Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL0544

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
AWB 08-3801
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder hanteert het beleid dat artikel 18, vierde lid van de AKW eerst toepassing kan vinden als beide ouders een aanvraag om kinderbijslag hebben ingediend. In de situatie waarin de betaling van kinderbijslag plaatsvindt aan de ouder tot wiens huishouden het kind niet behoort, gaat verweerder over tot uitbetaling van kinderbijslag aan de ouder bij wie het kind woont vanaf het moment waarop deze ouder een aanvraag om kinderbijslag indient. Aldus heeft verweerder in de onderhavige zaak, waarin door de ouder bij wie het kind woont een aanvraag om kinderbijslag met terugwerkende kracht is ingediend, deze aanvraag afgewezen onder verwijzing naar voormeld beleid. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, door dit beleid te hanteren, afwijkt van het bepaalde in artikel 18, vierde lid, AKW. Voor zodanige afwijking biedt echter noch de AKW, noch het op artikel 18, zesde lid van de AKW gegronde Samenloopbesluit kinderbijslag, een wettelijke grondslag. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de wet en komt op die grond voor vernietiging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/3801

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2010

inzake

[eiser]

en

[eiseres],

te [plaats],

eisers,

tegen

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

te Amstelveen,

verweerder,

gemachtigde J.A.J. Groenendaal,

kantoor te Amstelveen.

Procesverloop

Bij (primair) besluit van 7 juli 2008 heeft verweerder medegedeeld dat eiseres met ingang van het tweede kartaal van 2008 recht heeft op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor [kind].

Het hiertegen gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 29 september 2008 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 16 december 2009, waar eisers niet zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers zijn gehuwd. [kind] (hierna: [kind]) is de dochter van eiser. [kind] (geboren op [geboortedatum] 1991) woonde tot 5 oktober 2007 bij haar moeder [moeder]. Op laatstgenoemde datum is [kind] bij eisers gaan wonen.

2. In februari 2008 heeft verweerder een melding gekregen uit de Gemeentelijke Basisadministratie dat [kind] bij eisers is gaan wonen. Verweerder heeft hierop de betaling van de AKW aan de moeder van [kind] geschorst. Vervolgens heeft verweerder een “Vragenformulier voor de beoordeling van het recht op kinderbijslag” aan eisers verzonden; dat formulier hebben eisers op 3 juni 2008 aan verweerder teruggezonden en daarop hebben zij ingevuld dat [kind] vanaf 5 oktober 2007 bij hen woonachtig was.

3. Op enig moment daarna (de precieze datum blijkt niet uit de zich in het dossier bevindende stukken en namens verweerder kon daarover ter zitting geen uitsluitsel worden geboden) hebben eisers een aanvraag gedaan om kinderbijslag voor [kind] te mogen ontvangen vanaf het eerste kwartaal van 2008.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat artikel 18, vierde lid van de AKW niet wordt toegepast als de cliënt bij wie het kind woont, geen aanvraag of verzoek om kinderbijslag heeft ingediend. Eisers hebben pas op 3 juni 2008 medegedeeld dat [kind] sinds oktober 2007 bij hen woonde. Op dat moment was de kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2008 al aan de moeder van [kind] uitbetaald en hadden eisers nog geen aanvraag ingediend. De moeder van [kind] heeft in het eerste kwartaal van 2008 in belangrijke mate aan haar levensonderhoud bijgedragen. Op grond van het beleid van de SVB wordt pas vanaf het moment dat diegene bij wie het kind is gaan wonen later alsnog een aanvraag indient, overgegaan tot betaling van de kinderbijslag aan degene bij wie het kind woont. Verweerder gaat ervan uit dat tot die datum een stilzwijgende afspraak geldt tussen de ouders over de uitbetaling van de kinderbijslag en dat de kosten die worden gemaakt voor het kind, onderling worden gecompenseerd.

5. Eisers hebben aangevoerd dat ten onrechte geen kinderbijslag is toegekend vanaf het eerste kwartaal van 2008. [kind] woont sinds 5 oktober 2007 al bij hen en wordt sindsdien ook volledig door hen onderhouden. Dat [kind] sinds die datum bij hen woont, wordt door de moeder ook erkend. Tot die datum had haar moeder de volledige voogdij. De rechtbank heeft de voogdij uiteindelijk aan haar vader toegewezen. Volgens de website van verweerder kunnen wijzigingen pas worden doorgegeven als er een uitspraak is van de rechtbank. Dit zijn omstandigheden waardoor zij pas later om kinderbijslag hebben verzocht. Ook heeft hun advocaat geadviseerd contact op te nemen zodra de uitspraak van de rechtbank over de voogdij er was.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Tussen partijen staat vast dat [kind] sinds oktober 2007 en daarmee ook op de peildatum (1 januari 2008) bij eisers woonde.

8. Ingevolge artikel 7, eerste lid van de AKW heeft de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een eigen kind, een aangehuwd kind en een pleegkind dat:

a. jonger is dan 16 jaar en tot zijn huishouden behoort, of;

b. jonger is dan 18 jaar en door hem in belangrijke mate wordt onderhouden.

9. Artikel 18 van de AKW luidt – voor zover van belang – als volgt:

“(…)

4. Indien twee of meer personen waaronder één persoon tot wiens huishouden het kind behoort, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind hebben, wordt de kinderbijslag waarop degene recht heeft, tot wiens huishouden dit kind niet behoort, niet betaald.

(…)

6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot situaties van samenloop, bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid, nadere en aanvullende regels worden gesteld waarbij van het vierde en vijfde lid kan worden afgeweken.”

10. De nadere regels als bedoeld in het zesde lid van artikel 18 van de AKW zijn neergelegd in een algemene maatregel van bestuur van 20 december 1991, ter voorkoming van samenloop van kinderbijslag (Stb. 1991, 756, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 1 december 2006, Stb. 2006, 649, hierna: het Samenloopbesluit).

11. Verweerder hanteert met betrekking tot artikel 18, vierde lid van de AKW het volgende beleid, opgenomen in paragraaf 6.7.2 van de Bundel Beleidsregels SVB:

<small><i>“Als de ouders van een kind gescheiden huishoudens voeren en het kind in één van beide huishoudens woont, heeft de ouder in wiens huishouden het kind woont recht op kinderbijslag omdat het kind tot het huishouden van die ouder behoort. Indien de andere ouder, tot wiens huishouden het kind niet behoort, het kind in belangrijke mate onderhoudt, bijvoorbeeld door alimentatie te betalen, heeft ook deze ouder recht op kinderbijslag. Artikel 18, vierde lid AKW bepaalt dat in die situatie, waarin twee maal recht op kinderbijslag voor één kind bestaat, de betaling van de kinderbijslag aan de ouder tot wiens huishouden het kind niet behoort, achterwege moet blijven.

De SVB gaat ervan uit dat artikel 18, lid 4 eerst toepassing kan vinden als beide ouders een aanvraag om kinderbijslag hebben ingediend. Indien geen kinderbijslag wordt aangevraagd door de ouder bij wie het kind woont, kan het bepaalde in artikel 18, vierde lid AKW er dus niet toe leiden dat het aangevraagde recht op kinderbijslag door de andere ouder niet tot uitbetaling komt. Dit brengt mee dat, in de situatie waarin de betaling van kinderbijslag plaatsvindt aan de ouder tot wiens huishouden het kind niet behoort, de SVB overgaat tot de uitbetaling van kinderbijslag aan de ouder bij wie het kind woont vanaf het moment waarop deze ouder een aanvraag om kinderbijslag indient.”</i></small>

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het bestreden besluit geen gevolg heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 18 van de AKW. Het zesde lid van artikel 18 bepaalt immers dat slechts bij algemene maatregel van bestuur (in dit geval het Samenloopbesluit) van het tweede, vierde en vijfde lid van dat artikel kan worden afgeweken. Door de kinderbijslag, waarop – gelet op artikel 7 van de AKW – zowel eisers als de moeder van [kind] op de peildatum 1 januari 2008 recht hadden, over het eerste kwartaal van 2008 niet aan eisers uit te betalen, wijkt verweerder af van het bepaalde in artikel 18, vierde lid, van de AKW, aangezien daaruit volgt dat in een situatie zoals in het geval van [kind] aan de orde, niet wordt betaald aan degene tot wiens huishouden het kind niet behoort. Blijkens het door verweerder toegepaste beleid is die afwijking gegrond op de omstandigheid dat eisers niet eerder een aanvraag hebben gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de tekst van het Samenloopbesluit echter geen grondslag voor zodanige afwijking. Daarin is immers geen bepaling opgenomen die de uitbetaling van de kinderbijslag in het geval van samenloop als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de AKW, koppelt aan het moment waarop door beide ouders een aanvraag is gedaan, of waarin steun is te vinden voor de opvatting van verweerder (ter zitting namens deze naar voren gebracht) dat het recht eerst dient te worden ‘geactiveerd’ alvorens het tot uitbetaling kan komen.

13. In een geval als hier aan de orde, waarin door de ouder bij wie het kind feitelijk woont, met terugwerkende kracht een aanvraag wordt gedaan, zal derhalve door verweerder achteraf moeten worden vastgesteld aan welke ouder over die periode in het verleden de kinderbijslag dient te worden betaald. De artikelen 14a en 24 van de AKW maken het verweerder mogelijk zonodig over te gaan tot herziening en terugvordering van ten onrechte betaalde kinderbijslag. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat het door hem ter zake geformuleerde beleid wordt toegepast teneinde te voorkomen dat hij, wanneer cliënten hun wijzigingen te laat doorgeven, aan de ene ouder moet uitbetalen en van de andere ouder moet terugvorderen. De rechtbank begrijpt hieruit dat verweerder wil voorkomen dat hij zich onevenredig zware inspanningen dient te getroosten, daar waar hij afhankelijk is van het gedrag van zijn cliënten. De rechtbank constateert dat deze ratio (het voorkomen van onevenredig zware inspanningen) mede ten grondslag heeft gelegen aan een in 2006 doorgevoerde wijziging van het Samenloopbesluit. Bij die wijziging (Stb. 2006, 649) is

– onder meer – een voorziening getroffen voor het (hier niet aan de orde zijnd) geval waarin beide ouders tegenstrijdig verklaren over de verblijfplaats van het kind, in welk geval verweerder, in plaats van uitvoerig te moeten onderzoeken bij welke ouder het kind feitelijk verblijft, in afwijking van artikel 18, vierde lid, van de AKW, mag overgaan tot uitbetaling bij helfte aan ieder van de ouders. Dat deze gedachte de wetgever bij voormelde wijziging van het Samenloopbesluit heeft voorgestaan, neemt echter naar het oordeel van de rechtbank op geen wijze de hiervoor geconstateerde omstandigheid weg, dat voor het door verweerder in de onderhavige kwestie gehanteerde beleid geen wettelijke grondslag bestaat. De conclusie moet dan ook zijn, dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de wet.

14. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding het bestreden besluit te vernietigen en verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

15. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten, aangezien geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Wel zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eisers het door hun gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het door hun gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 39,00.

Aldus gedaan door mr. J.M.H. Rijken-Lie als rechter in tegenwoordigheid van J.H. van Wordragen-van Kampen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2010.

<i>Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</i>

Afschriften verzonden: