Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL1120

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
01/825566-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis.

Verdachte heeft als directeur van het bedrijf waarvoor hij werkte gedurende een lange periode aanzienlijke geldbedragen verduisterd. Voorts heeft hij oplichting gepleegd. Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van voorarrest. Hierbij is vooral rekening gehouden met het feit dat verdachte ten koste van het bedrijf een luxe leven heeft geleid.

Daarnaast dient verdachte aan de benadeelde partij (het bedrijf waarvoor hij werkte) een deel van de gevorderde schade te betalen ten bedrage van EUR 587.018,12 met wettelijke rente met verschillende ingangsdata. Een gedeelte van dit bedrag heeft de rechtbank geschat. Het overige deel van de gevorderde schade is door de rechtbank te ingewikkeld geacht voor afdoening in het strafproces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825566-09

Datum uitspraak: 29 januari 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

thans gedetineerd te: [PI]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 januari 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 december 2009.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 januari 2010 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat (een kopie van de vordering tot wijziging is aangehecht):

1.

hij in of omstreeks de periode van 29 maart 2007 tot en met 28 mei 2009 te

Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk geld en/of banktegoeden, in

elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (zijn

werkgever) [slachtoffer 1] (hierna te noemen [slachtoffer 1]),

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) uit

hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als directeur/bestuurder van

[slachtoffer 1], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den),

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door onder andere:

-een geldbedrag van EURO 475.000,- over te boeken van de bankrekening van

[slachtoffer 1] naar de bankrekening van zijn [medeverdachte];

-geld voor privédoeleinden op te nemen en privéuitgaven te betalen met de

company bankpas(sen) van [slachtoffer 1];

-geld voor privédoeleinden op te nemen en privéuitgaven te betalen met de

company creditcard(s) van [slachtoffer 1];

-een geldbedrag van 40.659,86 US Dollars over te boeken van de bankrekening

van [slachtoffer 1] naar de bankrekening van de onderneming [slachtoffer 2] ter voldoeninging

van een door verdachte en/of zijn medeverdachte gedreven onderneming (te weten

[onderneming verdachte en medeverdachte]) aan [slachtoffer 2] verzonden creditfactuur wegens

niet geleverde goederen en/of ter voldoening van een door verdachte en/of zijn medeverdachte gedreven onderneming (te weten [onderneming verdachte en medeverdachte]) aan [slachtoffer 2] verschuldigd bedrag wegens niet geleverde goederen;

(artikel 321/322 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 29 maart 2007 tot en met 28 mei 2009 te

Nederland met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 3 (bank)] en/of [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) heeft bewogen tot de afgifte

van geld, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk

en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als de (bij [slachtoffer 1] werkzame)

[medewerker van slachtoffer 1] en in die hoedanigheid bij [slachtoffer 3 (bank)] een (company) creditcard

aangevraagd op naam van voornoemde [medewerker van slachtoffer 1] en daarmee (zich voordoende als

voornoemde [medewerker van slachtoffer 1]) betalingen verricht en/of geld opgenomen en/of op een

invoice van [onderneming verdachte en medeverdachte] een valse handtekening (lijkende

op de handtekening van de bij [slachtoffer 1] werkzame [eigenaar slachtoffer 1]) geplaatst,

waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3 (bank)] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat het volgende vast.

Feit 1

Verdachte was in de periode 29 maart 2007 tot en met 28 mei 2009 mededirecteur /bestuurder van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), gevestigd te Helmond1. Uit hoofde van zijn functie had verdachte de beschikking over geld en banktegoeden van [slachtoffer 1]2.

Op 16 juni 2009 is € 475.000,-- afgeschreven van de bankrekening van [slachtoffer 1] en overgeboekt naar de bankrekening van [medeverdachte], zijnde een privérekening van verdachte. Hiertoe heeft verdachte opdracht gegeven3. Verdachte heeft dit geld aangewend voor het kopen van een huis voor eigen gebruik in Duitsland4.

Verdachte beschikte over een bankpas van [slachtoffer 1]. Met deze bankpas heeft verdachte geld opgenomen5 en betaald bij [naam A].V6.

Verdachte beschikte over een creditcard van [slachtoffer 1]. Met deze creditcard heeft verdachte geld opgenomen7 en betaald bij onder meer [naam A]8, [naam B], [naamC]10, [naam D]11, [naam E]12. Tevens heeft verdachte met deze creditcard onder meer betaald bij Louis Vuitton te San Fransisco13 en tijdens zijn verblijf op de Filippijnen14, Italië15 en de Verenigde Staten op 9, 10 en 11 april 200916.

Op 6 augustus 2008 is $ 40.659,86 afgeschreven van de bankrekening van [slachtoffer 1] en overgeboekt naar de bankrekening van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) met als omschrijving "8 KW Spindles".

Feit 2

Op 18 mei 2007 is op naam van [medewerker van slachtoffer 1] een company creditcard van [slachtoffer 1] aangevraagd bij [slachtoffer 3 (bank)]17.

Met deze creditcard heeft verdachte in december 2007 betalingen verricht op de Filippijnen18.

Op 13 november 2007 is € 13.050,-- afgeschreven van de bankrekening van [slachtoffer 1] en overgeboekt naar een privébankrekening van verdachte19.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit acht hij niet bewezen dat verdachte zich heeft voorgedaan als [medewerker van slachtoffer 1] en in die hoedanigheid bij [slachtoffer 3 (bank)] een creditcard op diens naam heeft aangevraagd, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Voor het overige acht de officier van justitie het onder 2 tenlastegelegde feit wel wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Feit 1

Verdachte heeft met [eigenaar slachtoffer 1], eigenaar van [slachtoffer 1], afgesproken dat hij € 475.000,-- van [slachtoffer 1] zou lenen ten behoeve van het kopen van een huis. Aangezien [eigenaar slachtoffer 1] hiermee heeft ingestemd, is van verduistering van dit bedrag geen sprake.

Met betrekking tot het opnemen van geld en het betalen met de bankpas van [slachtoffer 1] en de creditcard van [slachtoffer 1] heeft verdachte aangevoerd hiermee ook zakelijke kosten ten behoeve van [slachtoffer 1] te hebben voldaan. Meer in het bijzonder heeft verdachte aangevoerd dat hij wel eens geld heeft opgenomen en daarvan zakelijk uit eten is gegaan, dat hij benzine heeft betaald omdat zijn tankpas het niet deed en ten behoeve van [slachtoffer 1], hotels en reizen heeft betaald. Ook het hotel in Italië heeft hij betaald met bedoelde creditcard, omdat hij tijdens deze vakantie veel heeft moeten werken voor [slachtoffer 1].

Met betrekking tot de overboeking van $ 40.659,86 van [slachtoffer 1] aan [slachtoffer 2] heeft verdachte aangevoerd dat dit een interne overboeking betreft en dat zijn consultancy bedrijf spindels had gekocht voor [slachtoffer 2] en dat [slachtoffer 2] zijn bedrijf bedoeld bedrag heeft betaald. Van verduistering van dit bedrag is dus geen sprake.

Feit 2

Verdachte ontkent dat hij op naam van [medewerker van slachtoffer 1] een company creditcard van [slachtoffer 1] heeft aangevraagd bij [slachtoffer 3 (bank)]. Wel bevestigd hij dat hij de creditcard voor [medewerker van slachtoffer 1] in ontvangst had genomen en abusievelijk in zijn portemonnai had gelaten.

Verdachte heeft weliswaar met de creditcard van [medewerker van slachtoffer 1] uitgaven betaald op de Filippijnen, maar dit is per ongeluk gebeurd. Hij heeft zich ook niet voorgedaan als [medewerker van slachtoffer 1], omdat hij de bonnetjes met zijn eigen naam heeft ondertekend.

Verdachte heeft geen valse handtekening geplaatst van [eigenaar slachtoffer 1] op de factuur van het consultancy bedrijf. Op advies van de accountant heeft verdachte aan [eigenaar slachtoffer 1] gevraagd om de handtekening te zetten, hetgeen [eigenaar slachtoffer 1] ook heeft gedaan.

Het oordeel van de rechtbank.

Feit 1

Met betrekking tot de overboeking van € 475.000,-- van de rekening van [slachtoffer 1] naar de rekening van verdachte is, gezien hetgeen van de kant van de verdediging is aangevoerd, aan de orde of verdachte zich dat geld/banktegoed wederrechtelijk heeft toegeëigend. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.

Zoals hiervoor reeds is overwogen staat vast dat verdachte het geld heeft laten overboeken van de rekening van [slachtoffer 1] naar zijn eigen privérekening ten behoeve van het kopen van een huis voor eigen gebruik in Duitsland. Het in dit verband ter rechtvaardiging van deze overboeking gevoerde betoog, namelijk dat verdachte toestemming had van [eigenaar slachtoffer 1], acht de rechtbank niet aannemelijk. In de eerste plaats heeft [eigenaar slachtoffer 1] verklaard van deze overboeking niet in kennis te zijn gesteld door verdachte, noch daarvoor zijn toestemming te hebben gegeven20. In de tweede plaats heeft verdachte zijn betoog op geen enkele wijze, bijvoorbeeld met stukken, onderbouwd. In dit verband is van belang dat verdachte de beweerdelijk door hem met [eigenaar slachtoffer 1] hierover gevoerde telefoongesprekken niet heeft vastgelegd, hetgeen, gelet op de hoogte van het bedrag en de voor [slachtoffer 1] ongebruikelijke aanwending ervan, wel voor de hand had gelegen.

Met betrekking tot het opnemen van geld en het betalen met de bankpas van [slachtoffer 1] en de creditcard van [slachtoffer 1] overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft verklaard hiermee ook zakelijke uitgaven te hebben betaald, heeft hij tevens erkend hiermee in de periode van 29 maart 2007 tot en met 28 mei 2009 voor privédoeleinden geld te hebben opgenomen en privéuitgaven te hebben betaald. Verdachte heeft zich op deze wijze geld of banktegoeden van [slachtoffer 1] toegeëigend.

Met betrekking tot de overboeking van $ 40.659,86 van [slachtoffer 1] aan [slachtoffer 2] is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte dit bedrag heeft overgeboekt ter voldoening van een door verdachte en/of zijn medeverdachte gedreven onderneming aan [slachtoffer 2] verzonden creditfactuur wegens niet geleverde goederen dan wel ter voldoening van een door verdachte en/of zijn medeverdachte gedreven onderneming aan [slachtoffer 2] verschuldigd bedrag wegens niet geleverde goederen. Van een creditfactuur is niet gebleken, terwijl op basis van het dossier evenmin kan worden vastgesteld dat de goederen niet zijn geleverd. Hiervan zal de rechtbank verdachte derhalve vrijspreken.

Feit 2

Met betrekking tot het verwijt dat verdachte zich heeft voorgedaan als [medewerker van slachtoffer 1] en in die hoedanigheid bij [slachtoffer 3 (bank)] een creditcard heeft aangevraagd is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat, gezien de ontkennende verklaring van verdachte en de bij het proces-verbaal van bevindingen van 5 januari 2010 behorende bijlagen21, dit verwijt niet kan worden bewezen. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het verwijt dat verdachte met de creditcard van [medewerker van slachtoffer 1] betalingen heeft verricht op de Filippijnen stelt de rechtbank vast dat verdachte dit feit ook ter terechtzitting heeft erkend. Dat het gebruik van deze creditcard door verdachte berust op een vergissing, zoals verdachte heeft aangevoerd, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Niet valt immers in te zien waarom verdachte deze creditcard van [medewerker van slachtoffer 1] in zijn portemonnee heeft gedaan, deze een paar maanden later meeneemt op vakantie naar de Filippijnen en deze daar een aantal malen gebruikt. De enkele verklaring van verdachte dat hij de creditcard aan [medewerker van slachtoffer 1] heeft willen geven en om die reden de creditcard in zijn portemonnee heeft gedaan acht de rechtbank onvoldoende. Dat verdachte de bonnetjes niet met de naam van [medewerker van slachtoffer 1], maar met zijn eigen naam heeft ondertekend, laat onverlet dat verdachte zich door het gebruik van de creditcard van [medewerker van slachtoffer 1] valselijk heeft voorgedaan als de bij [slachtoffer 1] werkzame [medewerker van slachtoffer 1]. Aldus heeft verdachte [slachtoffer 3 (bank)] bewogen tot afgifte van geld.

Met betrekking tot de overboeking van € 13.050,-- van de bankrekening van [slachtoffer 1] naar een privébankrekening van verdachte overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat de factuur van het consultancy bedrijf van verdachte voor akkoord is ondertekend en dat onder de handtekening de naam van [eigenaar slachtoffer 1] staat22. Volgens [eigenaar slachtoffer 1] heeft hij deze handtekening niet gezet23. Verdachte heeft - ook ter terechtzitting - ontkend dat hij deze handtekening heeft gezet. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte een valse handtekening heeft geplaatst op bedoelde factuur. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

in de periode van 29 maart 2007 tot en met 28 mei 2009 te

Nederland meermalen opzettelijk geld of banktegoeden dat/die toebehoorde(n) aan zijn

werkgever [slachtoffer 1] (hierna te noemen [slachtoffer 1]),

en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als directeur/bestuurder van [slachtoffer 1] anders dan door misdrijf onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door onder andere:

-een geldbedrag van EURO 475.000,- over te boeken van de bankrekening van

[slachtoffer 1] naar de bankrekening van [medeverdachte];

-geld voor privédoeleinden op te nemen en privéuitgaven te betalen met de

company bankpas van [slachtoffer 1];

-geld voor privédoeleinden op te nemen en privéuitgaven te betalen met de

company creditcard van [slachtoffer 1];

2.

in de periode van 29 maart 2007 tot en met 28 mei 2009 te Nederland met het

oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse

hoedanigheid [slachtoffer 3 (bank)] heeft bewogen tot de afgifte van geld, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk zich voorgedaan als de (bij [slachtoffer 1] werkzame) [medewerker van slachtoffer 1] en in die hoedanigheid betalingen verricht en/of geld opgenomen waardoor [slachtoffer 3 (bank)] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 47, 57, 321, 322, 326.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van voorarrest.

Tevens heeft de officier toewijzing gevorderd van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], met toepassing van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, en niet-ontvankelijkverklaring voor het overige deel van de vordering.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat vooral rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte spijt heeft betuigd, dat hij de hem tenlastegelegde feiten in overspannen toestand heeft gepleegd en dat hij niet eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld. Voorts is er op gewezen dat - kort gezegd - de administratie bij [slachtoffer 1] niet op orde was, dat het verdachte ontbrak aan sturing en dat richtlijnen ontbraken voor het gebruik van de company bankpas en creditcard. Ten slotte heeft verdachte zich bereid verklaard (een gedeelte van) de schade te vergoeden.

De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze niet eenvoudig van aard is. Als al een gedeelte van de vordering moet worden toegewezen dan bestaat geen aanleiding een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Ten slotte heeft de verdediging verzocht om onmiddellijke opheffing van de voorlopige hechtenis, omdat artikel 67a, derde lid, Wetboek van Strafvordering van toepassing is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt.

In het nadeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende. De rechtbank rekent het verdachte vooral zeer zwaar aan dat hij als directeur van [slachtoffer 1] gedurende een lange tijd voor aanzienlijke bedragen geld van [slachtoffer 1] heeft verduisterd en aldus het vertrouwen dat [slachtoffer 1] en zijn collega's in hem stelden in ernstige mate heeft geschonden. Verdachte heeft zichzelf al die tijd ten koste van [slachtoffer 1] op een schaamteloze wijze verrijkt door het opnemen en uitgeven van grote hoeveelheden geld van zijn werkgever, waardoor hij in staat is geweest zelf een luxe leven te lijden, terwijl verdachte zich volstrekt niet heeft bekommerd om de nadelige gevolgen die de door hem gepleegde feiten op [slachtoffer 1] en haar werknemers hebben.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat hij er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed inziet en hij ter terechtzitting zijn spijt heeft betuigd. Voorts heeft verdachte ruim twee maanden in het kader van de uitlevering voor deze strafzaak vastgezeten in Duitsland.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de gevorderde straf in overeenstemming is met de ernst van het bewezenverklaarde, ondanks dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van een aantal onderdelen van de tenlastegelegde feiten.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij twaalf posten heeft opgevoerd plus de wettelijke rente en dat het voegingsformulier is voorzien van een toelichting van

11 januari 2010 en elf bijlagen.

De rechtbank ziet aanleiding de posten 1 en 5, respectievelijk privéuitgaven creditcard

(€ 262.879,34) en oneigenlijk gebruik bankpas (€ 47.810,--) gezamenlijk te bespreken.

Blijkens bijlage 1 en zoals toegelicht door de gemachtigde van de benadeelde partij ter terechtzitting betreft post 1 de som van alle creditcard overzichten van verdachte en [medewerker van slachtoffer 1]. De rechtbank stelt echter vast dat niet alle creditcard overzichten zich in het dossier van de rechtbank bevinden en dat de overzichten van juni/juli 2007, juli/aug. 2008, sept./okt. 2008, dec. 2008/jan. 2009 en jan./febr. 2009 ontbreken. Omdat niet kan worden vastgesteld of de op bedoelde bijlage genoemde bedragen van deze maanden juist is, zal de rechtbank deze bedragen in mindering brengen op evenbedoelde som.

Voorts stelt de rechtbank vast dat met betrekking tot het overzicht van jan./febr. 2008 een totaal transactiebedrag staat vermeld van € 6.442,69, terwijl in het overzicht een bedrag staat vermeld van € 7.679,47. De rechtbank zal uitgaan van het eerstgenoemde bedrag.

Met bedoelde correcties komt de rechtbank ten aanzien van post 1 tot een totaal bedrag van € 203.876,24.

Blijkens de toelichting van 11 januari 2010 en de toelichting te terechtzitting betreft post 5 de som van alle privéuitgaven (inclusief opnames) door verdachte met de bankpas van [slachtoffer 1]. De rechtbank stelt vast dat niet alle bankafschriften zich in het dossier van de rechtbank bevinden en kan derhalve niet vaststellen of dit bedrag juist is. Op basis van de zich wel in het dossier bevindende bankafschriften stelt de rechtbank vast dat verdachte met de bankpas van [slachtoffer 1] een totaal bedrag van € 15.000,-- contant heeft opgenomen en een totaal bedrag van € 5160,-- heeft uitgegeven bij [naam A].

Met bedoelde correctie komt de rechtbank ten aanzien van post 5 tot een totaal bedrag van

€ 20.160,--.

De som van de posten 1 en 5 bedraagt € 224.036,24.

Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat niet zonder meer kan worden gesteld dat alle op de hiervoor genoemde overzichten en bankafschriften genoemde bedragen privéuitgaven van verdachte zijn, zodat gehele toewijzing van de posten 1 en 5 (zoals hiervoor gecorrigeerd) niet aan de orde is. Wel acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte, mede gezien zijn verklaringen ter terechtzitting, een substantieel bedrag van beide posten voor privédoeleinden heeft aangewend. Om die reden zal de rechtbank de door verdachte ten gevolge hiervan aan de benadeelde partij toegebrachte schade schatten op een bedrag van € 112.018,12 (de som van de posten 1 en 5 gedeeld door twee).

Met betrekking tot het in post 2 vermelde bedrag van € 475.000,-- is de rechtbank van oordeel dat dit schade betreft die rechtstreeks is veroorzaakt door de hiervoor bewezenverklaarde overboeking van de rekening van [slachtoffer 1] naar de privérekening van verdachte.

Met betrekking tot de posten 3 en 4 (transacties van $ 40.659,86 en € 13.050) stelt de rechtbank vast dat verdachte ten aanzien van deze feiten zal worden vrijgesproken, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.

Met betrekking tot alle overige posten en met betrekking tot het verschil tussen het hiervoor genoemde bedrag van € 121.018,12 en het op post 1 vermelde bedrag van € 262.879,34 is de rechtbank van oordeel dat deze niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafproces. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank dat van deze posten (ook vanwege het ontbreken van specificaties) niet eenvoudig valt vast te stellen of, en zo ja welk gedeelte hiervan het rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde strafbare feiten. Ook in zoverre zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

De rechtbank acht, gezien het voorgaande, toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 587.018,12 (€ 112.018,12 +

€ 475.000,--) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2009 (zijnde de dag van de ontdekking van dit strafbare feit) ten aanzien van het bedrag van € 112.018,12 en vanaf 16 juni 2008 (de datum van de overboeking) ten aanzien van het bedrag van € 475.000,--.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor het overige gedeelte van de vordering. De benadeelde partij kan dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Door de benadeelde partij is tevens vergoeding van kosten rechtsbijstand gevorderd op basis van een tweetal facturen betreffende respectievelijk kosten van advocaat Nederland en kosten advocaat Duitsland.

De rechtbank kan in het kader van dit vonnis niet eenvoudig vaststellen of, en zo ja tot welk bedrag, deze kosten door verdachte vergoed dienen te worden en zal de vordering van de benadeelde partij voor dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaren.

Verdachte wordt veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verzoek opheffing voorlopige hechtenis.

Tijdens de beraadslaging in raadkamer heeft de rechtbank, gelet op de hierna aan verdachte op te leggen gevangenisstraf beslist dat het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte wordt afgewezen.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke

dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

oplichting

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

T.a.v. feit 1, feit 2:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 587.018,12 subsidiair 365 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een

bedrag van EUR 587.018,12 (zegge: vijfhonderdzevenentachtigduizend achttien euro en twaalf cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis. Het

bedrag bestaat uit materiële schade.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2008

(t.a.v. een bedrag van EUR 475.000,--) en vanaf 28 mei 2009 (t.a.v. een bedrag

van EUR 112.018,12) tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van EUR 587.018,12 (zegge: vijfhonderdzevenentachtigduizend achttien euro en twaalf cent), zijnde materiële schade.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2008

(t.a.v. een bedrag van EUR 475.000,--) en vanaf 28 mei 2009 (t.a.v. een bedrag

van EUR 112.018,12) tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

Mr. A. Venekamp, voorzitter,

Mr. I.M. Nusselder en mr. F.P.E. Wiemans , leden,

in tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier,

en is uitgesproken op 29 januari 2010.

1 Verklaring van verdachte ter terechtzitting

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting

3 Verklaring van verdachte ter terechtzitting en rekeningafschrift [slachtoffer 3 (bank)] van 16 juni 2008, p. 84 van het eind proces-verbaal.

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

5 Rekeningenafschriften van [slachtoffer 1] van 14 januari 2008, 10 april 2008, 6 mei 2008 en 8 april 2008, respectievelijk p.101, 102, 103 en 104 van het eind proces-verbaal en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

6 Rekeningafschriften van [slachtoffer 1] van 17 oktober 2008, 12 januari 2009 en 13 januari 2009, respectievelijk p. 96, 97 en 98 van het eind proces-verbaal.

7 Rekeningoverzicht van [slachtoffer 1] oktober 2007, november 2007, december 2007, januari 2008, februari 2008, maart 2008, april 2008, mei 2008 juni 2008, juli 2008, september 2008, november 2008, december 2008, maart 2009, april 2009, p. 113 e.v. van het eind proces-verbaal en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

8 Zie bijvoorbeeld rekeningoverzicht van [slachtoffer 1] van juni 2008, p. 114 van het eind proces-verbaal en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

9 Zie bijvoorbeeld rekeningoverzicht van [slachtoffer 1] van december 2008, p. 121 van het eind proces-verbaal en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

10 Zie bijvoorbeeld rekeningoverzicht van [slachtoffer 1] van juli 2008, p. 125 van het eind proces-verbaal en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

11 Zie bijvoorbeeld rekeningoverzicht van [slachtoffer 1] van september 2008, p. 129 van het eind proces-verbaal en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

12 Zie bijvoorbeeld rekeningoverzicht van [slachtoffer 1] van oktober 2007, p. 136 van het eind proces-verbaal en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

13 Zie rekeningafschrift [slachtoffer 1] van september 2007, p. 131 van het eind proces-verbaal en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

14 Zie rekeningafschrift [slachtoffer 1] van december 2007, p. 133 van het eind proces-verbaal en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

15 Zie rekeningafschrift van [slachtoffer 1] van september 2008, p. 141 van het eind proces-verbaal en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

16 Zie rekeningoverzicht van [slachtoffer 1] van april 2009, p. 145 van het eind proces-verbaal en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

17 Proces-verbaal van bevindingen van 5 januari 2010. Dit proces-verbaal is niet opgenomen in het eind proces-verbaal, maar is op een later tijdstip aan de rechtbank toegezonden.

18 Rekeningoverzicht van [slachtoffer 1] op naam van [medewerker van slachtoffer 1] van december 2007, p. 147 van het eind proces-verbaal, bonnetjes van betalingen, p. 250, 251 en 252 van het eind proces-verbaal en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

19 Rekeningoverzicht van [slachtoffer 1] van 13 november 2007, p. 105 van het eind proces-verbaal.

20 Internal Memo van [slachtoffer 1] van 17 april 2009, p. 51 van bijlage 1.5 bij aangifte 2009102994.

21 Zie noot 17.

22 Rekening van [onderneming verdachte en medeverdachte], ongedateerd, p. 106 van het eind proces-verbaal.

23 Internal memo van 21 april 2009, p. 108 van het eind proces-verbaal.

??

??

14

Parketnummer: 01/825566-09

[verdachte]