Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BK9982

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
AWB 08-4125 e.a
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie AWB 08/4125 e.a.

Vrijstellingsbesluiten ten behoeve van de permanente bewoning van recreatieverblijven op bungalowpark. Uitleg artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de belangen van eisers – (bloot)eigenaar en exploitant van het bungalowpark – in voldoende mate bij verweerders besluitvorming betrokken. Ten aanzien van de peildatum van 31 oktober 2003 is verweerder uitgegaan van gegevens uit de GBA en van de Belastingdienst. Vastgesteld wordt dat vrijstellingen zijn verleend ten behoeve van personen die op de peildatum nog niet op het adres van de betrokken recreatiewoning in de GBA stonden ingeschreven alsmede ten behoeve personen die de recreatiewoning niet als eigen woning bij de Belastingdienst hebben opgegeven. Besluiten in zoverre niet toereikend gemotiveerd. Volgt (gedeeltelijke) vernietiging van de betreffende bestreden besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 08/4125 e.a.

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2010

inzake

[eiseres]

gevestigd te Oister[adres]res]

gevestigd te Oisterwijk,

eisers,

[gemachtigden]

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot,

verweerder,

[gemachtigden]

Aan het geding hebben als belanghebbende partijen deelgenomen [belanghebbenden]

Procesverloop

Bij besluiten van 24 oktober 2008, 6 februari 2009, 27 februari 2009, 8 mei 2009 en 29 mei 2009, alle voorbereid met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft verweerder met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, vierde en vijfde lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (BRO) aan diverse personen vrijstelling verleend ten behoeve van de permanente bewoning van de in die besluiten nader aangeduide recreatieverblijven op het bun[adres]] te Oirschot (hierna: het bungalowpark).

Tegen deze besluiten hebben eisers bij afzonderlijke beroepschriften, gedateerd 24 november 2008, 17 maart 2009, 18 maart 2009, 19 mei 2009 en 4 juni 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank. Deze beroepen zijn geregistreerd onder de zaaknummers zoals vermeld in de bij deze uitspraak behorende en daarvan deel uitmakende bijlage. In deze bijlage is tevens vermeld aan wie de bestreden vrijstellingen zijn verleend en op welke recreatiewoning zij betrekking hebben.

Op 20 juli 2009 heeft een inlichtingencomparitie plaatsgevonden.

Verweerder heeft naar aanleiding van de inlichtingencomparitie stukken overgelegd, bevattende gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA), alsmede stukken afkomstig van de Belastingdienst. Verweerder heeft daarbij onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de mededeling gedaan dat uitsluitend de rechtbank van deze stukken kennis zal mogen nemen.

Bij beslissing van 8 oktober 2009 heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming van deze stukken niet gerechtvaardigd is. Deze beslissing is aan deze uitspraak gehecht. Daarop heeft verweerder – voor zover hier van belang – medegedeeld ermee in te stemmen dat de stukken aan het dossier worden toegevoegd.

De beroepen zijn gevoegd behandeld op de zitting van 12 november 2009, waar eisers zijn verschenen bij gemachtigde, vergezeld door [naam]. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde. [belanghebbenden] zijn ter zitting vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Namens de overige belanghebbenden is ter zitting het woord gevoerd door [gemachtigde]

Overwegingen

De ontvankelijkheid van de beroepen

1. Op de gronden, zoals uiteengezet in r.o. 26 van de uitspraak van deze rechtbank van 24 december 2009, AWB 09/1345, AWB 09/5785 e.a. (aangehecht), is de rechtbank van oordeel dat eisers niet kunnen worden gevolgd in hun betoog dat de bestreden besluiten tot verlening van vrijstelling dienen te worden aangemerkt als beslissingen op bezwaar, genomen in het kader van de (hernieuwde) heroverweging van het besluit van verweerder van 18 maart 2005, houdende de afwijzende beslissing op het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen de permanente bewoning van recreatieverblijven op het bungalowpark. In aanmerking genomen dat de bestreden besluiten zijn voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb zijn zij op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb vatbaar voor (rechtstreeks) beroep bij de rechtbank.

2. Dit brengt mee dat allereerst moet worden ingegaan op verweerders betoog dat een aantal beroepen, gericht tegen vrijstellingen ten aanzien waarvan eisers hebben verzuimd (tijdig) zienswijzen naar voren te brengen over de desbetreffende ontwerpbesluiten, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb – voor zover hier van belang – kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

4. Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, eerste volzin, van de Awb geeft het bestuursorgaan in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt in de kennisgeving vermeld:

a. waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;

b. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen;

c. op welke wijze dit kan geschieden;

d. (…)

5. Ingevolge artikel 3:13, eerste lid, van de Awb zendt het bestuursorgaan, indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is artikel 3:12, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

6. Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Awb kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

7. Ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Awb – voor zover hier van belang – bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel vangt de termijn aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.

8. Vaststaat dat aan eisers noch aan hun gemachtigde, voorafgaand aan de terinzagelegging, de ontwerpbesluiten tot verlening van vrijstelling zijn toegezonden. Niet betwist is voorts dat om een zodanige toezending door eisers uitdrukkelijk was verzocht.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, door de toezending van de ontwerpbesluiten aan eisers dan wel hun gemachtigde achterwege te laten, heeft gehandeld in strijd met artikel 3:13 van de Awb. Daarbij is in aanmerking genomen dat eisers (bloot)eigenaar, onderscheidenlijk exploitant zijn van het bungalowpark. Nu de verleende vrijstellingen een verruiming inhouden van de gebruiksmogelijkheden van de op het bungalowpark aanwezige recreatieverblijven en het verweerder reeds geruime tijd bekend was dat eisers zich tegen die verruiming verzetten, moeten de vrijstellingen geacht worden mede te zijn gericht tot eisers in hun hiervoor genoemde hoedanigheden.

10. Gelet voorts op het grote aantal vrijstellingsbesluiten dat verweerder op verschillende data heeft genomen acht de rechtbank aannemelijk dat eisers als gevolg van de schending door verweerder van artikel 3:13 van de Awb niet in alle gevallen (tijdig) zienswijzen naar voren heeft kunnen brengen. De omstandigheid dat kennisgeving overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft plaatsgevonden kan daaraan niet afdoen. Dit brengt mee dat eisers redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij hun zienswijzen niet in alle gevallen (tijdig) naar voren hebben gebracht. In artikel 6:13 van de Awb is derhalve geen grond gelegen de beroepen van eisers niet-ontvankelijk te achten.

11. Verweerder heeft er nog op gewezen dat de permanente bewoning van de recreatieverblijven [adres] 45, 81, 88, 182 en 223 door het overlijden dan wel het verhuizen van de bewoners is beëindigd. Als gevolg hiervan zijn de voor de bewoning verleende vrijstellingen, gelet op het persoonsgebonden karakter ervan, van rechtswege vervallen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers geen belang meer hebben bij een beoordeling van hun beroepen, voor zover gericht tegen bedoelde vrijstellingsbesluiten.

12. Deze door verweerder gestelde feiten noch het daaruit voortvloeiende rechtsgevolg zijn door eisers betwist. Desgevraagd hebben eisers niet kunnen aangeven waaruit hun belang bestaat bij handhaving van de tegen de hiervoor bedoelde vrijstellingsbesluiten gerichte beroepen. Gelet hierop moeten zij geacht worden bij de beoordeling van die beroepen geen belang meer te hebben. Deze beroepen, geregistreerd onder nrs. AWB 09/1175, AWB 09/1182, AWB 09/1184, AWB 09/1214 en AWB 09/1225, dienen deswege niet-ontvankelijk te worden verklaard.

13. Nu de beroepen voor het overige ontvankelijk zijn, zal de rechtbank op de grondslag van de, nagenoeg gelijkluidende, beroepschriften onderzoeken of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

De inhoudelijke beoordeling van de beroepen

14. Vaststaat dat de permanente bewoning van recreatieverblijven op het bungalowpark in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, op grond waarvan op het park een recreatieve bestemming rust.

15. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO – voor zover hier van belang – kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

16. Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, van het BRO komt voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een wijziging in het gebruik van een recreatiewoning ten behoeve van bewoning, mits:

1e. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

2e. bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden;

3e. de aanvrager voor, maar in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, uitsluitend verleend ten behoeve van de aanvrager en diens met name genoemde meerderjarige huisgenoten die voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel g, ten 3e. Zij vervalt in elk geval zodra de in de eerste volzin genoemde personen de bewoning hebben beëindigd, aldus de laatste volzin.

Ingevolge het vijfde lid wordt vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, onder g, in elk geval geweigerd, indien verlening in strijd zou zijn met door de gemeente op 31 oktober 2003 gevoerd handhavingsbeleid ten aanzien van het gebruik van recreatiewoningen.

17. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder bij de voorbereiding van de bestreden besluiten artikel 3:11, eerste lid, van de Awb heeft geschonden door met de ontwerpbesluiten niet tevens ter inzage te leggen de stukken, behelzende de gegevens afkomstig uit de GBA en van de Belastingdienst, op grond waarvan verweerder tot de conclusie is gekomen dat de betrokkenen sedert 31 oktober 2003 onafgebroken de recreatiewoningen bewonen.

18. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan, aldus de laatste volzin van dit artikellid.

19. De rechtbank stelt voorop dat de hiervoor bedoelde gegevens door verweerder zijn gebruikt bij de vaststelling of is voldaan aan het vereiste, gesteld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, ten 3e, van het BRO. Gelet hierop zijn deze gegevens relevant voor de beoordeling van het ontwerpbesluit en dienen zij, voor zover zij in stukken zijn vervat, op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb in beginsel met de ontwerpbesluiten ter inzage te worden gelegd. Slechts op grond van het tweede lid van dit wetsartikel kan daarop een uitzondering worden gemaakt.

20. Met betrekking tot de gegevens uit de GBA neemt de rechtbank, mede op grond van de door verweerder ter zitting gegeven toelichting, aan dat verweerder als zogenoemde binnengemeentelijke afnemer in de zin van de Wet gemeentelijke basisadmininstratie persoonsgegevens (Wet GBA) toegang tot die gegevens heeft verkregen. De Wet GBA geldt als een ten opzichte van de Wob bijzondere openbaarmakingsregeling en verzet zich tegen verstrekking van gegevens uit het GBA, anders dan voorzien in deze wet.

21. De gegevens afkomstig van de Belastingdienst zijn blijkens de desbetreffende inlichtingenformulieren kennelijk verstrekt met toepassing van artikel 43c, eerste lid, aanhef en onder j, ten 1?, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (hierna: de Uitvoeringsregeling). Dit voorschrift geeft uitvoering aan de in artikel 67, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen neergelegde mogelijkheid tot verlening van ontheffing van het in het eerste lid van dit wetsartikel neergelegde verbod tot bekendmaking van fiscale gegevens, anders dan noodzakelijk voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting. Op grond van voormeld artikelonderdeel van de Uitvoeringsregeling mag de Belastingdienst aan gemeenten gegevens verstrekken over de bewoning van een eigen woning ten behoeve van het tegengaan van permanente bewoning van recreatiewoningen. Ook de Uitvoeringsregeling moet in zoverre worden aangemerkt als een ten opzichte van de Wob bijzondere openbaarmakingsregeling, die zich verzet tegen openbaarmaking van de desbetreffende gegevens, anders dan in die regeling zelf voorzien.

22. Hoewel artikel 3:11, tweede lid, van de Awb naar de letter slechts een uitzondering toestaat op de plicht tot terinzagelegging van de relevante stukken op gronden, ontleend aan artikel 10 van de Wob, brengt een redelijke uitleg van dit artikellid mee, dat de plicht tot terinzagelegging evenmin geldt, indien een ten opzichte van de Wob bijzondere regeling zich tegen openbaarmaking van de betrokken gegevens zou verzetten. Nu zich met betrekking tot de voormelde gegevens een dergelijke situatie voordoet, heeft verweerder de terinzagelegging van de desbetreffende stukken achterwege kunnen laten. Voor zover verweerder in strijd met de tweede volzin van artikel 3:11, tweede lid, van de Awb heeft verzuimd uitdrukkelijk mededeling te doen van het feit dat de desbetreffende stukken niet ter inzage lagen, kan aan de schending van dit vormvoorschrift met toepassing van artikel 6:22 van de Awb voorbij worden gegaan. Gesteld noch gebleken is dat eisers door het achterwege laten van die mededeling in hun belangen zijn geschaad. De desbetreffende beroepsgrond faalt.

Overigens hebben eisers van de desbetreffende gegevens in het kader van de behandeling van de onderhavige beroepen uiteindelijk wel kennis kunnen nemen.

23. Eisers hebben betoogd dat de verlening van vrijstelling als thans aan de orde op een zo grote schaal is geschied, dat dit neerkomt op een verkapte wijziging van het bestemmingsplan. Door op deze wijze te handelen is verweerder ten onrechte voorbijgegaan aan de waarborgen waarmee de procedure tot wijziging van een bestemmingsplan is omgeven, aldus eisers.

24. Dit betoog faalt. Verweerder heeft er met juistheid op gewezen dat door het persoons- en objectgebonden karakter van de vrijstellingsbesluiten een in tijd beperkte afwijking van het bestemmingsplan is ontstaan die niet op een lijn kan worden gesteld met een wijziging van dit plan. Van een ongeoorloofd opzij zetten van de waarborgen waarmee de bestemmingsplanprocedure is omgeven, is derhalve geen sprake.

25. Eisers hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen onvoldoende oog heeft gehad voor hun (financiële) belangen. Zij hebben in dit verband – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de permanente bewoning van recreatiewoningen hogere exploitatiekosten meebrengt dan niet-permanente bewoning. De voortdurende bezetting van recreatiewoningen bij permanente bewoning vormt een grotere belasting van de aanwezige voorzieningen dan die welke zou optreden bij een niet-permanente bezetting. Verweerder heeft onvoldoende oog gehad voor de voor eisers hieruit voortvloeiende financiële schade. In elk geval had verweerder niet tot verlening van de vrijstelling mogen overgaan, zonder daarbij te garanderen dat de door eisers te lijden schade zal worden vergoed, aldus eisers.

26. Verweerder heeft deze stelling van eisers weersproken. Verweerder heeft uiteengezet dat hij bij de besluitvorming de belangen van eisers wel degelijk heeft betrokken, en deze heeft afgewogen tegen onder meer het belang van de degenen die het bungalowpark al langere tijd bewonen om die bewoning te kunnen voortzetten. Bij die belangenafweging heeft verweerder gewicht gehecht aan de omstandigheid dat van de kant van eisers, hoewel zij daartoe privaatrechtelijk wel de mogelijkheid hadden, nimmer beletselen zijn opgeworpen tegen de permanente bewoning van de recreatiewoningen. Integendeel, jegens de bewoners van het bungalowpark is zijdens eisers te kennen gegeven dat de permanente bewoning zou worden toegestaan, zolang van gemeentewege daartegen niet zou worden opgetreden. De door eisers gestelde financiële schade acht verweerder verder niet onderbouwd, zodat ook daarin geen zwaarwegend argument is gezien om van verlening van vrijstelling af te zien.

27. Deze motivering geeft er geen blijk van dat verweerder de belangen van eisers in onvoldoende mate bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Evenmin kan van deze belangenafweging gezegd worden dat zij zodanig onevenwichtig is, dat verweerder in redelijkheid niet tot verlening van de vrijstellingen heeft kunnen besluiten. Daarbij is in aanmerking genomen dat de permanente bewoning van recreatiewoningen op het bungalowpark reeds gedurende lange tijd op ruime schaal plaatsvond en – naar aannemelijk is geworden – door eisers bij de exploitatie van het bungalowpark al die tijd min of meer is aanvaard als een gegeven, waarop zij de bedrijfsvoering hebben afgestemd. De rechtbank deelt voorts verweerders opvatting dat eisers de door hen gestelde financiële schade niet nader hebben onderbouwd. Om deze reden hoefde verweerder ook geen aanleiding te zien de vergoeding van de door eisers te lijden schade voorafgaand aan het nemen van de bestreden besluiten te verzekeren. De beroepsgrond faalt.

28. Eisers hebben verder betoogd dat verweerder, door op grote schaal vrijstellingen te verlenen voor de permanente bewoning van recreatiewoningen, in strijd heeft gehandeld met zijn beginselplicht om een einde te maken aan de illegale bewoning op het bungalowpark.

29. Ook dit betoog faalt, reeds omdat door de verlening van de vrijstellingen een einde komt aan het illegale karakter van de bewoning van de betrokken recreatiewoningen. Van een beginselplicht tot handhaving is in zoverre dan ook geen sprake meer.

30. Eisers betwisten ten slotte dat verweerder met voldoende zorgvuldigheid heeft onderzocht of alle personen ten aanzien van wie vrijstelling is verleend, voldoen aan het vereiste, dat zij sedert in ieder geval 31 oktober 2003 onafgebroken hun hoofdverblijf in de betrokken recreatiewoning hadden. Zij hebben daartoe aangevoerd dat verweerder ter motivering van zijn besluiten niet had mogen volstaan met verwijzing naar de GBA en gegevens van de Belastingdienst en nader feitenonderzoek had moeten verrichten. Na kennis te hebben genomen van de desbetreffende, door verweerder in beroep alsnog overgelegde, gegevens hebben eisers onder meer vastgesteld, dat vrijstellingen zijn verleend ten behoeve van personen die blijkens de gegevens van de GBA op 31 oktober 2003 nog niet stonden ingeschreven als bewoners van de betrokken recreatiewoningen. In dit verband hebben eisers bovendien de authenticiteit betwist van de door verweerder overgelegde GBA-gegevens nu daarvan slechts een overzicht is overgelegd en geen gewaarmerkte afschriften. Voorts hebben eisers geconstateerd dat niet in alle gevallen de gegevens van de Belastingdienst overeenkomen met de gestelde permanente bewoning van de recreatiewoning. Eisers hebben voorts hun bevreemding geuit over het feit dat de gegevens van de Belastingdienst waar verweerder zich op heeft gebaseerd slechts betrekking hebben op het jaar 2006.

31. Verweerder heeft uiteengezet dat hij zich bij de vraag of aan de eis van onafgebroken bewoning sinds de peildatum van 31 oktober 2003 is voldaan, in beginsel heeft laten leiden door gegevens uit de GBA. Ter controle zijn voorts bij de Belastingdienst gegevens over het (belasting)jaar 2006 opgevraagd. Deze gegevens hebben betrekking op de vraag of het recreatieverblijf door de aangifteplichtige in het kader van de inkomstenbelasting ook is opgegeven als eigen woning. Een bevestigend antwoord op die vraag kan een indicatie zijn dat de woning ook daadwerkelijk tot hoofdverblijf van de betrokkene dient. Gegevens over andere jaren dan 2006 waren volgens verweerder bij de Belastingdienst niet in verstrekbare vorm voorhanden. Weliswaar kunnen uit die gegevens daarom geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de peildatum van 31 oktober 2003, maar zij kunnen volgens verweerder wel dienstbaar zijn bij de beantwoording van de vraag of de bewoning sedert die peildatum onafgebroken heeft voortgeduurd.

32. De rechtbank acht het in beginsel aanvaardbaar dat verweerder bij de beantwoording van de vraag of de personen voor wie de aangevraagde vrijstelling heeft te gelden, sedert de peildatum van 31 oktober 2003 onafgebroken hun hoofdverblijf in de betrokken recreatiewoning hebben gehad, uitgaat van de gegevens uit de GBA. De door verweerder bij de Belastingdienst ingewonnen informatie over het belastingjaar 2006 kan daarbij eveneens behulpzaam zijn. Indien er echter op grond van die of andere informatie aanwijzingen zijn, dat de gegevens uit de GBA niet overeenkomen met de werkelijkheid, dient nader gemotiveerd te worden waarom niettemin van de juistheid van de GBA is uitgegaan. Nadere uitleg is eveneens nodig, indien in afwijking van gegevens uit de GBA wordt aangenomen dat reeds op de peildatum sprake was van permanente bewoning. Bij het voorgaande gaat de rechtbank er overigens vanuit dat het door verweerder overgelegde overzicht van de gegevens uit de GBA een getrouwe weergave daarvan is. De enkele omstandigheid dat deze gegevens niet in de vorm van gewaarmerkte afschriften zijn overgelegd, acht de rechtbank onvoldoende om daaraan te twijfelen. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor die twijfel.

33. Gelet op het hiervoor overwogene schiet de motivering van een aantal van de bestreden besluiten tekort.

Aan de hand van de door verweerder overgelegde gegevens heeft de rechtbank vastgesteld dat een aantal vrijstellingsbesluiten is verleend aan personen die op 31 oktober 2003 nog niet op het adres van de betrokken recreatiewoning in de GBA stonden ingeschreven. Verder is gebleken dat in een aantal besluiten uitdrukkelijk is bepaald dat de vrijstelling tevens geldt voor de nader omschreven huisgenoot van de aanvrager, hoewel uit voormelde gegevens naar voren komt dat die huisgenoot op deze datum niet op het adres van de recreatiewoning stond ingeschreven in de GBA. In dit verband is van belang dat het vereiste van permanente bewoning op de peildatum ingevolge artikel 20, vierde lid, van het BRO eveneens geldt voor de in het vrijstellingsbesluit met name genoemde meerderjarige huisgenoot. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de door de Belastingdienst aan verweerder toegezonden inlichtingenformulieren er in een aantal gevallen op duiden dat de recreatiewoning in 2006 niet permanent werd bewoond door de personen ten aanzien van wie de verleende vrijstelling geldt. Het gaat daarbij om die gevallen waarin uit het inlichtingenformulier expliciet blijkt dat een andere woning als eigen woning is opgegeven, dat geen eigen woning is opgegeven, of dat voor de eigen woning een andere waarde is opgegeven dan reeds bij de Belastingdienst bekend is, terwijl het formulier ook overigens geen aanknopingspunt bevat dat de opgegeven waarde niettemin de recreatiewoning betreft. De desbetreffende besluiten bevatten op dit punt slechts de motivering dat verweerder na bestudering van de GBA en de gegevensuitwisseling met de Belastingdienst heeft geconstateerd dat de aanvrager al sinds 31 oktober 2003 onafgebroken permanent in de recreatiewoning woont. In het licht van de hiervoor opgesomde bevindingen is deze motivering ontoereikend. Ook ter zitting heeft verweerder hieromtrent geen nadere inlichtingen kunnen verschaffen, anders dan dat in gevallen waarin op grond van de GBA en de gegevens afkomstig van de Belastingdienst geen eenduidige conclusie kon worden getrokken, aanvullend onderzoek is gedaan. Waaruit dit onderzoek in concreto heeft bestaan kon verweerder ter zitting echter niet uiteenzetten. Anders dan door verweerder is betoogd, kan niet worden staande gehouden dat een dergelijke uiteenzetting niet kan worden verlangd, nu eisers eerst ter zitting hebben gewezen op het bestaan van tegenstrijdigheden tussen de vrijstellingsbesluiten en daaraan ten grondslag gelegde gegevens uit de GBA en/of die afkomstig van de Belastingdienst. Daarbij is in aanmerking genomen dat eisers pas kort voor de zitting in het bezit zijn gesteld van de desbetreffende door verweerder – met een verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb – overgelegde stukken. Verder hebben eisers reeds in hun beroepschriften en – voor zover ingebracht – hun zienswijzen het standpunt ingenomen dat verweerder zich zonder deugdelijke onderbouwing op het standpunt heeft gesteld dat in alle gevallen waarin vrijstelling is verleend, is voldaan aan de voorwaarde van onafgebroken bewoning sedert de peildatum. Verweerder had er derhalve rekening mee moeten houden dat eisers op dit punt ter zitting, na kennisneming van de door verweerder nader ingezonden stukken, met een nadere standpuntbepaling zouden komen.

Slotsom

34. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de hiervoor bedoelde bestreden besluiten in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet berusten op een deugdelijke motivering. Dit betreft de besluiten inzake de navolgende recreatieverblijven:

Recreatieverblijf Registratienummer van het beroep

[adres] 12 AWB 09/1159

[adres] 20 AWB 09/1163

[adres] 33 AWB 09/1169

[adres] 52 AWB 09/1177

[adres] 71 AWB 09/1181

[adres] 75 AWB 09/1135

[adres] 121 AWB 09/1128

[adres] 122 AWB 09/1192

[adres] 178 AWB 09/1212

[adres] 191 AWB 09/1217

[adres] 198 AWB 09/1219

[adres] 206 AWB 09/1221

[adres] 253 AWB 09/1237

[adres] 283 AWB 09/1242

[adres] 293 AWB 09/1247

[adres] 297 AWB 09/1293

[adres] 310 AWB 09/1149

35. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat deze besluiten moeten worden vernietigd. Ten aanzien van de besluiten, genomen ten aanzien van de recreatieverblijven [adres] nrs. 33, 52, 122, 178, en 297 moet worden vastgesteld dat het hiervoor geschetste gebrek in de motivering slechts betrekking heeft op de daarin neergelegde bepaling dat de vrijstelling tevens geldt voor een andere persoon dan degene aan wie de vrijstelling is verleend. Deze besluiten dienen slechts in zoverre te worden vernietigd. Voor het overige kunnen zij in stand blijven.

36. Nu de andere beroepsgronden falen, zijn de overige beroepen ongegrond.

37. De rechtbank heeft in de overwegingen van deze uitspraak één of meer beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Als eisers niet willen berusten in de verwerping van één of meer van de beroepsgronden, is het nodig dat zij tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep instellen. Als zij dit nalaten, bestaat namelijk de mogelijkheid dat de bestuursrechter in een eventueel vervolg van deze procedure zal uitgaan van de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de hier verworpen beroepsgrond of -gronden.

Proceskosten

38. Nu de hiervoor bedoelde beroepen gegrond zijn, bestaat er aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 1207,50 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank merkt de beroepen daarbij overeenkomstig artikel 3 van dit besluit aan als samenhangende zaken:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 0,5 punt voor verschijnen ter comparitie;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactoren 1 (gewicht van de zaak) en 1,5 (aantal samenhangende zaken).

39. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eisers het door hen ter zake van de onderhavige beroepen – voor zover gegrond – gestorte griffierecht ten bedrage van in totaal € 1179,00 dient te vergoeden.

40. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de beroepen, geregistreerd onder nrs. AWB 09/1175, AWB 09/1182, AWB 09/1184, AWB 09/1214 en AWB 09/1225, niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen, geregistreerd onder nrs. AWB 09/1128, AWB 09/1135, AWB 09/1149, AWB 09/1159, AWB 09/1163, AWB 09/1169, AWB 09/1177, AWB 09/1181, AWB 09/1192, AWB 09/1212, AWB 09/1217, AWB 09/1219, AWB 09/1221, AWB 09/1237, AWB 09/1242, AWB 09/1247 en AWB 09/1293, gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten, betrekking hebbend op de recreatieverblijven [adres] nrs. 12, 20, 71, 75, 121, 191,198, 206, 253, 283, 293 en 310;

- vernietigt de bestreden besluiten, betrekking hebbend op de recreatieverblijven [adres] nrs. 33, 52, 122, 178 en 297, uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de vrijstelling tevens geldt voor een andere persoon dan degene aan wie de vrijstelling is verleend;

- verklaart de overige beroepen ongegrond;

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van in totaal € 1179,00;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 1207,50.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield, rechter, in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2010.

Bijlage bij uitspraak AWB 08/4125 e.a.

zaaknr. naam huisnr. zaaknr. naam huisnr.

[namen/adressen]