Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:BK8182

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
01/825496-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtshalve overweging met betrekking tot het vervallen van het recht tot strafvordering door verjaring.

Vóór de wetswijziging van 1 februari 2006 (art. 304 Wetboek van Strafrecht) was mishandeling van een levensgezel geen strafverzwarende omstandigheid. Resteert voor de periode voorafgaand aan 1 februari 2006 de eenvoudige mishandeling, met de daarbij horende verjaringstermijn van zes jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825496-09

Parketnummer vordering: 01/821200-08

Datum uitspraak: 05 januari 2010

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 december 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 november 2009.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 september 2009 te Someren [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk [getuige], medewerker van de Stichting Algemeen Maatschappelijk Werk gezegd dat hij, verdachte, zijn schoonvader, zijnde [slachtoffer1] voornoemd, de keel zou dicht knijpen tot die [slachtoffer1] zou vertellen waar zijn, [slachtoffer 1]s, dochter en verdachtes kinderen verbleven, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

hetgeen (op of omstreeks 2 en/of 3 september 2009) door [getuige] en/of de hoofdagent van de politieregio Brabant Zuid-oost [verbalisant 1], aan [slachtoffer 1] ter kennis is gebracht;

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 t.m 29 juli 2009 te Someren opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer 2], zijnde zijn levensgezellin, met zijn vuist(en) en/of hand(en) heeft geslagen en/of (met geschoeide voet/voeten) heeft geschopt en/of (in de wang) heeft geknepen, waardoor deze letsel (te weten blauwe plekken/bloeduitstortingen heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 i.v.m. artikel 304 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode tussen 01 juni 2003 en 1 oktober 2003 te Someren (zijn levensgezellin) [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend een (slagers)mes tegen haar hals/keel/geduwd/gehouden/ voorgehouden;

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 29 juli 2009 te Someren (zijn levensgezellin) [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte die [slachtoffer 2] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd "Ik vermoord jou en je familie als ik vrij kom", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (voorts) dreigend in de richting van die [slachtoffer 2] een stoel boven zijn hoofd

geheven en/of gehouden/voorgehouden;

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/821200-08 is aangebracht bij vordering van

13 november 2009. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch d.d. 13 oktober 2008. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht. (bijlage 1)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Met betrekking tot de vraag of de officier van justitie in zijn vervolging kan worden ontvangen overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank heeft ter terechtzitting aan de orde gesteld de eventuele verjaring van de tenlastegelegde feiten. De officier van justitie, noch de raadsman heeft aanleiding gezien hierover opmerkingen te maken. Ambtshalve overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2 en 3, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vervalt het recht op strafvervolging door verjaring respectievelijk in zes jaren voor de misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld en in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld.

Ingevolge artikel 71 Sr vangt de termijn van verjaring aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd.

Ingevolge artikel 72, eerste lid, Sr stuit elke daad van vervolging de verjaring.

De rechtbank stelt vast dat de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek en inbewaringstelling dateert van 8 september 2009. De (eventuele) verjaring van de tenlastegelegde feiten is dus gestuit op 8 september 2009.

Feit 2

De rechtbank stelt vast dat aan verdachte artikel 300 Sr in verband met artikel 304 Sr is tenlastegelegd. De tenlastelegging vermeldt dat verdachte zijn levensgezellin heeft mishandeld. Overige strafverzwarende omstandigheden vermeldt de tenlastelegging niet.

De strafbedreiging van (eenvoudige) mishandeling van een persoon is een gevangenisstraf van maximaal drie jaren.

Artikel 304 Sr, aanhef en onder 1, bepaalde - voor zover hier van belang - tot

31 januari 2006 dat de in de artikel 300 bepaalde gevangenisstraf met een derde kan worden verhoogd ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot.

Vanaf 1 februari 2006 bepaalt artikel 304, aanhef en onder 1, Sr - voor zover hier van belang - dat de in artikel 300 bepaalde gevangenisstraf met een derde kan worden verhoogd

ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot en zijn levensgezel.

De wetgever zag mishandeling van een levensgezel vóór 1 februari 2006 dus niet als een strafverzwarende omstandigheid, zodat in casu vóór die datum de mishandeling van een persoon (artikel 300 Sr) resteert.

Dit betekent dat, gelet op artikel 70 Sr, de verjaringstermijn van feit 2, voor wat betreft de eenvoudige mishandeling van een persoon zes jaren bedraagt. In aanmerking genomen de in de tenlastelegging vermelde periode van 1 januari 1997 tot en met 29 juli 2009 en de datum waarop de verjaring is gestuit (8 september 2009), is de rechtbank van oordeel dat voor wat betreft de periode vóór 8 september 2003 het recht op strafvervolging is vervallen door verjaring. In zoverre is de officier van justitie niet-ontvankelijk. Voor wat betreft de periode na 8 september 2003 is de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging.

Feit 3

De rechtbank stelt vast dat aan verdachte artikel 285 Sr is tenlastegelegd. Aangezien strafverzwarende omstandigheden niet zijn tenlastegelegd, is de strafbedreiging voor dit feit een gevangenisstraf van maximaal twee jaren.

Dit betekent dat, gelet op artikel 70 Sr, de verjaringstermijn van feit 3 zes jaren bedraagt. In aanmerking genomen de in de tenlastelegging vermelde periode tussen 1 juni 2003 en 1 oktober 2003 en de datum waarop de verjaring is gestuit (8 september 2009), is de rechtbank van oordeel dat voor wat betreft de periode vóór 8 september 2003 het recht op strafvervolging is vervallen door verjaring. In zoverre is de officier van justitie niet-ontvankelijk. Voor wat betreft de periode tussen 8 september 2003 en 1 oktober 2003 is de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging.

Feit 1 en 4

Ten aanzien van deze feiten kan de officier van justitie in zijn vervolging worden ontvangen.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

Feit 3

De rechtbank stelt vast dat de in de tenlastelegging vermelde bedreiging met een mes volgens [slachtoffer 2] heeft plaatsgehad tegelijkertijd met de mishandeling in de zomer van 2003 en dat deze mishandeling, gezien de datering van de foto's, heeft plaatsgehad vóór 21 juli 2007.1 Dit betekent dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de periode tussen 8 september 2003 en 1 oktober 2003 [slachtoffer 2] heeft bedreigd met een mes. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Feit 1

Verdachte heeft op 2 september 2009 te Someren gesproken met maatschappelijk werker

[getuige] van Stichting Algemeen Maatschappelijk Werk.2 Tijdens dit gesprek heeft verdachte volgens [getuige] gezegd "dat hij de vader van zijn (toenmalige) levensgezellin, [slachtoffer 1], de keel zou dichtknijpen net zo lang totdat hij zou zeggen waar zijn levensgezellin ([slachtoffer 2]) en kinderen waren".3 [getuige] heeft dit op 2 september 2009 telefonisch meegedeeld aan [verbalisant 2]4 en [verbalisant 1] (hoofdagent regiopolitie Brabant Zuid-Oost) heeft dit op 3 september 2009 aan [slachtoffer 1] meegedeeld.5 Op 3 september 2009 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan

van bedreiging door verdachte6.

Feit 2 en 4

Verdachte en [slachtoffer 2] woonden vanaf augustus 1997 samen te Someren.7

Op 29 juli 2009 hadden verdachte en [slachtoffer 2] te Someren ruzie. Verdachte heeft hierbij tegen [slachtoffer 2] gezegd "als ik gevangenisstraf krijg voor dit, vermoord ik je als ik vrij kom."8

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen conform de tenlastelegging.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte erkent in algemene termen dat hij op 2 september 2009 [slachtoffer 1] verbaal heeft bedreigd (feit 1). Voorts erkent verdachte dat hij zijn partner [slachtoffer 2] op diverse tijdstippen tijdens hun relatie in hun woning te Someren heeft geslagen en geknepen (feit 2) en dat hij haar op 29 juli 2009 verbaal heeft bedreigd conform de tenlastelegging (feit 4).

De raadsman van verdachte refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Feit 1

Gezien de hiervoor weergegeven vaststaande feiten en meer in het bijzonder de door verdachte geuite bedreiging, is de rechtbank van oordeel dat bij [slachtoffer 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Het onder 1 tenlastegelegde feit acht de rechtbank dus wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Zoals hiervoor is overwogen zag de wetgever mishandeling van een levensgezel vóór

1 februari 2006 niet als een strafverzwarende omstandigheid. Aan de orde is dus of verdachte in de periode van 8 september 2003 tot en met 31 januari 2006 te Someren een persoon, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk heeft mishandeld (artikel 300 Sr) en of verdachte in de periode van 1 februari 2006 tot en met 29 juli 2009 te Someren een persoon te weten [slachtoffer 2], zijnde zijn levensgezellin, opzettelijk heeft mishandeld (artikel 300 en 304 Sr). De rechtbank beantwoordt, gezien het proces-verbaal van aangifte9 en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting10, beide vragen bevestigend voor zover de mishandelingen bestonden uit slaan met de handen en (in de wang) knijpen, waardoor [slachtoffer 2] letsel (te weten blauwe plekken/bloeduitstortingen) heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. In zoverre acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4

Gezien de hiervoor weergegeven vaststaande feiten en meer in het bijzonder de door verdachte geuite bedreiging, is de rechtbank van oordeel dat bij [slachtoffer 2] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Het onder 4 tenlastegelegde feit acht de rechtbank in zoverre wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dreigend zou hebben gehandeld met een stoel.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op 02 september 2009 te Someren [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk [getuige], medewerker van de Stichting Algemeen Maatschappelijk Werk gezegd dat hij, verdachte, [slachtoffer 1] voornoemd, de keel zou dicht knijpen tot die [slachtoffer 1] zou vertellen waar zijn, [slachtoffer 1]s, dochter en verdachtes kinderen verbleven, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, hetgeen op of omstreeks 3 september 2009 door de

hoofdagent van de politieregio Brabant Zuid-Oost [verbalisant 1], aan [slachtoffer 1]

ter kennis is gebracht.

2.

in de periode van 8 september 2003 tot en met 31 januari 2006 te Someren opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer 2] met zijn hand(en) heeft geslagen

en (in de wang) heeft geknepen, waardoor deze letsel (te weten blauwe plekken/ bloeduitstortingen) heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en

in de periode van 1 februari 2006 tot en met 29 juli 2009 te Someren opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer 2], zijnde zijn levensgezellin, met

zijn hand(en) heeft geslagen en (in de wang) heeft geknepen, waardoor deze letsel

(te weten blauwe plekken/bloeduitstortingen) heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden.

4.

op 29 juli 2009 te Someren zijn levensgezellin [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk

dreigend de woorden toegevoegd "Ik vermoord jou en je familie als ik vrij

kom", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 63, 70, 285, 300 (oud), 300 en 304.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie. (bijlage 2)

De officier van justitie eist:

- (voor de vier tenlastegelegde feiten) een gevangenisstraf van 160 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden:

1.reclasseringstoezicht ook indien dit inhoudt het volgen van een agressieregulatietraining;

2.continuering van de klinische behandeling binnen de zorginstelling van Novadic-Kentron

te Vught.

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van EUR 2.000,=

als voorschot met daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel (vermeerderd

met de wettelijke rente) en niet- ontvankelijkverklaring ten aanzien van het hoger

gevorderde bedrag.

- omzetting van de gevorderde maand gevangenisstraf in een werkstraf van 60 uur subsidiair

30 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman kan zich vinden in de gevorderde straf.

De raadsman bepleit de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij, omdat de vordering dusdanig ingewikkeld is dat deze zich niet leent voor behandeling in het strafgeding.

Tot slot bepleit de raadsman de verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke veroordeling.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank rekent verdachte vooral zwaar aan dat hij gedurende een aanzienlijke tijd geweld heeft gepleegd jegens zijn levensgezellin in hun gezamenlijke woning, een plaats die nu juist rust, geborgenheid en veiligheid zou moeten bieden. Verdachte verkeerde tijdens het plegen hiervan onder invloed van alcohol, waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag kende of moest begrijpen en welke hij toch heeft gebruikt. Om het lot en het leed van zijn levensgezellin en de uitwerking van zijn gedrag op hun kinderen heeft verdachte zich volstrekt niet bekommerd. Bovendien werd verdachte ter zake van bedreiging blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister reeds eerder veroordeeld en heeft hij onderhavige bedreigingen gepleegd tijdens de proeftijd van deze eerdere veroordeling.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat hij er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed inziet. Voorts lijkt verdachte blijkens een over hem opgesteld reclasseringsadvies van 15 december 2009 gemotiveerd te zijn om aan zijn gebruik van alcohol een einde te maken, hetgeen onder andere blijkt uit het feit dat hij thans is opgenomen op de Zorgafdeling van Novadic-Kentron.

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf nu deze straf in overeenstemming is met de ernst van het bewezenverklaarde, ondanks het feit dat de rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard dan waar de officier van justitie bij zijn eis van is uitgegaan.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarden naleeft. In dit verband neemt de rechtbank over het advies zoals vermeld in bedoeld reclasseringsrapport een deels voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden dat verdachte:

1. zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland (Novadic-Kentron), Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht, ook indien dit inhoudt de deelname aan een agressieregulatietraining.

2. de klinische behandeling binnen de zorginstelling van Novadic-Kentron te Vught voortzet voor een maximale termijn van 2 jaren of zoveel korter als de leiding van genoemde inrichting in overleg met de reclassering wenselijk acht.

De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van EUR 1.250,= aan immateriële schade, vermeerderd

met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/821200-08.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig.

De rechtbank zal echter in plaats van de tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf te gelasten deze straf omzetten in een taakstraf,

bestaande uit een werkstraf, van na te melden duur, om de behandeling die verdachte

thans volgt niet te doorkruisen.

DE UITSPRAAK

t.a.v. feit 3:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

t.a.v. feit 2:

mishandeling, meermalen gepleegd

en

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn

levensgezellin, meermalen gepleegd.

t.a.v. feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

t.a.v. feit 1, feit 2 en feit 4:

Gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren

en de bijzondere voorwaarden:

1.dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de

aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland (Novadic-Kentron), Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht, ook indien dit inhoudt de deelname aan een agressieregulatietraining.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d

van het Wetboek van Strafrecht.

2.dat veroordeelde de klinische behandeling binnen de zorginstelling van

Novadic-Kentron te Vught voortzet voor een maximale termijn van 2 jaren of zoveel korter als de leiding van genoemde inrichting in overleg met de reclassering wenselijk acht.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 17 november 2009 reeds

geschorst.

t.a.v. feit 2 en feit 4:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1.250,= subsidiair 22 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van

het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 1.250,= (zegge: duizend tweehonderd vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22

dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schade. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict

tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van EUR 1.250,=

(zegge: duizend tweehonderd vijftig euro) aan immateriële schade. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het hoger gevorderde bedrag aan immateriële schade niet ontvankelijk is (niet eenvoudig van aard).

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

In plaats van de tenuitvoerlegging te gelasten van de bij vonnis van de politierechter

te 's-Hertogenbosch, d.d. 13 oktober 2008 onder parketnummer 01/821200-08 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf (1 maand met aftrek van voorarrest), gelast de rechtbank een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 60 uur te vervangen door 30 dagen hechtenis indien de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht. De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter,

mr. K. Visser en mr. A. Venekamp, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 5 januari 2010.

1 Proces-verbaal van aangifte van 5 augustus 2009, p. 36 e.v. van het Proces-verbaal van voorgeleiding tevens eind proces-verbaal , registratienummer 2009153017-9, van 8 september 2009 (hierna: eind proces-verbaal) en de door [slachtoffer 2] toegezonden en van 20 juli 2003 daterende foto's, gemaakt naar aanleiding van bedoelde mishandeling, p. 55, 56 en 57 eind proces-verbaal.

2 Proces-verbaal verhoor [getuige] van 8 september 2009, p. 33 eind proces-verbaal.

3 Proces-verbaal van verhoor [getuige], p. 33 eind proces-verbaal, en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4 Proces-verbaal aanvullend van 7 september 2009, p. 32 eind proces-verbaal.

5 Proces-verbaal aangifte van 3 september 2009, p. 29 eind proces-verbaal.

6 Proces-verbaal aangifte van 3 september 2009, p. 28 eind proces-verbaal.

7 Proces-verbaal van aangifte van 5 augustus 2009, p. 36 e.v. eind proces-verbaal.

8 Proces-verbaal verhoor aangeefster van 19 augustus 2009, p. 43 e.v. eind proces-verbaal en proces-verbaal aanhouding van 29 juli 2009, p. 04 e.v. van het proces-verbaal, registratienummer 2009129609-1, van 5 augustus 2009.

9 Proces-verbaal van aangifte van 5 augustus 2009, p. 36 e.v. eind proces-verbaal.

10 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.