Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL0320

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
198162 / FA RK 09-4508 MK
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging van een beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 06 september 2006 omdat uitgegaan is van onjuiste en/of onvolledige gegevens. Rechtbank houdt nu rekening met een hogere gemiddelde winst uit onderneming dan waarvan bij beschikking van 06 september 2006 is uitgegaan. Door het gerechtshof is in hoger beroep in de bodemzaak een hogere gemiddelde winst bepaald, rekening houdend met de cijfers 2004 tot en met 2006. De rechtbank neemt deze cijfers over. De wijziging heeft betrekking op de periode 06 september 2006 tot 20 november 2007 en heeft tot gevolg dat de man een nabetaling zal moeten doen aan de vrouw.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 822
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 824
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Zaaknummer : 198162 / FA RK 09-4508 MK

Uitspraak : 22 januari 2010

Beschikking van de meervoudige kamer betreffende wijziging voorlopige voorzieningen in de zaak van

[vrouw],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. H.J.M. van Arkel-van Gasselt,

tegen:

[man]

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M.A.J. Burgers- Thomassen,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.

Deze beschikking is een vervolg op de beschikking van deze rechtbank van 10 november 2009 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast geldt.

De verdere procedure

Bij voornoemde beschikking is de zaak ter verdere behandeling en afdoening verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. De behandeling ter zitting is voortgezet op 6 januari 2010. Verschenen zijn partijen en hun advocaten. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De verdere beoordeling

Ontvankelijkheid

In voornoemde beschikking heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van de vrouw als een verzoek om wijziging op grond van het bepaalde in artikel 824 lid 2 Rv kan worden beschouwd. Het verzoek van de vrouw heeft betrekking op de periode van 6 september 2006, de datum waarop haar verzoek tot vaststelling van een voorlopige bijdrage werd afgewezen, tot 20 november 2007, de dag waarop de echtscheidingsbeschikking van 7 augustus 2007 van deze rechtbank werd ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

Op verzoek van één van de echtgenoten kan de beschikking als bedoeld in artikel 822 Rv worden gewijzigd of ingetrokken indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd, of indien bij het geven van de beschikking in zondanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Met het opnemen van de zinsneden "in zodanige mate"en "alle betrokken belangen in aanmerking nemend" in artikel 824 lid 2 Rv, heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat niet iedere wijziging van de omstandigheden en niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan is uitgegaan tot een wijziging of intrekking kan leiden. Het moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen. Dit vloeit mede voort uit het karakter van de voorlopige voorziening, namelijk een ordemaatregel. Zo zal in het algemeen een gering verschil tussen de alimentatie die in eerste instantie is opgelegd en de alimentatie die het resultaat is van de herberekening niet tot een wijziging kunnen leiden.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzoek van de vrouw in het licht van de hierboven genoemde eisen, overweegt de rechtbank als volgt. In de beschikking van 6 september 2006 heeft de rechtbank rekening gehouden met een resultaat uit onderneming van € 107.581,00 per jaar, het gemiddelde resultaat over de jaren 2003 tot en met 2005 en heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om een voorlopige bijdrage in haar levensonderhoud afgewezen, bij gebrek aan draagkracht aan de zijde van de man. In de bodemprocedure heeft de rechtbank, rekening houdend met de beschikbare gegevens over de jaren 2003 tot en met 2005 en na diverse correcties bij beschikking van 7 augustus 2007 een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 1.493,00 en de door de man te betalen bijdrage aan de vrouw in haar levensonderhoud met ingang van 01 januari 2009 nader op nihil bepaald. In hoger beroep heeft het gerechtshof de beschikking gehad over de jaarstukken uit 2006. Het gerechtshof heeft een aantal correcties aangebracht en heeft de gemiddelde winst over de jaren 2004 tot en met 2006 vastgesteld op een bedrag van € 122.770,00 per jaar. Op basis van deze gegevens heeft het gerechtshof bij beschikking van 23 oktober 2008 de man veroordeeld om met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot 1 januari 2008 met een bedrag ad € 1.756,00 per maand bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw en daarna met een bedrag van € 1.740,00 per maand. In het licht van voormelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de beschikking van 6 september 2006 is gebaseerd op onvolledige en onjuiste gegevens in een zodanige mate dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek.

De man heeft gesteld dat de vrouw in redelijkheid geen aanspraak kan maken op een voorlopige bijdrage na zo lange tijd. De man zou voorts de voorlopige bijdrage nu niet kunnen betalen. De rechtbank verstaat het verweer van de man aldus dat hij stelt dat zijn belang bij het in stand laten van de voorlopige voorziening zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij een wijziging. De rechtbank zal de man niet volgen in dit verweer. Het belang van de vrouw bij toekenning van het verzoek weegt zwaarder dan het door de man gestelde belang. De vrouw is immers in de betreffende periode niet in staat geweest zelfstandig in haar behoefte te voorzien en heeft forse bedragen geleend. Voorts had de man reeds eerder, namelijk na de beschikkingen in de bodemprocedure, kunnen vaststellen dat de beschikking van de rechtbank van 6 september 2006 was gebaseerd op onvolledige en onjuiste gegevens.

De man heeft voorts weliswaar gesteld financieel niet in staat te zijn tot het betalen van de door de vrouw verzochte bijdrage maar heeft dit niet aannemelijk gemaakt.

De hoogte van de bijdrage

Zowel de man als de vrouw hebben verzocht om de voorlopige bijdrage vast te stellen in afwijking van de beschikking van het gerechtshof in de bodemprocedure. De vrouw gaat uit van de winst uit onderneming in 2006 met extra correcties op de jaarrekening 2006. De man wenst uit te gaan van de gemiddelde winst uit onderneming over 2004 tot en met 2006 zonder de correcties van het gerechtshof.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nu in de bodemprocedure deze discussie definitief is beslecht door het gerechtshof gaat de rechtbank overeenkomstig de beschikking van het gerechtshof uit van de gemiddelde winst uit onderneming over de periode 2004-2006 met de door het gerechtshof aangebrachte correcties. Zoals partijen hebben aangegeven, kan worden uitgegaan van de lasten van de man, zoals deze zijn vastgesteld in de beschikking van 6 september 2009. De rechtbank zal voorts uitgaan van de bij voornoemde beschikking vastgestelde bijdragen van de twee kinderen. De rechtbank stelt de door de man te betalen voorlopige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vast als hierna te melden.

Proceskosten

De man heeft de rechtbank verzocht de vrouw te veroordelen in de proceskosten omdat naar zijn mening sprake is van een nodeloos opgestarte procedure.

Het verzoek van de man wordt afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 6 september 2006, voor wat betreft de daarbij bepaalde partneralimentatie, als hierna te melden;

bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 6 september 2006 tot en 25 november 2006 voorlopig moet betalen tot levensonderhoud van de vrouw op € 1.577,00 (zegge vijftienhonderdzevenenzeventig euro per maand;

bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 25 november 2006 tot 20 november 2007 voorlopig moet betalen tot levensonderhoud van de vrouw op € 1.579,00 (zegge vijftienhonderdnegenenzeventig euro per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. ter Braak, voorzitter, mr. O.T. Brouwer en mr. M.J.H.M. Verhoeven, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2010 in aanwezigheid van de griffier.