Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL2075

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-02-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
AWB 09-6003
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker is ontslagen als medewerker bij een Penitentiaire Inrichting. Bij wijze van voorlopige voorziening verzoekt hij de voorzieningenrechter het ontslagbesluit te schorsen. Dit verzoek wordt afgewezen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningrechter is sprake van plichtsverzuim. Het grote belang van verweerder bij een betrouwbare, integere medewerker is doorslaggevend en verzoekers belang is daaraan ondergeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/6003

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2010

inzake

[verzoeker]

te Vught,

verzoeker,

[gemachtigde]

tegen

de minister van justitie,

verweerder,

[gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2009 heeft verweerder met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van de datum van het besluit aan verzoeker de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 24 december 2009 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 29 december 2009 heeft verzoeker tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 18 december 2009 te schorsen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 januari 2010, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen [gemachtigde].

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien het bestreden besluit in de bodemprocedure naar voorlopig oordeel geen stand zal kunnen houden, terwijl tevens voldoende spoedeisend belang aanwezig is. De voorzieningenrechter is met partijen van oordeel dat in dit geval voldoende spoedeisend belang aanwezig is.

3. Bij twijfel omtrent de rechtmatigheid van het in geding zijnde besluit zal dienen te worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond bestaat voor het treffen van een voorziening. Daarbij dient het belang van de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewogen tegen het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

4. Aangezien tegen het besluit van 18 december 2009 tijdig bezwaar is gemaakt, deze rechtbank in een eventuele bodemprocedure bevoegd zal zijn en ook overigens geen beletselen bestaan, kan verzoeker in zijn verzoek worden ontvangen.

5. Voor toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening is echter ook vereist dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het ontslagbesluit van 18 december 2009 niet in stand zal blijven.

6. Bij de voorlopige beoordeling van het ontslagbesluit gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

7. Verzoeker is sinds 1 mei 2003 werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught, voorheen Nieuw Vosseveld, eerst als PIW-er en vanaf 1 januari 2008 als ZPI-er. Op 2 september 2009 heeft verweerder vernomen dat bij verzoeker voor een periode van zeven dagen een elektronische enkelband zal worden aangebracht in verband met een veroordeling voor het onverzekerd rijden met een motorvoertuig. Naar aanleiding van deze melding hebben er op 10, 16 en 28 september 2009 gesprekken plaatsgevonden met verzoeker. In deze gesprekken heeft verzoeker onder meer aangegeven dat hij in 2004 op een zondag een auto heeft verkocht aan een voor hem onbekende vrouw. Die vrouw zou de volgende dag het vrijwaringsbewijs bij verzoeker in de brievenbus doen. Dit is nooit gebeurd. De auto is niet overgeschreven. Vervolgens heeft verzoeker zes verkeersboetes ontvangen. Deze boetes heeft verzoeker allemaal betaald. Bij de derde bekeuring heeft verzoeker aangifte gedaan. Verzoeker was in het bezit van een kopie van het identiteitsbewijs van die vrouw. Na onderzoek door de politie is gebleken dat sprake was van een vals identiteitsbewijs, aldus verzoeker.

8. Verzoeker is bij vonnis van 28 maart 2006 door de rechtbank Breda, sector kanton, veroordeeld voor onverzekerd rijden in een motorvoertuig op 25 mei 2005. Verzoeker is een hechtenis opgelegd voor de duur van twee weken waarvan één voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Ook is verzoeker de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden ontzegd. Verzoeker is in hoger beroep gegaan. Het gerechtshof

’s-Hertogenbosch heeft bij het bij verstek gewezen arrest van 31 januari 2007 dezelfde straf opgelegd. Het hof heeft hierbij gelet op het strafblad van verzoeker, onder meer inhoudende een veroordeling op 12 november 2002 en 8 maart 2005 door de kantonrechter wegens overtreding van artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) en mede gelet op het feit dat verzoeker het tenlastegelegde feit in een proeftijd, opgelegd bij vonnis van 8 maart 2005, heeft begaan. Bij arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 14 april 2009 is het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof verworpen.

9. Verweerder heeft aan verzoeker strafontslag verleend. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat verzoeker een aantal veroordelingen op zijn strafblad heeft staan. Tevens heeft verzoeker nagelaten deze veroordelingen te melden bij zijn direct leidinggevende of de directie. Volgens verweerder is sprake van zeer ernstig plichtsverzuim. Niet valt in te zien waarom deze gedragingen niet aan verzoeker vallen toe te rekenen. Verweerder acht de opgelegde straf van ontslag evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim omdat het plichtsverzuim dermate ernstig is dat niet meer naar een correcte dienstuitoefening behoeft te worden gestreefd. Hiervoor verwijst verweerder naar het gedragsprotocol integriteit. In deze leidraad wordt gesproken over eerlijk, open, betrouwbaar, zorgvuldig en onberispelijk gedrag. Deze kenmerken zijn van belang voor een goede uitoefening van de functie van PIW-er (ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat het om de functie van ZPI-er gaat maar dat dit foutief in het besluit en in het verweerschrift staat vermeld). Dit voorkomt dat de scheidslijn tussen de ZPI-er en de gedetineerde wordt overschreden en dat de ZPI-er in een chantabele positie terecht komt, wat een veiligheidsrisico voor de PI en de medewerker met zich brengt. Dit betekent dat gedragingen van een medewerker die zijn integriteit binnen de PI kunnen schaden, gemeld dienen te worden. Dit geldt volgens verweerder ook voor gedragingen die door de ZPI-er in de privé-sfeer zijn begaan.

10. Verzoeker legt aan zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten grondslag dat hij nimmer heeft onderkend dat in de overtreding enige relatie kan worden gezien met de goede functievervulling. Van “crimineel handelen” is hier apert geen sprake. Zou hij dit feit waarvan een derde de feitelijke dader is, hebben gemeld, dan zou zulks ook niet tot schorsing hebben kunnen leiden omdat van een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf geen sprake is. De “Gedragscode PI Nieuw Vosseveld” is ongedateerd en is nimmer aan verzoeker verstrekt, zodat hij ook de norm dat het noodzakelijk is dat een ieder melding maakt van het feit dat men buiten iets heeft gedaan wat het imago van Justitie zou kunnen aantasten, bijvoorbeeld dat men verdacht wordt van het plegen van een strafbaar feit, niet kende en ook nimmer heeft gelezen. Daarnaast ontkent verzoeker dat zijn handelingen c.q. het nalaten een sterk negatief effect hebben op zijn functioneren en evenmin dat het gaat om handelingen die de PI Nieuw Vosseveld zelf in een negatief daglicht stellen. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten om een belangenafweging op grond van artikel 3:4 van de Awb te maken. In die afweging dient tevens de wijze waarop verzoeker zijn functie heeft vervuld te worden meegewogen. Verzoeker acht het besluit disproportioneel.

11. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

12. Ingevolge artikel 80, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft.

13. Ingevolge artikel 80, tweede lid, van het ARAR omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of doen.

14. Ingevolge artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR kan als disciplinaire straf ontslag worden opgelegd.

15. De eerste vraag die beantwoord moet worden is de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

Met verweerder is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Nu verzoeker tot aan de Hoge Raad is veroordeeld voor overtreding van artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) staat voor de voorzieningenrechter vast dat verzoeker een strafblad heeft en hem een hechtenis is opgelegd voor de duur van twee weken waarvan één week voorwaardelijk. De voorzieningenrechter ziet in dit feit een overtreding van de normen die gelden bij de PI Vught. Hetzelfde geldt voor het nalaten de veroordelingen te melden bij zijn werkgever. Uit het Gedragsprotocol Integriteit, waarvan de heer Van Breugel ter zitting heeft gesteld dat die vermoedelijk dateert uit 2005, volgt onder het kopje “Professionele omgang en samenwerking” het volgende:

“Eerlijk, open, betrouwbaar, zorgvuldig en onberispelijk. Dat zijn de gewenste eigenschappen van mensen die voor Justitie werken. Deze kenmerken zijn van belang voor een professionele en integere omgang met collega’s, relaties en ingeslotenen. Wij gaan dus uit van een bepaald soort gedrag. De (verplichte) Contactpersoon of Commissie Integriteit in uw inrichting of dienst kan u daarbij helpen.” Vervolgens heeft de PI Vught ook nog een eigen Gedragscode, die volgens de heer Van Breugel dateert van vóór 2005. Daarin staat expliciet vermeld dat het verzwijgen van bepaalde privé-informatie of het verstrekken van onvolledige of onjuiste inlichtingen de eigen betrouwbaarheid in het geding kan brengen. Van de medewerker wordt verwacht dat hij zowel vóór indiensttreding, maar ook indien betrokkene reeds is aangesteld bij de PI Nieuw Vosseveld, bepaalde privé-informatie die van belang is voor een goede functievervulling, meldt. Dit kan informatie betreffen omtrent behaalde opleidingen of arbeidsverleden, een eventueel crimineel verleden, of informatie omtrent een criminele kennissen- of vriendenkring.

16. De voorzieningenrechter is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verzoeker het hierboven vastgestelde plichtsverzuim niet kan worden toegerekend. De veroordelingen zijn immers onherroepelijk. Verzoekers gedachte dat de (laatste) strafrechtelijke procedure wel met een sisser zou aflopen en dat hij deze daarom niet behoefde te melden, moet voor zijn rekening en risico komen.

17. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet waar deze stelt dat hij niet op de hoogte was van de gedragsregels, omdat de betreffende protocollen niet aan hem persoonlijk zijn uitgereikt. Verzoeker heeft ter zitting verklaard wel eens vluchtig iets over de protocollen op het intranet te hebben gelezen. De heer Van Breugel heeft ter zitting verklaard dat verzoeker in het verleden heeft meegedaan aan een introductiedag. Dit is door verzoeker ter zitting bevestigd. Op dag drie van die introductie wordt door de medewerkers de eed of de belofte afgelegd waarbij ruimschoots aandacht wordt besteed aan alles wat te maken heeft met beëdiging en integriteit. Zelfs al zou moeten worden aangenomen dat aan verzoeker nooit gedragsregels zijn uitgereikt, dan was verzoeker er in ieder geval van op de hoogte dat verweerder van hem integer gedrag verwachtte en daar groot belang aan hechtte. Overigens had verzoeker ook los van deze gedragscodes reeds na de eerste veroordeling door de kantonrechter moeten beseffen dat hij dit had moeten melden bij de PI, gelet op de algemene regel dat hij zich als een goed ambtenaar dient te gedragen.

18. Verweerder was derhalve bevoegd om aan verzoeker een disciplinaire maatregel als bedoeld in artikel 80, eerste lid, van het ARAR op te leggen. Dit brengt de voorzieningenrechter tot de vraag of er naar voorlopig oordeel sprake is van evenredigheid in de maatregeloplegging. In de beoordeling van de evenredigheid dienen niet alleen de belangen van de werkgever, maar tevens die van de ambtenaar te worden betrokken. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder verzoekers gedragingen kunnen aanmerken als ernstig plichtsverzuim. Voor het handhaven van de orde in een organisatie als de PI Vught is het essentieel dat het bewakend personeel zijn gezag behoudt. Dat gezag wordt aangetast als dat personeel een strafblad heeft en zelf veroordeeld is tot hechtenis. Bovendien moet worden voorkomen dat een medewerker in een chantabele positie komt met alle veiligheidsrisico’s vandien. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat feiten als hier aan de orde snel bekend plegen te worden binnen een PI. Dit komt de voorzieningenrechter niet onaannemelijk voor. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het grote belang van verweerder bij een betrouwbare, integere medewerker hier doorslaggevend en is verzoekers belang daaraan ondergeschikt.

19. Nu er voorshands geen redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het strafontslagbesluit van 18 december 2009 niet in stand zal blijven, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

20. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een der partijen te veroordelen in de proceskosten dan wel verweerder op te dragen het griffierecht te vergoeden.

21. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van

mr. B. van den Akker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2010.

De griffier was buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen

?