Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL0303

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
AWB 09-5559 en AWB 09-5560
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM1015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

"Bouwvergunning en binnenplanse ontheffing voor de bouw van een drietal varkensstallen. Geen doorwerking correctieve herziening reconstructieplan Boven-Dommel."

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Algemene wet bestuursrecht 8:87
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Wet ruimtelijke ordening 3.7
Woningwet
Woningwet 40
Woningwet 44
Woningwet 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/5559 en AWB 09/5[verzoekers]ng[verzoeker]22 [verzoeker]

in[verzoeker]]

allen te Riethoven,

verzoekers,

[gemachtigde]

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk,

verw[gemachtigde]]

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghouder] (vergunninghouder), te Riethoven, [gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2009 heeft verweerder een bouwvergunning verleend aan vergunninghouder voor het oprichten van een drietal varkensstallen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Riethoven, sectie E, nummer 1325, plaatselijk bekend [adres] te Riethoven.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en [verzoeker] bij brief van 24 april [verzoekers]rder[verzoeker] hebben bij brief van 23 april 2009 tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 9 september 2009 hebben verzoekers de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht ter zake van het besluit van 13 maart 2009 een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij uitspraak van 11 september 2009 (AWB 09/3154) heeft de voorzieningenrechter het besluit van verweerder van 13 maart 2009 geschorst en daarbij bepaald dat partijen worden uitgenodigd om op een nader te bepalen datum en tijdstip ter zitting te verschijnen teneinde te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.

Op de zitting van 7 oktober 2009 heeft ter beoordeling gestaan of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.

Bij uitspraak van 21 oktober 2009 (AWB 09/3154 OPHEFFING) heeft de voorzieningenrechter de bij uitspraak van 11 september 2009 getroffen voorlopige voorziening opgeheven.

Verweerder heeft bij besluit van 22 oktober 2009 het bezwaar van verzoekers ten aanzien van de noodzakelijke ontheffing gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Bij dit besluit is tevens ontheffing verleend op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro), welk besluit onderdeel uitmaakt van het besluit op bezwaar.

Tegen dit besluit hebben verzoeker bij brief van 23 november 2009 beroep ingesteld.

Bij brief van 23 november 2009 hebben verzoekers tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld op de zitting van 7 januari 2010, waar [verzoekers], [verzoeker] en [verzoeker] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De heer [verzoeker] is niet verschenen. Als gemachtigde van verweerder is verschenen [gemachtigde], bijgestaan door haar collega [gemachtigde] Voorts is verschenen vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, onder meer indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien de voorzieningenrechter in een dergelijk geval van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan worden gedaan in de hoofdzaak. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter gewezen.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de aanhangige hoofdzaak.

4. Het bouwplan voorziet in de oprichting van drie varkensstallen op een perceel aan de [adres] te Riethoven. Tussen partijen is niet in geschil dat een deel van één van de stallen op minder dan vijf meter van de perceelsgrens is gesitueerd.

5. Het wettelijk kader ten tijde hier van belang, luidt als volgt.

6. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

7. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld dan wel met een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, 3.27 of 3.29 van de Wro of met een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van die wet.

8. Ingevolge artikel 46, derde lid, aanhef en onder a, van de Ww wordt de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, 3.22, 3.23 of 3.38, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

9. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kunnen burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels, van bij het plan aan te geven regels ontheffing verlenen.

10. Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 1996” rust op de gronden waarop het bouwplan wordt gerealiseerd de bestemming “Agrarische bedrijven”.

11. Artikel 0.2 van de planvoorschriften luidt als volgt:

Waar een bestemming en een of meer differentiaties, zoals aangegeven op plankaart 1 (hoofdstructuur) samenvallen met een bestemming, zoals aangegeven op plankaart 2 (detailfuncties) geldt het bepaalde ten aanzien van de bestemming op plankaart 2.

12. Ingevolge artikel 2.1 lid A, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften zijn de gronden die zijn aangewezen als “Agrarische bedrijven” (plankaart 2) bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf met bijbehorende voorzieningen zoals een mestopslagsilo op bedrijfsniveau en bedrijfs- of teeltondersteunende voorzieningen met uitzondering van een glastuinbouwbedrijf.

13. Ingevolge artikel 2.1 lid B, aanhef en onder 1, sub e, van de planvoorschriften mag de tot “Agrarische bedrijven”(plankaart 2) bestemde grond uitsluitend worden bebouwd met inachtneming van een afstand tot de perceelsgrens van niet minder dan 5 meter.

14. Ingevolge artikel 0.6 aanhef en vierde lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in de voorschriften ten behoeve van het overschrijden van de minimale afstanden tot de bestemmings- of perceelsgrens, met dien verstande dat de noodzaak voor een korte afstand is aangetoond en de stedenbouwkundige structuur niet onevenredig wordt aangetast.

15. Ingevolge artikel 9.1.7 van de Invoeringswet Wro wordt een vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro.

16. Aan de orde is de vraag of verweerder in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen van het bestemmingsplan en of verweerder de bouwvergunning terecht heeft verleend.

17. Het geschil spitst zich toe op de vraag of ontheffing is verleend in strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied 1996”, het reconstructieplan Boven-Dommel en het provinciaal beleid en de vraag of de ontheffing door verweerder voldoende is gemotiveerd.

18. Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat het (agrarisch) bouwblok volgens het bestemmingsplan weliswaar maximaal 1,5 ha mag omvatten, maar dat het bouwblok volgens de plankaart groter is, namelijk 1,8 ha. Volgens verzoekers hebben gedeputeerde staten op de plankaart met een handgeschreven aantekening aangegeven dat het bouwblok maximaal 1,5 ha mag bedragen. Van deze aantekening heeft de gemachtigde van verzoekers ter zitting een kopie laten zien.

19. De voorzieningenrechter overweegt dat de plankaart de grootte van het bouwblok weergeeft waarvan dient te worden uitgegaan. De beweerdelijk gedane aantekening op de plankaart doet hieraan niet af, immers uit niets blijkt dat aan de plankaart door gedeputeerde staten goedkeuring is onthouden. Bovendien ontbreekt de aantekening op de plankaart zoals die door verweerder bij de stukken is overgelegd en welke deel uitmaakt van het dossier.

20. Dat het bouwplan volgens verzoekers de bouwblokgrenzen overschrijdt en derhalve in strijd is met het bestemmingsplan, volgt de voorzieningenrechter niet. Ter zitting is aan de hand van een door verweerder overgelegd doordrukvel waarop het bouwblok op het bouwplan is ingetekend, geconstateerd dat het bouwplan past binnen het bouwblok. Verzoekers hebben hun betoog, dat verharding buiten het bouwblok noodzakelijk zal zijn voor het bereiken van de bouwwerken (zoals de silo’s) die dicht op de rand van het bouwblok zijn gesitueerd naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt. Vergunninghouder heeft zulks nadrukkelijk betwist en aan de hand van de plankaart toegelicht dat de silo’s kunnen worden bereikt via (de verharding in) het bouwblok. Evenmin volgt de voorzieningenrechter verzoekers in hun stelling dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan omdat de realisatie van erfbeplanting niet mogelijk is binnen het bouwblok, nu de erfbeplanting volgens artikel 0.3 (begripsbepalingen) van de planvoorschriften ook direct aansluitend op het bouwblok kan zijn gesitueerd.

21. Met betrekking tot het betoog dat - (de correctieve herziening van) het reconstructieplan “Boven-Dommel” doorwerkt en dat er in dit geval een voorbereidingsbescherming geldt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

22. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de bij besluit van 27 juni 2008 vastgestelde correctieve herziening van het reconstructieplan, de begrenzing van de integrale zonering opnieuw op grond van artikel 27 van de Reconstructiewet concentratiegebieden (Rwc) is aangewezen als onderdeel waarvoor de reconstructieplannen als voorbereidingsbesluit gelden als bedoeld in artikel 3.7 van de Wro. Voor de beleidsuitspraken voor het grondgebruik binnen de reconstructiezones is daarentegen geen toepassing meer gegeven aan artikel 27 van de Rwc. Deze beleidsuitspraken werken niet rechtstreeks planologisch door maar zijn wel richtinggevend voor het beoordelen van initiatieven voor de intensieve veehouderij en voor het aanpassen van de bestemmingsplannen van gemeenten. Volgens de tekst van de correctieve herziening zijn ook de beperkingen en de ontwikkelingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen - behoudens voor zover die mogelijkheden rechtstreeks voortvloeien uit de aanduiding van de in artikel 1 van de Rwc onderscheiden gebieden - nog onvoldoende concreet onderzocht en afgewogen tot op perceelsniveau. Veroekers’ stelling dat er sprake is van doorwerking van het reconstructieplan is dan ook slechts ten dele juist. De beleidsuitspraken komen eerst aan de orde bij het opstellen van bestemmingsplannen of bij het verlenen van buitenplanse ontheffing, hetgeen thans niet aan de orde is. Ter ondersteuning van het standpunt dat de beleidsuitspraken niet rechtstreeks doorwerken verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van 20 januari 2009 (LJN: BH1097) van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

23. Vervolgens is de vraag aan de orde of uitbreiding van de intensieve veehouderij met het bouwplan, in strijd is met artikel 1 van de Rwc en of derhalve een voorbereidings-bescherming geldt.

24. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan wordt gerealiseerd in een “verwevingsgebied”. Uitbreiding van de intensieve veehouderij is ingevolge artikel 1 van de Rwc mogelijk mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten. Nu het bouwplan, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, niet in strijd is met het bestemmingsplan, is uitbreiding aldus mogelijk. Verzoekers grief dat een voorbereidingsbescherming geldt en dat de beslissing op de bouwaanvraag had moeten worden aangehouden, faalt derhalve.

25. De voorzieningenrechter volgt verzoekers evenmin in hun betoog dat een duurzaamheidstoets had moeten plaatsvinden voor het bouwplan, welke toets is vastgesteld in de Interimstructuurvisie, de Paraplunota van de provincie Noord-Brabant en de bijbehorende handleiding duurzame locaties. De voorzieningenrechter overweegt dat in het onderhavige geval sprake is van een binnenplanse ontheffing, waarbij de in het bestemmingsplan vervatte regels leidend zijn en waarbij het beleid van de provincie geen rol speelt.

26. Ten slotte hebben verzoekers zich op het standpunt gesteld dat de binnenplanse ontheffing onvoldoende is gemotiveerd, nu verweerder niet heeft onderbouwd dat het noodzakelijk is om op minder dan 5 meter van de perceelsgrens te bouwen en dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige structuur. Hieromtrent wordt overwogen dat verweerder heeft toegelicht dat de noodzaak is gelegen in een efficiënte benutting van het bouwperceel, hetgeen naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende is aangetoond. Hierbij wordt opgemerkt dat de naastgelegen percelen bovendien eigendom zijn van vergunninghouder waardoor verzoekers, door het bouwen op minder dan 5 meter van de perceelsgrens, niet worden benadeeld. Terzake van de stedenbouwkundige structuur wordt overwogen dat verweerder in het bestreden besluit heeft aangegeven dat de visuele bouwblokgrens niet wordt doorbroken, dat sprake is van een compacte bebouwingsconcentratie en dat het bouwplan door de welstandscommissie is goedgekeurd. Verzoekers hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de stedenbouwkundige structuur door realisatie van het bouwplan onevenredig wordt aangetast. Gelet op het vorenstaande bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerder het ontheffingsbesluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

27. Het voorgaande leidt ertoe dat verweerder in redelijkheid binnenplanse ontheffing heeft kunnen verlenen en terecht de bouwvergunning heeft verleend voor het bouwen van drie varkensstallen op het perceel [adres] te Bergeijk. Hetgeen overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep zal gelet hierop ongegrond worden verklaard.

28. Gezien de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

29. Voor een veroordeling in de proceskosten worden geen termen aanwezig geacht. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding te bepalen dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierrecht aan hen moet vergoeden.

30. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. E.C.J. Kohl als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2010.

?