet dat om 07.20.44 uur één overvaller via de achterdeur de [supermarkt] binnen komt waarbij hij kennelijk een wapen in zijn rechterhand vast heeft. Bij die deur staat aangever [slachtoffer 1]. Daarna ziet hij dat een tweede overvaller in de vrachtwagen kijkt en even later met de chauffeur van de vrachtwagen, de heer [slachtoffer 2], in het magazijn komt. [slachtoffer 2] heeft hierbij zijn handen in de lucht. Hij ziet dat chauffeur [slachtoffer 2] om 07.21.19 uur op de grond ligt en dat de tweede overvaller naast hem staat. De eerste overvaller gaat met aangever [slachtoffer 1] naar de kantoorruimte alwaar [slachtoffer 1] gebukt bij de geopende kluis staat. De eerste overvaller pakt een tasje uit zijn linkerjaszak en [slachtoffer 1] stopt iets in dit tasje. De overvaller houdt hierbij een pistool op [slachtoffer 1] gericht. Omstreeks 07.21.50 uur is de eerste overvaller met het pistool en het tasje niet meer in beeld in de kantoorruimte. Verbalisant ziet vervolgens dat de beide overvallers om 07.21.56 uur via de achterdeur het magazijn uitlopen.

Verbalisant beschrijft vervolgens de signalementen van de beide overvallers aan de hand van de videobeelden.6

De bevindingen van verbalisant [verbalisant 1].

De verbalisant beschrijft de prints van de beelden van surveillancecamera's bij de Indian Dylan Coffeeshop gelegen aan de Karel de Grotelaan 345 te Eindhoven. Hij ziet hierop twee personen die qua signalement, aantal en werkwijze bij terugkomst (rennen/witte tas) met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de daders van de overval op de [supermarkt] zijn. Hij ziet dat deze twee personen eerst aan perceel 345 van de Karel de Grotelaan voorbij lopen en dat deze twee personen bijna twee minuten later in de tegengestelde richting rennen. De achterste persoon heeft hierbij een wit voorwerp in zijn hand.7

Tapgesprekken tussen [getuige 1] en man [verdachte] (fonetisch):

'[verdachte]' blijkt verdachte [verdachte] te zijn op grond van het proces-verbaal identiteit [verdachte] op de pagina's 167 tot en met 169.

D.d. 1 oktober 2008 te 18.10 uur zegt [verdachte] tegen [getuige 1] dat hij veel los geld heeft, iets van € 2000,- aan wisselgeld. [getuige 1] zegt tegen [verdachte] dat hij het aan hem kan geven en dat hij wel gaat inwisselen. Ook zegt [getuige 1] dat je dat toch in 4 x 500 ofzo doet. [verdachte] zegt dan dat [getuige 1] eerst de verpakking moet losmaken en dat het nog hartstikke nieuw is.

D.d. 3 oktober 2008 te 13.17 uur vindt een gesprek plaats tussen [verdachte] en een onbekende man. Dit gesprek gaat over geld inwisselen bij de ABN Amro. Het geld zit in rollen met G4S erop. Dat kan niet zo ingeleverd worden. Het moet eerst in knappertjes. Die heeft hij van de bank gekregen. Man wil alles in één keer doen.8

Bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]:

Op 30 januari 2009 gaan verbalisanten op bezoek bij een man die op 21 januari 2009 is aangehouden op verdenking van een overval op een tankstation in Helmond op 9 oktober 2008. In diens woning werd een jas inbeslaggenomen.

Deze jas was zwart van kleur en was voorzien van een grote capuchon met bontkraag. Op een groot aantal plaatsen zijn symbolen te zien welke leken op blokken. Hiervan zijn foto's gemaakt.

Op 24 december 2008 werd een overval op de [supermarkt] gepleegd. Vastgesteld is dat bij de overval op 1 oktober 2008 één van de verdachten gekleed was in een donkere jas met witte vlekken in horizontale lijnen over de jas. De jas was voorzien van een grote capuchon met lichtkleurige bontkraag. Op 24 december 2008 draagt één van de verdachten een jas die (zeer) grote gelijkenis heeft met de prints van de beelden die op 24 december 2008 zijn opgenomen.9

Bevindingen verbalisant [verbalisant 4]:

[getuige 4] herkent tijdens zijn verhoor [medeverdachte 1] als een van de overvallers op 1 oktober 2008. De andere overvaller betrof [verdachte], met de jas van [medeverdachte 1] aan.10

De verklaringen van [getuige 4]:

Op de twee foto's (pagina 3422) herkent hij de jas van [medeverdachte 1]. Hij herkent beide jongens op de print bij de 'shop' als rechts [medeverdachte 1] en als links [verdachte], met een jas van [medeverdachte 1] aan.

Op foto 4 en 5 (pagina 3418) herkent hij [medeverdachte 1]. Het betreft foto's van de beelden van de overval op de [supermarkt] op 1 oktober 2008.

Op foto 3 geeft volgens hem [verdachte] weer. Hij heeft hem vaker met [medeverdachte 1] zien lopen. Dat zijn ze gewoon. Op de foto ziet hij [medeverdachte 1] en [verdachte].

Hij herkent [medeverdachte 1] en [verdachte] duidelijk als de twee overvallers op de [supermarkt] op 1 oktober 2008. [medeverdachte 1] stond met een wapen in zijn hand. Daar is [getuige 4] van geschrokken.

[medeverdachte 1] heeft op 1 oktober 2008 's middags een Peugeot gekocht voor 700 euro.

Bij het verhoor bij de rechter-commissaris op 10 april 2009 bij de voorgeleiding in verband met de vordering bewaringstelling blijft hij bij zijn verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd.

In een tapgesprek van 10 april 2009 tussen [getuige 4] en NN-man 5362 zegt [getuige 4] tegen een onbekend gebleven gesprekspartner dat hij eerlijk heeft verklaard tegenover de politie dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de daders zijn.11

De verklaringen van verdachte [verdachte]:

De volgende dag zag hij [medeverdachte 1] in zijn auto, een groene Peugeot. Hij had een witte plastic tas, [verdachte] zag dat daar muntgeld in zat. Hij kon dit muntgeld niet wisselen. Hij vroeg hem dit geld even bij zich te houden en [verdachte] deed de zak met geld in zijn jaszak. Hij heeft het geld gehouden. Hij heeft [getuige 1] gebeld en gevraagd of hij het geld bij zich wilde houden. Na lang aandringen heeft [medeverdachte 1] hem verteld dat het geld van de overval op de [supermarkt] kwam. [medeverdachte 1] had de overval met een goede vriend van hem gepleegd, maar heeft daarbij geen naam genoemd. De witte zak was dichtgeknoopt en je kon er doorheen kijken. De rolletjes waren roze van kleur. [medeverdachte 1] zei dat hij de rest van het geld van de overval thuis had. [verdachte] kreeg de zak ongeopend met de knoop er nog in van [getuige 1] terug.

Hij heeft het geld op straat uitgepakt en de rolletjes weggegooid. In een internetcafe in de Hoogstraat heeft hij rolletjes geld ingewisseld. Het waren allen twee euro munten. Het was een bedrag van 700 of 750 euro. Hij kreeg hiervoor briefjes van 100 en 50 euro terug.

Het geld heeft hij bij zich gehouden, een paar weken. Inmiddels heeft hij alles opgemaakt. [medeverdachte 1] vond dat goed. [medeverdachte 1] zelf heeft in twee keer 1.000 euro ingewisseld bij een bank in het Winkel Centrum Woensel.

Ik kan me nog herinneren dat ik [getuige 1] gezegd heb dat het geld van de overval op de [supermarkt] afkomstig was.12

De verklaring van verdachte [getuige 1]:

Hij kreeg van [verdachte] een zak met geld. Het betrof een witte plastic tas met muntgeld in rollen. Hij vertrouwde het niet, maar nam deze zak toch mee naar huis.

Hij heeft wel van de overval op de [supermarkt] gehoord, de zoveelste in de rij. Het geld dat hij van [verdachte] in ontvangst heb genomen was van de overval op de [supermarkt] op 1 oktober 2008.

Later, toen hij [verdachte] het geld terug gaf, wist hij dat het geld van de overval kwam.13

De rechtbank overweegt gelet op het voorgaande het volgende.

Ten aanzien van het primair tenlastelegde.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet bewezen dat verdachte een van de twee daders is van de overval op de LIDL op 1 oktober 2008 te Eindhoven. De verklaring van [getuige 4] acht de rechtbank voor wat betreft de rol van [verdachte] onvoldoende betrouwbaar. Uit de tapgesprekken d.d. 10 april 200914 volgt dat de verklaring van [getuige 4] waarin hij [verdachte] belast zeer wel mogelijk een reactie is op de omgekeerde beschuldiging van verdachte aan het adres van [getuige 4]. Verdachte had verklaard dat [getuige 4] naast [medeverdachte 1] de tweede dader was van de overval. De overige bewijsmiddelen hebben evenmin de wettelijk vereiste overtuiging opgeleverd bij de rechtbank. Om die reden zal verdachte worden vrijgesproken van het verwijt dat hem primair ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.

Verdachte heeft in zijn verklaringen gelogen over de hoogte van het geldbedrag en het tijdstip waarop hij dat bedrag verkreeg. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt duidelijk dat hij een bedrag van meer dan 2000 euro aan in rollen verpakt muntgeld heeft ontvangen op een tijdstip kort na de overval op de LIDL, en niet -zoals hij tegenover de politie heeft verklaard- 750 euro "ergens in november". Dit bedrag van meer dan 2000 euro is bovendien (nagenoeg) de gehele buit aan muntgeld. Verdachte is op de hoogte van het feit dat hij de oorspronkelijke verpakking van het muntgeld dient te verwijderen alvorens dit bij een bank te kunnen inwisselen. Op grond van genoemde kennelijk leugenachtige verklaringen op essentiële delen, bezien in combinatie met de inhoud van hiervoor genoemde tapgesprekken, acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat het geld afkomstig was van de overval op de LIDL op 1 oktober 2008.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van subsidiair:

in de periode van 01 oktober 2008 tot en met 30 november 2008te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag (een tas met muntgeld (in sealtjes)) voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat geld wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 416.

De strafmotivering.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert ten aanzien van primair:

* een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest;

* toewijzing van de civiele vordering van [slachtoffer 1], vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, voor het overige niet ontvankelijk en hoofdelijk.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat kan worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

Indien de rechtbank dit niet voldoende acht, verzoekt de verdediging om naast deze straf te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke geldboete of taakstraf.

Nu de verdediging vrijspraak heeft bepleit voor het onder primair tenlastegelegde dient de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard te worden in haar vordering.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer concreet komt dit ten aanzien van verdachte neer op het volgende.

Verdachte heeft opzettelijk een groot bedrag aan muntgeld geheeld dat afkomstig was van een overval op een supermarkt. Verdachte kende de herkomst van het geld, maar heeft het geld desondanks gewisseld en opgemaakt. De ernst van het gronddelict, de overval, zal door de rechtbank ten nadele van verdachte worden meegewogen.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Ten aanzien van subsidiair:

opzetheling

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf.

Ten aanzien van subsidiair:

Gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. M.Th. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 5 februari 2010.

1 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 januari 2010

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] op de pagina's 3224 en 3226 tot en met 3229

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] op de pagina's 3233 tot en met 3235

4 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] op de pagina's 3237 en 3238

5 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] op pagina 3239

6 Bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] op de pagina's 3245 tot en met 3251

7 Bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] op de pagina's 3304 tot en met 3306, 3314 (print 4) en 3319 (print 9)

8 Tapgesprekken op de pagina's 3368, 3375 en 3376

9 Proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op de pagina's 3379 tot en met 3387

10 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] op pagina 3411

11 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] bij de politie op de pagina's 3418, 3422 tot en met 3426, 3431, 3444 en 3447, de verklaring van [getuige 4] bij de RC op pagina 3451 en het tapgesprek van [getuige 4] met een NN-man op de pagina's 3452 tot en met 3455

12 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] op de pagina's 3560, 3564 tot en met 3567 en 3579

13 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] op de pagina's 3687 en 3690

14 Tapgesprekken, bijlage 32, op de pagina's 3452 tot en met 3457