Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL0924

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
AWB 08-3303
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op goede gronden gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid, zoals is neergelegd in artikel 70, eerste lid, van de WWB, om de uitkering ter hoogte van het onrechtmatig bestede werkdeel 2006 ( € 337.881,-) terug te vorderen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss. De rechtbank is van oordeel dat, indien sprake is van financiële onzekerheid in het jaar van betaling, dit tot gevolg heeft dat de besteding niet (met zekerheid) kan worden verantwoord, zodat sprake is van een onrechtmatige besteding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 08/3303

Uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2010

inzake

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss,

eiser,

gemachtigden M.J. van der Pas en drs. W.F.A Eiselin

tegen

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

verweerder

gemachtigden mr. H.P.M. Schenkels en M. Bochallatie

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 7 mei 2008 heeft verweerder, op grond van het destijds geldende artikel 70, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), van eiser € 337.881,00 teruggevorderd.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 15 augustus 2008 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 11 december 2010, waar eiser is verschenen bij gemachtigden.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

<b>Overwegingen</b>

<u>De feiten</u>

1. Bij primair besluit heeft verweerder € 337.881,00 teruggevorderd van eiser. Het betreft het deel van de uitkering dat eiser heeft ontvangen voor de kosten van voorzieningen, niet zijnde uitvoeringskosten (de zogenoemde uitkering werkdeel WWB 2006), dat niet verantwoord kan worden en volgens verweerder daarom onrechtmatig is besteed.

<u>De standpunten van partijen</u>

2. Volgens eiser heeft verweerder - kort gezegd - de gemeentelijke jaarrekening, waarin de resultaten van twee interne controles naar de besteding van de uitkering werkdeel WWB 2006 zijn verwerkt, ten onrechte ten grondslag gelegd aan de terugvordering. Volgens eiser betekent een door de accountant gestelde financiële onzekerheid niet automatisch dat er sprake is van onrechtmatige besteding van het werkdeel van de WWB. Verweerder geeft een onjuiste uitleg aan het in artikel 70 van de WWB gehanteerde begrip ”onrechtmatig”. Voorts heeft eiser aangevoerd dat het door verweerder gehanteerde ”terugvorderingsbeleid werkdeel WWB 2006” voor eiser niet kenbaar was. Eiser is verder van mening dat het de gemeente Oss vrij staat binnen de wettelijke mogelijkheden eigen doelen te bepalen bij de uitvoering van de WWB. De terugvordering is volgens eiser een buitenwettelijke vorm van bijsturing en disproportioneel. Verweerder heeft geen belangenafweging gemaakt.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, wanneer uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de besteding niet kan worden verantwoord, de besteding onrechtmatig is. In geval van financiële onzekerheid wordt de besteding volgens verweerder ook als onrechtmatig aangemerkt, behalve wanneer er sprake is van jaaroverschrijdende activiteiten. In dat geval moet de besteding uiterlijk een jaar na de besteding kunnen worden verantwoord, aldus verweerder. Ook onder de aan de WWB voorafgaande Algemene bijstandswet (ABW) gold dat financiële onzekerheid moest worden beschouwd als onrechtmatigheid. Dat onvolledige dossiers en een slecht functionerende financiële organisatie een rechtmatige uitvoering van de WWB niet in de weg zouden staan, zoals door eiser wordt betoogd, wordt niet onderschreven. Eisers accountant heeft in zijn verklaring aangegeven dat sprake is van financiële onzekerheid, waarvan de hoogte is bepaald op € 337.881,00, waardoor er sprake is van uit eisers verantwoordingsinformatie blijkende onrechtmatigheid voor genoemd bedrag. De accountant heeft voorts in 2008 gesteld dat de financiële onzekerheid van de in de steekproef betrokken 6 dossiers door aanvullende werkzaamheden is opgeheven, maar dat de steekproef te klein is om voor de massa vast te stellen of er sprake is geweest van rechtmatige uitvoering van de wet. Eiser zelf heeft erkend dat de administratieve organisatie en de dossiervorming in 2006 onvoldoende is geweest, waardoor de rechtmatigheid van de bestedingen niet is verzekerd. Niet gebleken is van feiten en omstandigheden, die afbreuk doen aan de rechtmatigheid van de terugvordering of waardoor deze in redelijkheid niet zou kunnen worden gehandhaafd.

<u>Het wettelijk kader</u>

4. Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, verstrekt de betrokken minister jaarlijks ten laste van 's Rijks kas aan het college

a. een uitkering voor de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, niet zijnde uitvoeringskosten;

b. een uitkering voor de kosten van de door hen toegekende algemene bijstand, waaronder begrepen de loonbelasting, de premies volksverzekeringen die daarover verschuldigd zijn en de in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet bedoelde vergoedingen van de inkomensafhankelijke bijdragen daarover, en van de langdurigheidstoeslag.

Ingevolge artikel 70, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel teruggevorderd, indien uit het verslag, bedoeld in artikel 77, eerste lid, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, niet volledig of onrechtmatig is besteed.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, dient het college jaarlijks bij de betrokken minister een verslag in over de uitvoering van deze wet. Het verslag omvat mede een opgave van de door het college gemaakte kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid, en is voorzien van een verklaring van de accountant, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de getrouwheid van de verstrekte gegevens en de rechtmatigheid van de uitvoering van de wet, alsmede van een oordeel van de gemeenteraad over de uitvoering van de wet.

<u>Het oordeel van de rechtbank</u>

5. De rechtbank stelt vast dat uit de bepalingen van de WWB volgt, dat de verantwoording door gemeenten van het aan hen door verweerder toegekende budget, jaarlijks plaatsvindt. Hieruit volgt dat, indien de rechtmatigheid van de besteding in het jaar van de betaling niet kan worden verantwoord, de besteding onrechtmatig is en verweerder de gelden van de gemeente kan terugvorderen.

6. Eisers grief dat de door de accountant in 2006 gestelde financiële onzekerheid niet betekent dat er sprake is van onrechtmatige besteding, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank is van oordeel dat, indien sprake is van financiële onzekerheid in het jaar van betaling, dit tot gevolg heeft dat de besteding niet (met zekerheid) kan worden verantwoord, zodat sprake is van een onrechtmatige besteding.

7. Het standpunt van eiser dat verweerder de terugvordering ten onrechte heeft gebaseerd op de jaarrekening 2006 van de gemeente Oss kan evenmin slagen. Het is immers eiser geweest die ten behoeve van de jaarlijkse verantwoording de jaarrekening aan verweerder heeft toegezonden. Bovendien is de jaarrekening voorzien van de, op grond van de WWB, verplichte accountantsverklaring, waarin de accountant voor 2006 heeft vastgesteld dat financiële onzekerheid bestaat voor een bedrag van € 337.881,00. Gelet hierop valt niet in te zien waarom verweerder de jaarrekening niet mede aan de terugvordering ten grondslag heeft mogen leggen.

8. Eiser heeft gesteld dat de door de accountant vastgestelde financiële onzekerheid voor 2006, blijkens het schrijven van de accountant van 10 juli 2008, is opgeheven.

9. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling niet kan leiden tot een gegrond beroep. Immers op grond van de wettelijke systematiek van de WWB dient eiser in het jaar 2006 verantwoording af te leggen over het in dat jaar bestede geld. De vastgestelde financiële onzekerheid had derhalve in dat jaar nog kunnen worden aangepast of hersteld. Van jaaroverschrijdende activiteiten is in dit geval geen sprake. Het schrijven van 10 juli 2008 kan dan ook niet worden meegenomen ter verantwoording van het in 2006 bestede geld. Gelet hierop kan in het midden blijven of de door eiser uit dit schrijven getrokken conclusie juist is.

10. Verweerder heeft toepassing gegeven aan de bepalingen uit de WWB. Van vaststellingsbeleid of voortzetting van een onder de ABW gevoerde beleid, zoals door eiser is betoogd, is geen sprake.

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bevoegd was tot terugvordering van een deel van de uitkering werkdeel WWB 2006 over te gaan. Ter zitting is gebleken dat de hoogte van het door verweerder teruggevorderde bedrag van € 337.881,00 tussen partijen niet in geschil is.

12. Eiser heeft zich nog op het standpunt gesteld dat verweerder geen belangenafweging heeft gemaakt en de terugvordering buitenwettelijk en disproportioneel is.

13. Verweerder heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die afbreuk doen aan de rechtmatigheid van de terugvordering of waardoor deze in redelijkheid niet zou kunnen worden gehandhaafd. Eisers stelling dat verweerder geen belangenafweging heeft gemaakt mist dan ook feitelijke grondslag.

14. In beroep heeft eiser evenmin feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder gehouden was af te zien van (al dan niet gehele) terugvordering. De rechtbank is

is van oordeel dat niet kan worden gesteld dat de terugvordering onredelijk is of disproportioneel.

15. Gezien het vorenoverwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder op goede gronden gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid, zoals is neergelegd in artikel 70, eerste lid, van de WWB, om de uitkering ter hoogte van het onrechtmatig bestede werkdeel 2006 terug te vorderen. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

16. De rechtbank acht geen termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten of om te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden.

17. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.L.P. van Cruchten als voorzitter en mr. D.J. de Lange en mr. F.P.J.M. Otten als leden in tegenwoordigheid van mr. H.J. van der Meiden als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2010.

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: