Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BK8466

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
643620
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voor schade bij frauduleuze overboeking via internet bankieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Kantonrechter te Helmond*

Zaaknummer : 643620

Rolnummer : 3491/09

Uitspraak : 13 januari 2010

In de zaak van:

L,

wonende te ....,

eiser,

gemachtigde: mw. mr. E.L.M. Hendriks,

Postbus 23000, 1100 DM Amsterdam,

t e g e n :

de bank,

gevestigd te Deurne,

gedaagde,

gemachtigde: mr. D.S. van Lith,

Postbus 2474, 3500 GL Utrecht.

1. De procedure.

Eiser heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagde is in rechte verschenen en heeft een conclusie van antwoord genomen. Vervolgens werden de conclusie van repliek en conclusie van dupliek gewisseld. Daarna is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevonden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

Partijen zullen verder worden aangeduid als "L." en "de bank".

2. Het geschil.

1. L. vordert op daartoe in de dagvaarding vermelde gronden wegens een ten onrechte verrichte terugboeking (€ 4.100,=) en buitengerechtelijke incassokosten (€ 714,=) betaling van in totaal € 4.814,=, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

2. De bank heeft hiertegen tot verweer aangevoerd dat zij wel degelijk gerechtigd was het genoemde bedrag ad € 4.100,= terug te boeken, nu de betalende partij aangifte had gedaan van frauduleus handelen bij het overmaken van dat bedrag en L. geen recht had op het op zijn rekening gestorte bedrag.

3. De beoordeling.

3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in het geding gebrachte producties, voor zover de inhoud daarvan niet is weersproken, staat tussen partijen het navolgende vast.

Op 6 oktober 2008 is een bedrag van € 4.100,= overgemaakt op rekeningnummer ............... ten name van X te ...... L. is gerechtigd tot deze rekening. Dit bedrag was afkomstig van rekeningnummer ...., een rekening die te naam gesteld is van Z. Op 14 oktober 2008 heeft de bank in opdracht van Z. dit bedrag teruggeboekt naar de rekening van Z.. L. heeft geen toestemming voor die terugboeking verleend. L. heeft op 7 oktober 2008 een bedrag van € 4.000,= contant opgenomen. Op diezelfde dag heeft L. een bedrag van € 3.690,= door middel van een moneygram betaald aan Kuzmenko Olexiy in Rusland. Door de terugboeking is een debetstand ontstaan op de rekening van L.. Ondanks aanschrijvingen van L. heeft de bank geweigerd de terugboeking ongedaan te maken.

3.2 Op 8 oktober 2008 heeft Z. bij de regiopolitie Groningen, district Midden/Oost aangifte gedaan van oplichting, verduistering of diefstal. Een kopie van deze aangifte is door de bank als productie 2 bij antwoord in het geding gebracht. Voor zover relevant, heeft zij tegenover de brigadier A. Nitters het navolgende verklaard:

"Doordat de verdachte een valse naam/hoedanigheid had aangenomen, dan wel gebruik maakte van listige kunstgrepen/samenweefsel van verdichtsels, werd de Postbank bewogen tot afgifte van geld/goed dat mijn eigendom is.

Ik ben rekeninghouder bij de Postbank en het rekeningnummer van mijn betaalrekening is .......

Mij is nu gebleken dat er geld van mijn internetbetaalrekening nummer ...... is afgeschreven. Dat is gedaan op 6 oktober 2008 om 14.50 uur. Op dat moment is een bedrag van € 4.100,= overgeschreven naar rekeningnummer ...... met de omschrijving L.. Dat ontdekte ik ook op dezelfde dag. Ik ken L. helemaal niet en ik had ook geen opdracht gegeven deze overboeking uit te laten voeren. Ook mijn vader heeft die opdracht niet gegeven.

Die dag bleek mij dat er ook van mijn Plusrekening geld was afgeschreven. Dat was op 25 september 2008 uitgevoerd en dat betrof € 3.180,=. Dat geld was overgemaakt naar mijn internetbetaalrekening nummer ........ Dus kortgezegd is het zo dat ik een saldo op mijn internetbetaalrekening had van ongeveer € 920,= en dat door de bijstorting van € 3.180,= van mijn Plusrekening het saldo € 4.100,= was geworden en dat betrof [ktr: kennelijk wordt bedoeld: bedrag] is als geheel op onterechte wijze afgeschreven van mijn internetbetaalrekening .......

Ik of mijn vader gaven hiertoe geen opdracht. Ik heb de zaak voorgelegd aan de afdeling veiligheidszaken van de ING en ik moest aangifte doen bij de plaatselijke politie."

3.3 Blijkens een interne nota binnen de bankorganisatie d.d. 18 september 2009 van de heer J.J. van Oord is gebleken dat in de periode rond oktober 2008 frauduleus is gehandeld met internetrekeningen. Genoemde nota is door de bank als productie 3 bij antwoord in het geding gebracht. Voor zover relevant, vermeldt de nota onder meer het navolgende:

"Diverse banken, waaronder de ING, Postbank en ook Bank werden in 2008 in dezelfde periode getroffen door een vorm van computercriminaliteit waarbij zogeheten Trojans op de computers van rekeninghouders mogelijk maakten frauduleus geld over te boeken via telebankieren en internetbankieren zonder dat benadeelde rekeninghouders dit direct merkten.

Er was sprake van zogenaamde money mules. Personen werden vaak per e-mail benaderd om extra geld te verdienen door hun rekening ter beschikking te stellen. Met diverse wollige verhalen en mooie voorstellingen van zaken waaraan medewerking moest worden verleend kon meestal 10% van een over te boeken bedrag als verdienste worden behouden. In veel gevallen werden mensen per e-mail benaderd die zich bijvoorbeeld op jobsites hadden aangemeld. Op deze wijze kan snel geld worden verkregen.

In de praktijk is vastgesteld op basis van meewerkende 'money mules', dat behoorlijke bedragen op rekening werden geboekt (achteraf in alle gevallen afkomstig van rekeninghouders die van niets wisten) waarbij de begunstigde money mule vervolgens de opdracht kreeg via de mail of telefonisch dan wel beide, een bedrag minus 10% contant op te nemen en via een moneygram kantoor een money transfer te doen naar een opgegeven begunstigde. Dit betrof in nagenoeg alle gevallen een begunstigde in Rusland."

4. Zijdens L. is aangevoerd dat hij op 4 oktober 2008 telefonisch zou zijn benaderd door iemand die zich uitgaf voor mevrouw Z. Deze vertelde hem dat zij geld moest overmaken naar Rusland en dat zij dat zelf niet kon, omdat zij haar paspoort kwijt was, zodat zij zich bij het overmaken niet kon identificeren. Deze persoon verzocht om zijn medewerking bij het overmaken van een bedrag naar Rusland. Zij zou daartoe € 4.100,= storten op een rekening van L., die 10% daarvan mocht behouden en de rest moest doorboeken naar Rusland.

5. De door L. geschetste gang van zaken komt overeen met de modus operandi die in de rapportage van de bankorganisatie is geconstateerd met betrekking tot een serie fraudegevallen met internetrekeningen. Uit de door L. aangevoerde gang van zaken volgt dat de persoon die zich uitgaf voor mevrouw Z. hem moet hebben geïnstrueerd over de persoon aan wie en de wijze waarop hij het geld naar Rusland diende over te maken. Voorts volgt daaruit dat L. zelf (noch in privé, noch zakelijk) op geen enkele wijze recht had op het door de zich Z. noemende persoon betaalde bedrag. Niet gebleken is dus dat aan deze betaling enige betalingsverplichting van Z. aan L. of diens bedrijf ten grondslag lag. Door L. is ook niets gesteld omtrent een dergelijke betalingsverplichting, noch is door hem betwist dat hij Z. persoonlijk in het geheel niet kende.

6. Onder de gegeven omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat afdoende aannemelijk is geworden dat Z. het slachtoffer is geworden van onrechtmatig handelen door onbekenden, die zich toegang hebben verschaft tot haar internetbetaalrekening en die onbevoegd gelden hebben overgemaakt naar de rekening van L.. Deze heeft vervolgens dit bedrag grotendeels doorgestort naar een Russische partij. De vraag die nu aan de orde is, is wie de hierdoor ontstane schade dient te dragen, Z., de bank (ING of Bank) of de bank.

7. Het zal duidelijk zijn dat Z. in dit geval als slachtoffer afvalt. Zij kan zich tegenover haar bankier beroepen op een afboeking die heeft plaatsgevonden zonder een daartoe strekkende opdracht harerzijds. In dat geval is een bank gehouden de overboeking ongedaan te maken door creditering van haar internetbetaalrekening.

8. Uitgaande van de hiervoor in r.o. 6 geconstateerde aannemelijke gang van zaken, moet worden geoordeeld dat de bank de rekening van L. onverschuldigd heeft gecrediteerd met een bedrag van € 4.100,=, omdat aan die creditering geen deugdelijke opdracht ten grondslag heeft gelegen. De bijboeking van het bedrag van € 4.100,= kan onder die omstandigheden naar het oordeel van de kantonrechter worden gekwalificeerd als een onverschuldigde betaling. Op grond van artikel 13 aanhef en onder c. van de toepasselijke Algemene Voorwaarden is de bank bevoegd de rekening van een rekeninghouder te debiteren voor al hetgeen de rekeninghouder uit welken anderen hoofde ook aan haar verschuldigd is. Nu in het onderhavige geval aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een onverschuldigde creditering, kon en mocht de bank uit dien hoofde de rekening van L. debiteren.

9. Het voorgaand oordeel berust op hetgeen de kantonrechter aan de hand van de aangevoerde informatie aannemelijk acht. Het is aan L., die aan zijn vordering ten grondslag legt dat de bank zijn rekening ten onrechte heeft gedebiteerd, om feiten te stellen en - bij betwisting - te bewijzen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat deze debitering inderdaad ten onrechte heeft plaatsgevonden. Dergelijk feiten zijn niet gesteld. Bij repliek komt L. immers terug op zijn eerdere stellingname dat Z. opdracht tot de betaling heeft gegeven en verwijst L. nog slechts naar een zich als Z. voordoende partij. Voorts heeft L. niet gesteld dat hij in privé of zakelijk enige aanspraak op genoemde betaling had.

Los daarvan geldt dat het - mede gelet op de overduidelijke inhoud van de aangifte van Z. bij de politie, waarvan de inhoud op zich niet gemotiveerd is weersproken - op de weg van L. gelegen had om concreet aan te bieden Z. ter zake als getuige te doen horen. Ook dat heeft L. nagelaten. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding meer om L. op dit punt nog tot enig bewijs toe te laten.

10. Het voorgaande voert tot de slotsom dat in rechte afdoende is gebleken dat de bank over mocht gaan tot debitering van de rekening van L.. In dat geval komt het gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking en dient dit te worden afgewezen. L. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van dit geding.

4. De beslissing.

De kantonrechter:

Wijst de vorderingen van L. af;

Veroordeelt L. in de kosten van het geding, aan de zijde van de bank tot aan deze uitspraak begroot op € 400,= als tegemoetkoming in het salaris van de gemachtigde (niet met B.T.W. belast).

Aldus gewezen te Helmond door mr. R.J.M. Cremers, kantonrechter, en aldaar uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.

typ: RC/Coll.:

* De kantonrechter te Helmond maakt sedert 1 januari 2002 bestuurlijk onderdeel uit van de rechtbank te 's-Hertogenbosch.

??

??

??

??

643620 CV EXPL 3491/09 blad 4

vonnis