Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2010:4141

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
06-05-2015
Zaaknummer
122208 - HA ZA 05-378
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:915
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bodemverontreiniging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 's-Hertogenbosch

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 3 november 2010

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 122208 / HA ZA 05-378

1 [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2.[eiser 2][eiser 2][eiser 2]

[eiser 2]

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. H.A. Pasveer te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.W. de Rijk te Helmond,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. Ph.C.M. van der Ven te ’s-Hertogenbosch,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 132164 / HA ZA 05-2111 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. Ph.C.M. van der Ven te ’s-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.W. de Rijk te Helmond.

Partijen zullen hierna [eisers], [gedaagde 2] en [gedaagde 1] genoemd worden.

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 juli 2006,

  • -

    het deskundigenbericht, dat ter griffie is gedeponeerd op 4 december 2006,

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [eisers],

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde 2],

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde 1].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 juli 2006,

  • -

    het deskundigenbericht, dat ter griffie is gedeponeerd op 4 december 2006,

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde 2],

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde 1].

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De verdere beoordeling

Voorgeschiedenis

3.1.

In twee eerdere tussenvonnissen van 15 maart en 26 juli 2006, gewezen zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaring, heeft de rechtbank feiten en omstandigheden weergegeven op basis waarvan zij een aantal beslissingen heeft genomen. Nu deze beslissingen uitgangspunt vormen voor de verdere beoordeling, zal de rechtbank omwille van de leesbaarheid van dit vonnis niet enkel verwijzen naar rechtsoverwegingen uit die eerdere vonnissen, maar eerst op hoofdpunten aangeven wat is voorafgegaan.

3.2.

In maart 2001 heeft [gedaagde 1] als verkoper met Handelsonderneming [naam handelsonderneming] als koopster een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie T nummer 4717 en 5489 (verder ook: het perceel) voor een koopsom van Hfl. 2.000.000,00 (EUR 907.560,43). In de koopakte staat als adres van het perceel vermeld [adres][adres]. Nadien is nader overeengekomen dat [eisers], indirect bestuurders van handelsonderneming [naam handelsonderneming], kopers zouden zijn en zo is ook de akte van levering geredigeerd.

3.3.

[eisers] waren voornemens het perceel te gebruiken als bouwterrein voor de bouw van drie woningen. Uit hoofde van de in de koopovereenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde bodemverontreiniging heeft [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] opdracht gegeven tot het verrichten van een verkennend bodemonderzoek (kosten EUR 1.066,38 exclusief BTW).

3.4.

Op 25 mei 2001 heeft [gedaagde 2] rapport uitgebracht, waarvan de conclusie luidde dat de grond vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt werd geacht voor eventuele nieuwbouw (r.o. 3.8. vonnis 15 maart 2006).

3.5.

In januari 2002 is het perceel geleverd aan [eisers], die het nadien hebben doorgeleverd aan de heren [belanghebbende 1], [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3]. In november 2003 is uit een in opdracht van [belanghebbende 1] door [gedaagde 2] verricht bodemonderzoek gebleken dat (mogelijk) sprake was van een geval van ernstige grondwaterverontreiniging. In het nadien door [gedaagde 2] opgestelde saneringsplan wordt vermeld dat de grondwaterverontreiniging hoogstwaarschijnlijk is veroorzaakt door een ondergrondse (benzine)tank, die in 1976 op de locatie is geplaatst. Deze tank is in 1994 verwijderd.

3.6.

Bij nader onderzoek bleek de grond van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] verontreinigd te zijn. In verband daarmee hebben zij een procedure aanhangig gemaakt tegen [eisers] In die procedure zijn [eisers] bij vonnis van deze rechtbank van 6 juli 2005 hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de aan [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] uit hoofde van de koopovereenkomst verbeurde boetes (EUR 43.294,10 per persoon) en is de zaak voor wat betreft de gevorderde schadevergoeding verwezen naar de schadestaatprocedure. (prod. 9 [eisers] hoofdzaak, in het geding gebracht bij brief van 13 januari 2006). [eisers] hebben hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.

3.7.

In de hoofdzaak stellen [eisers] dat zij als gevolg van de aangetroffen bodemverontreiniging schade hebben geleden, welke schade onder meer bestaat uit de kosten van bodemsanering, rechtsbijstand, advisering, bodemonderzoek en renteschade.

Zij wensen hun schade te verhalen op [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2].

3.8.

Voor het geval [gedaagde 2] in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk aansprakelijk wordt geacht voor (een deel van) de door [eisers] gevorderde schade, heeft [gedaagde 2] in vrijwaring gevorderd [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van al hetgeen waartoe [gedaagde 2] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld.

In de hoofdzaak

Aansprakelijkheid [gedaagde 1]

3.9.

Bij vonnis van 15 maart 2006 heeft de rechtbank het door [gedaagde 1] gedane beroep op niet ontvankelijkheid verworpen en heeft zij geoordeeld dat aangenomen moest worden dat [gedaagde 1] ervan op de hoogte was dat er zich een ondergrondse benzinetank op het door haar aan [eisers] verkochte perceel heeft bevonden en dat [gedaagde 1] [eisers] daaromtrent niet heeft geïnformeerd. Op grond daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde 1] haar mededelingsplicht heeft geschonden en heeft gehandeld in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid, die de rechtsverhouding tussen koper en verkoper beheersen bij de onderhandelingen over het sluiten van een koopovereenkomst. Daarom werd geoordeeld dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers], op welke grond de rechtbank [gedaagde 1] aansprakelijk heeft geacht voor de schade die [eisers] hebben geleden (en, naar moet worden verstaan, nog zal lijden) ten gevolge van de bodem-verontreiniging die voortvloeide uit de ondergrondse benzinetank. (r.o. 5.8. vonnis 15 maart 2006).

3.10.

[gedaagde 1] heeft tegen dat tussenvonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof in

’s‑Hertogenbosch. Inmiddels heeft [gedaagde 2] (bij antwoordconclusie na deskundigenbericht in de vrijwaringsprocedure onder 8) bericht dat dit hof op 3 februari 2009 arrest heeft gewezen, waarbij het tussenvonnis 15 maart 2006 onder aanvulling van gronden is bekrachtigd. Weliswaar kan, nu de hoodzaak en de vrijwaringszaak twee afzonderlijke procedures zijn, in deze hoofdzaak formeel geen kennis worden genomen van slechts in de vrijwaringszaak genoemde informatie, maar ambtshalve bezit de rechtbank de betreffende kennis uit de vrijwaringszaak wel.

3.11.

Hoewel partijen hebben verzuimd het betreffende arrest in het geding te brengen,

heeft de rechtbank ambtshalve kennis genomen van de inhoud daarvan. Ook het hof heeft geoordeeld dat [gedaagde 1] op de hoogte moet zijn geweest van de aanwezigheid van de tank en dat [gedaagde 1] niet aan haar mededelingsplicht jegens [eisers] heeft voldaan. Nu alle grieven falen, heeft het hof het vonnis van de rechtbank (zij het in verband met tijdens de procedure bij het hof gebleken informatie omtrent de identiteit van [gedaagde 1] onder aanvulling van de gronden waarop het berust) bekrachtigd en de zaak ter verdere afdoening verwezen naar de rechtbank, met veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van het appel in de hoofdzaak. Nu dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan, staat de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] voor de schade van [eisers] daarmee vast.

Aansprakelijkheid [gedaagde 2]

3.12.

Bij vonnis van 15 maart 2006 heeft de rechtbank voorts overwogen dat de vraag of [gedaagde 2] bij de totstandkoming van het rapport betreffende het verkennend bodemonderzoek in mei 2001 heeft gehandeld zoals in vergelijkbare omstandigheden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, slechts zou kunnen worden beantwoord door een deskundige. De aan de deskundige voor te leggen vraag is zowel van belang voor de beoordeling in de hoofdzaak van de mogelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 2] jegens [eisers], als voor de beoordeling in de vrijwaringszaak van de mogelijke verdeling van de onderlinge aansprakelijkheid tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

3.13.

De door de rechtbank benoemde deskundige[ingenieur] (verder: [ingenieur])

heeft inmiddels bericht uitgebracht. Daarbij heeft [ingenieur] zich gebaseerd op de volgende feiten. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 1] op 9 april 2001 aan [gedaagde 2] heeft verzocht op de locatie een verkennend bodemonderzoek te verrichten. Naar aanleiding van dat verzoek heeft [gedaagde 2] op 10 april 2001 een offerte uitgebracht (prod. 1 hoofdzaak [gedaagde 2]). Daarin staat vermeld dat het betreft een verkennend bodemonderzoek [adres][adres]. Niet alleen in de offerte, maar ook in het bijbehorende onderzoeksvoorstel (prod. 2 hoofdzaak [gedaagde 2]) wordt bij herhaling vermeld dat het onderzoek betrekking heeft op een braakliggend terrein aan de [adres][adres], terwijl voorts melding wordt gemaakt van de kadastrale aanduiding T 5489. In het voorstel staat voorts vermeld:

“Uit informatie van de opdrachtgever is niet gebleken dat op de onderzoekslocatie of in de directe omgeving ervan in het verleden verdachte voorzieningen aanwezig zijn geweest of activiteiten hebben plaatsgevonden, die de milieuhygiënische kwaliteit van de vaste bodem en/of het ondiepe grondwater nadelig kunnen hebben beïnvloed. Ter bevestiging hiervan wordt een historisch onderzoek uitgevoerd.

(…)

Voor de betreffende locatie wordt vooralsnog de hypothese “niet-verdachte locatie”gehanteerd. Deze hypothese is gekozen omdat er thans geen aanwijzingen zijn die duiden op de (voormalige) aanwezigheid van één of meerdere verontreinigingsbronnen.“

3.14.

In haar onderzoeksrapportage van 25 mei 2001 vermeldt [gedaagde 2]:

“Beschikbare onderzoeksgegevens

Uit het historisch onderzoek blijkt dat op de locatie geen tanks aanwezig zijn geweest. Op het perceel aan de [adres] heeft een 4000 liter benzinetank gelegen. Deze is in oktober 1994 gesaneerd.”

3.15.

In reactie op de vraag of het door [gedaagde 2] verrichte historisch onderzoek voldeed

aan de daaraan destijds te stellen eisen, bericht [ingenieur]:

“Uit het rapport van [gedaagde 2] valt niet op te maken dat alle noodzakelijke dossiers zijn geraadpleegd. De indruk wordt gewekt dat niet alle relevante bronnen zijn geraadpleegd. Zo wordt bijvoorbeeld niet gerept over onderzoek naar het historisch gebruik van de locatie en wordt niet aangegeven dat het archief Bouw- en Woningtoezicht is geraadpleegd. Dit zou wel moeten, aangezien in het kader van de bouwvergunning (Bouwverordening) het historisch onderzoek op basisniveau moet worden uitgevoerd. Wat verder opvalt, is dat er gesproken wordt over een benzinetank en dat geen rekening wordt gehouden met bedrijfsactiviteiten. Een benzinetank wordt meestal bedrijfsmatig gebruikt. In dat geval zou minimaal ook het Hinderwetarchief en Archief Wet Milieubeheer geraadpleegd moeten worden. Nergens in de rapportage valt op te maken dat dit ook heeft plaatsgevonden. Het komt vreemd over dat er geen relevante informatie voorhanden zou zijn in één van de genoemde archieven, dus de conclusie dat niet alle archieven zijn geraadpleegd ligt daarmee voor de hand.”

3.16.

In verband met de vraag of [gedaagde 2] er vanuit mocht gaan dat het perceel [adres][adres] in [plaats] een buurperceel betrof, geeft [ingenieur] aan dat de adresaanduiding in het algemeen uitgangspunt vormt voor het onderzoek omdat vergunningen en dergelijke in eerste aanleg gekoppeld zijn aan een adres en daarna pas aan een kadastrale aanduiding. Een adres kan namelijk meerdere percelen omvatten, aldus [ingenieur]. Hij merkt daarbij wel op:

“ De tekeningen uit het rapport laten echter duidelijk zien, dat bij een korte bestudering van de beschikbare gegevens en een locatiebezoek zeer snel duidelijk zou zijn geworden dat de nummers [nummer] beide de onderzoekslocatie betreffen. (…) Voor zover dit niet direct duidelijk was, had dit tijdens het veldwerk op zijn minst een signaal moeten zijn om bij de opdrachtgever te verifiëren wat de exacte nummering was.”

3.17.

Naar de mening van [ingenieur] was het zinvol geweest indien [gedaagde 2], nadat haar uit de informatie uit het dossier van de Regionale Milieudienst was gebleken dat op nummer [nummer] een benzinetank van 4000 liter had gelegen, bij [gedaagde 1] navraag zou hebben gedaan of deze informatie had over de tank bij “de buren”. Met name omdat het ging om een benzinetank, die gezien mag worden als een duidelijke potentiële bron van bodemveront-reiniging, aldus [ingenieur].

3.18.

Verder heeft de rechtbank [ingenieur] gevraagd of [gedaagde 2], ook als zij er vanuit ging dat nummer [nummer] een buurperceel van het te onderzoeken perceel betrof, nader onderzoek had moeten doen naar de ondergrondse tank die op dat perceel had gelegen. In antwoord daarop geeft [ingenieur] aan dat, zoals gemeld, tijdens het onderzoek al opgemerkt had moeten worden dat er sprake was van één perceel in plaats van twee. Toch noemt hij het gebruikelijk om bij de opzet van een onderzoek rekening te houden met mogelijke bronnen op buurpercelen. Een nader onderzoek uitvoeren op een buurperceel noemt hij niet gebruikelijk, omdat het meestal een andere eigenaar betreft. Daarbij tekent hij evenwel aan:

“Gebruikelijk was en is om aan de rand van het buurperceel een boring of peilbuis te zetten om vast te stellen of een potentiële bron op het buurperceel mogelijk heeft geleid tot bodemverontreiniging op het onderzoeksperceel. Aangezien het hier om een ondergrondse olietank gaat was dit wenselijk, ondanks het feit dat het een gesaneerde tank betrof.”

3.19.

De vraag of [gedaagde 2] aanvullend onderzoek achterwege mocht laten omdat uit informatie uit het dossier van de Regionale Milieudienst bleek dat er stond vermeld “gesaneerd okt. 1994” beantwoordt [ingenieur] ontkennend. In dat verband merkt hij op dat het een algemeen bekend gegeven is dat in het verleden (vóór 1998) uitgevoerde tanksaneringen niet altijd juist zijn uitgevoerd. Hij wijst erop dat op 1 maart 1993 de AMvB Besluit opslaan in ondergrondse tanks (verder: BOOT) in werking is getreden, maar dat gezien “gewenningsperikelen” meestal een marge van vijf overgangsjaren wordt gehanteerd waarin er vanuit wordt gegaan dat er geen zekerheid bestaat dat een destijds uitgevoerde tanksanering volledig en juist is geweest. Het was en is daarom volgens hem gebruikelijk om bij tanks die voor 1998 zijn gesaneerd een verificatieonderzoek uit te voeren. [ingenieur] is dan ook van mening dat [gedaagde 2] kritischer had moeten zijn ten aanzien van de term “gesaneerd” bij de ondergrondse tank. De tanklocatie had conform NEN 5740 dan ook als verdachte (sub)locatie moeten worden aangemerkt en dan was verificatie door het plaatsen van een peilbuis minimaal aan de orde geweest, aldus [ingenieur].

3.20.

Ten aanzien van de door [gedaagde 2] gehanteerde onderzoekshypothese “niet verdachte locatie” geeft [ingenieur] aan dat het bij een locatie die slechts een potentiële locale bron kent gebruikelijk is de hypothese “onverdacht” te hanteren en voor de potentiële bron uit te gaan van een onderzoeksopzet “verdacht, met bekende plaats van voorkomen”. Op die manier wordt de totale bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie beter in beeld gebracht, terwijl de potentiële locale bron de aandacht krijgt die deze verdient. Daar vanuit gaande heeft [gedaagde 2] volgens [ingenieur] onderzoekstechnisch deels de juiste hypothese gehanteerd.

3.21.

Met inachtneming van het voorgaande heeft [ingenieur] de hoofdvraag aldus beantwoord:

“[gedaagde 2] is bij het door haar uitgevoerde onderzoek te summier geweest in het onderzoek naar de gesaneerde ondergrondse tank. De NVN 5725 (en daarmee als gevolg de NEN 5740) is onvoldoende gevolgd. Met haar kennis van de dagelijkse praktijk van tanksaneringen in het verleden had [gedaagde 2] hetzij navraag moeten doen bij de milieudienst en/of de opdrachtgever, hetzij bij de opzet van het bodemonderzoek (de positie van boringen en peilbuizen) rekening moeten houden met een potentiële bron van bodemverontreiniging, al dan niet gelegen op het buurperceel”

3.22.

Voor zover de aanvullende opmerkingen van [ingenieur] (pag. 7 deskundigenbericht) en de reacties van partijen op die opmerkingen betrekking hebben op de onderlinge verhouding tussen [gedaagde 1] als opdrachtgever en [gedaagde 2] als opdrachtnemer zal de rechtbank daaraan navolgend afzonderlijk aandacht besteden in het kader van de beoordeling van de vrijwaringsprocedure.

3.23.

[eisers] stellen dat uit het deskundigenbericht zonder meer blijkt dat [gedaagde 2] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, met name omdat het haar bekend had moeten zijn dat destijds verwijderde ondergrondse tanks vaak niet voldoende adequaat waren gesaneerd. Daarom had [gedaagde 2] bedacht moeten zijn op bodemverontreiniging ter plaatse van die voormalige ondergrondse tank. [eisers] sluiten zich dan ook aan bij de bevindingen van [ingenieur].

3.24.

Ook [gedaagde 1] sluit zich geheel aan bij de bevindingen van [ingenieur].

3.25.

[gedaagde 2] is het echter op meerdere gronden niet eens met de bevindingen van

[ingenieur]. De vraag doet zich derhalve voor of de stellingen van [gedaagde 2] aanleiding vormen om af te wijken van de bevindingen van de deskundige. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.

3.26.

Allereerst stelt [gedaagde 2] dat bij een opdracht als destijds door [gedaagde 1] aan haar was

verstrekt, in beginsel uitsluitend het historisch archief wordt geraadpleegd en dat uitsluitend indien het raadplegen van dat archief daartoe aanleiding geeft, vervolgens andere archieven worden geraadpleegd. [gedaagde 2] stelt dat de door haar gevolgde onderzoeksmethode gebruikelijk was en is, dat deze voldeed aan de vereisten en dat deze bovendien volledig in lijn was met hetgeen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren overeengekomen.

3.27.

Vast staat dat [gedaagde 2] er in mei 2001 van op de hoogte was dat op nr. [nummer] een

benzinetank had gelegen. In het onderzoeksvoorstel van [gedaagde 2] (prod. 2 [gedaagde 2] hoofdzaak) wordt ten aanzien van terreinbeschrijving en historie (onder meer) vermeld:

“De onderzoekslocatie ligt aan de [adres] te [plaats].

Het te onderzoeken perceel staat bekend als gemeente Helmond, sectie T, nummer 5489 (…)”

[eisers] hebben tekeningen in het geding gebracht, waaruit blijkt op welke locaties [gedaagde 2] grondboringen heeft verricht en waar de benzinetank is aangetroffen (prod. 7 [eisers] hoofdzaak). Indien deze tekeningen worden bezien in samenhang met het uittreksel uit de kadastrale kaart (prod. 3 [eisers] hoofdzaak) blijkt duidelijk dat alle boringen door [gedaagde 2] zijn verricht op perceel 5489 en dat ook de tank op dat perceel is aangetroffen. Nu [gedaagde 2] volgens haar eigen onderzoeksvoorstel juist dit perceel diende te onderzoeken, sluit de rechtbank zich aan bij de bevinding van de deskundige dat bij een korte bestudering van de gegevens en een locatiebezoek zeer snel duidelijk zou zijn geworden dat de nummers [nummer] en [nummer] beide de onderzoekslocatie betroffen, zodat dit voor [gedaagde 2] een signaal had moeten zijn om bij de opdrachtgever te verifiëren wat de juiste nummering was. Daargelaten de vraag of en in hoeverre [gedaagde 1] [gedaagde 2] had moeten informeren omtrent de tank en omtrent het feit dat [gedaagde 2] ten onrechte enkel nr. [nummer] in haar offerte en onderzoeksvoorstel had vermeld terwijl zij daarentegen wel het perceelsnummer van nr. [nummer] had vermeld (welke vraag in de vrijwaringszaak aan de orde zal komen), is [ingenieur] van oordeel dat het gezien de uit het historisch onderzoek gebleken informatie over de tank op de weg van [gedaagde 2] had gelegen om nader onderzoek te doen. Zulks gold volgens [ingenieur] temeer nu de sanering dateert van voor 1998 en volgens hem algemeen bekend is dat saneringen die in de eerste jaren na inwerkingtreding van BOOT waren verricht, niet betrouwbaar werden geacht. [gedaagde 2] stelt evenwel dat, ook indien zij er vanuit zou zijn gegaan dat nummer [nummer] tot het te onderzoeken perceel behoorde, haar wijze van onderzoek niet anders zou zijn geweest en zij ook in dat geval geen diepgravend onderzoek zou hebben verricht. Immers, gesaneerde grond is altijd juist schone grond, aldus [gedaagde 2]. Zij stelt dat het zeer ongebruikelijk is dat saneringen die begin jaren ’90 hebben plaatsgevonden, laat staan in 1994, niet op de juiste wijze zijn verricht, in tegenstelling tot saneringen die in de jaren ’70 en ’80 hebben plaatsgevonden. [gedaagde 2] stelt dan ook dat zij er vanuit mocht gaan dat de bodem schoon was, nu niet was vermeld dat de sanering op onjuiste wijze was dan wel zou kunnen zijn uitgevoerd.

3.28.

Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of [gedaagde 2] op basis van de informatie uit het historisch archief van de gemeente dat de tank was gesaneerd, er al dan niet terecht vanuit heeft mogen gaan dat de grond na de sanering schoon was.

3.29.

Tussen partijen is niet in geschil dat de ondergrondse benzinetank in opdracht van (de rechtsvoorganger(s) van) [gedaagde 1], destijds gevestigd op het adres [adres][adres], op 16 december 1994 van het terrein is verwijderd door [bedrijf]. Op de checklist van dat bedrijf (prod. 4 dagvaarding hoofdzaak) staat handgeschreven met een dubbel uitroepteken vermeld dat het om benzine gaat. Verder is op de lijst de volgende informatie vermeld:

Ja Nee n.v.t.

Melding bevoegd gezag: x

Toestemming bevoegd gezag x

Aanvullende eisen x

Certificaat uitgestuurd x

Wijze van saneren verwijderen

ORGANOLEPTISCH VOORONDERZOEK:

Grondboringen met interval van c.a. 20 cm. en/of afhankelijk van de gelaagdheid van de grond.

Verontreiniging Welke diepte

Ja Nee t.o.v. maaiveld

Punt (zie situatieschets) Totale diepte

  1. . Linker voorzijde Ja

  2. . Linker achterzijde ”

  3. . Rechter voorzijde ”

  4. . Rechter achterzijde ”

  5. . Vulpunt ”

  6. . Ontluchtingspunt ”

  7. . Overig: Pomp ”

(Bij vervuiling) bevoegd gezag gemeld: nee

Toestemming bevoegd gezag na konstatering van verontreiniging nvt

Werkwijze bij verontreiniging nvt

3.30.

Uit deze lijst kan worden opgemaakt dat [bedrijf] de sanering niet aan de gemeente [plaats] heeft gemeld en dat geen certificaat is uitgestuurd. Voorts blijkt daaruit dat op alle meetpunten rond de benzinetank verontreiniging werd aangetroffen en dat deze evenmin aan het bevoegd gezag is gemeld.

3.31.

Vast staat dat ten tijde van de sanering eerdergenoemd Besluit BOOT van toepassing was. Dit besluit was in werking getreden met ingang van 1 maart 1993. Op grond van dit besluit diende het verwijderen of onklaar maken van een ondergrondse tank te worden uitgevoerd door een door het KIWA voor het verwijderen of onklaar maken van de desbetreffende soort tank erkend tanksaneringsbedrijf ( Bijlage VI, behorende bij het besluit, hoofdstuk II, artikel 1). Na het verwijderen dan wel onklaar maken van de tank overeenkomstig de voorschriften van genoemde bijlage diende een door het tanksaneringsbedrijf opgestelde schriftelijke rapportage van het verwijderen of onklaar maken aan het bevoegd gezag te worden overgelegd (art. 4 genoemde bijlage).

3.32.

Niet is gesteld of gebleken dat de voorgeschreven schriftelijke rapportage

(doorgaans aangeduid als certificaat) omtrent de sanering aanwezig was in het dossier dat [naam medewerker], medewerker van [gedaagde 2], in het voorjaar van 2001 bij de Gemeentelijke Milieudienst regio Eindhoven te Helmond heeft ingezien. Nu vaststaat dat de benzinetank is gesaneerd in 1994, derhalve ná inwerkingtreding van BOOT, terwijl de van overheidswege voorgeschreven schriftelijke rapportage omtrent de sanering niet aanwezig was, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] er, in tegenstelling tot hetgeen zij betoogt, alleen al om die reden niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de sanering deugdelijk was verricht. Gelet op het vorenstaande sluit de rechtbank zich aan bij de bevindingen van de deskundige en neemt zij deze over. Dit betekent dat het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [gedaagde 2] had gelegen om, zeker nu het een benzinetank betreft die doorgaans bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij nadere informatie op te vragen bij haar opdrachtgever [gedaagde 1] en/of bij de milieudienst, hetzij bij de opzet van het bodemonderzoek (de positie van boringen en peilbuizen) rekening te houden met een potentiële bron van bodemverontreiniging, al dan niet gelegen op het (vermeende) buurperceel. Nu zij dit heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] niet heeft gehandeld zoals in vergelijkbare omstandigheden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, zodat haar handelwijze als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

3.33.

[gedaagde 2] heeft verder betwist dat er een causaal verband bestaat tussen haar

handelwijze en de door [eisers] schade. De rechtbank verwerpt dit verweer. Immers, indien [gedaagde 2] het (historisch) onderzoek naar behoren had verricht en zij de voormalige aanwezigheid van de benzinetank in haar onderzoek zou hebben betrokken, zodat er, zoals te doen gebruikelijk rekening houdend met de stroomrichting van het grondwater, precies in de bodemverontreiniging een peilbuis zou zijn geplaatst, zou de verontreiniging op dat moment zijn gesignaleerd. Alsdan zouden de koopovereenkomsten tussen [eisers] en [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] ingevolge artikel 17 van die overeenkomsten per direct zijn ontbonden en zou de thans door [eisers] gestelde schade niet zijn ontstaan.

3.34.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank voorts van oordeel dat de

onrechtmatige daad aan [gedaagde 2] kan worden toegerekend, zodat de rechtbank [gedaagde 2], naast [gedaagde 1], aansprakelijk acht voor de door [eisers] als gevolg daarvan geleden schade.

Hoofdelijkheid

3.35.

Nu zowel op [gedaagde 1] als op [gedaagde 2] een verplichting tot vergoeding van dezelfde

schade rust, zijn zij daartoe hoofdelijk verbonden.

Schade

3.36.

In het vonnis van 15 maart 2006 heeft de rechtbank (in r.o. 5.22.) de door [eisers]

[eisers] gestelde schadeposten weergegeven. Navolgend zal de rechtbank deze posten afzonderlijk bespreken.

- kosten bodemsanering

[eisers] hebben een offerte overgelegd van A&G Milieutechniek, waarin de kosten voor de uit te voeren werkzaamheden worden geraamd op EUR 29.400,00 excl. BTW. Voorts zijn vier tot januari 2006 ontvangen facturen overgelegd tot een totaalbedrag van EUR 22.493,65 (prod. 11 hoofdzaak [eisers]). Op dat moment, ten tijde van de comparitie na antwoord, was de bodemsanering nog niet voltooid en hebben [eisers] aangegeven dat de kosten naar verwachting iets meer dan EUR 30.000,00 zouden gaan bedragen. Uit de offerte blijkt dat deze is gebaseerd op een aanvraag van [gedaagde 2]. [eisers] hebben onweersproken gesteld dat de sanering onder toezicht van [gedaagde 2] heeft plaatsgevonden. Nu geen inhoudelijk verweer is gevoerd tegen de omvang van de gestelde kosten en deze naar het oordeel van de rechtbank voldoende zijn aangetoond, zal de rechtbank het gevorderde bedrag van EUR 30.000,00 toewijzen.

- kosten bodemonderzoek

[eisers] hebben in verband met deze kosten een bedrag van EUR 8.615,00 gevorderd. Ter onderbouwing van hun vordering hebben zij 3 facturen van [gedaagde 2] in het geding gebracht (Prod. 12 hoofdzaak [eisers]). Voor zover deze facturen zien op werkzaamheden met betrekking tot [adres] zijn kosten in rekening gebracht tot een bedrag van in totaal (EUR 1.250,00 + 3.050,00 + 2.340,00 + 600,00) EUR 7.240,00. Nu deze nota’s zijn toegezonden aan[projectontwikkelingsbedrijf] gaat de rechtbank er vanuit dat de BTW door deze vennootschap is verrekend, zodat [eisers] deze niet als schade hebben geleden. Omdat de in het geding gebrachte facturen afkomstig zijn van [gedaagde 2] zelf, gaat de rechtbank voorbij aan het, overigens niet gemotiveerde, verweer van [gedaagde 2] dat niet duidelijk is welke bodemonderzoeken precies zijn bedoeld, wie deze heeft verricht en of de facturen wel zijn betaald. Daarom zal de rechtbank de vordering ter zake kosten bodemonderzoek toewijzen tot een bedrag van EUR 7.240,00.

- kosten technisch adviesbureau

In verband met de kosten van technisch advies hebben [eisers] een bedrag van EUR 5.000,00 gevorderd. Zij stellen dat zij dergelijk advies hebben ingewonnen om zich te laten informeren over de regels en hun positie inzake de bodemverontreiniging. [eisers] hebben een factuur in het geding gebracht van [advies- en beheerbedrijf] ten bedrage van EUR 3.267,84 excl. BTW (prod. 13 hoofdzaak [eisers]). Deze factuur ziet op “declaratie advieskosten div. projecten [plaats] en [plaats] september t/m december 2003”.

Bij gelegenheid van de comparitie hebben [eisers] verklaard dat de gedeclareerde werkzaamheden inderdaad niet alleen deze zaak betroffen, maar dat de helft van de kosten daarop wel betrekking heeft. Zij hebben toen aangeboden stukken in het geding te brengen waaruit blijkt hoeveel het adviesbureau aan deze zaak heeft besteed, maar zij hebben dat niet meer gedaan. Bij gebrek aan andersluidende informatie is de rechtbank, met [gedaagde 1] en [gedaagde 2], van oordeel dat de betreffende vordering onvoldoende is onderbouwd, zodat de rechtbank deze zal afwijzen.

- kosten rechtsbijstand

[eisers] vorderen een bedrag van EUR 11.825,00. Zij stellen dat deze kosten van rechtsbijstand zijn gemaakt in het overleg met en de procedure tegen de kopers van de percelen. Volgens [eisers] zijn deze kosten het directe gevolg van het tekortschieten en onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Ten bewijze van de kosten hebben zij een factuuroverzicht in het geding gebracht betreffende werkzaamheden die [naam] heeft verricht ten behoeve van [projectontwikkelingsbedrijf] (prod. 14 hoofdzaak [eisers]) De facturen dateren van 21 december 2003 tot en met 31 december 2005. In die periode is een honorarium in rekening gebracht van EUR 18.521,48. Volledigheidshalve hebben [eisers] aangegeven dat niet alle in prod. 14 genoemde bedragen betrekking hebben op de gevorderde kosten van rechtsbijstand tegen de kopers, nu daarin ook de werkzaamheden in verband met de procedure tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn opgenomen (brief [naam] d.d. 13 januari 2006). [gedaagde 1] heeft aangevoerd de betreffende kosten exorbitant hoog te vinden, terwijl [gedaagde 2] op meerdere gronden inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de verschuldigdheid van de kosten. De rechtbank stelt voorop dat zij enkel kan beoordelen of kosten van rechtsbijstand al dan niet voor vergoeding in aanmerking komen indien de gestelde kosten zijn gespecificeerd; een deugdelijke specificatie dient te bestaan uit een omschrijving van de verrichtingen, het gemoeide aantal uren en het gehanteerde uurtarief. Nu een dergelijke specificatie ontbreekt en [eisers] zelf aangeven dat in de gestelde kosten eveneens kosten betreffende de onderhavige procedure zijn begrepen, is de rechtbank van oordeel dat zij hun vordering onvoldoende hebben onderbouwd, zodat deze reeds op die grond zal worden afgewezen.

3.37.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [eisers] om [gedaagde 1] en

[gedaagde 2] te veroordelen tot vergoeding van de door hen geleden schade toewijsbaar is tot een bedrag van EUR 37.240,00. [gedaagde 2] heeft verder verweer gevoerd tegen de gevorderde ingangsdatum van de wettelijke rente. In dat verband heeft zij de brief van [eisers] aan [gedaagde 2] d.d. 6 oktober 2004 (prod. 8 hoofdzaak [gedaagde 2]) aangehaald, waarbij [gedaagde 2] aansprakelijk is gesteld uit hoofde van onrechtmatige daad en zij is gesommeerd de op dat moment vaststaande schade binnen 2 weken nadien over te maken. Nu de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden in mei 2001, toen [gedaagde 2] haar onderzoek verrichtte, en de gestelde schadeposten zich hebben voorgedaan voorafgaand aan de aansprakelijkstelling, is de rechtbank van oordeel dat de wettelijke rente over het bedrag van EUR 37.240,00 toewijsbaar is met ingang van 20 oktober 2004.

3.38.

[eisers] hebben daarnaast gevorderd [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot

vergoeding van de overige schade, nader op te maken bij staat. Deze schade ziet op mogelijke renteschade en overige schade, omdat de kopers [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] de grond later hebben afgenomen dan was overeengekomen. In dat verband heeft deze rechtbank [eisers] bij vonnis van 6 juli 2005 hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de aan [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] uit hoofde van de koopovereenkomst verbeurde boetes (EUR 43.294,10 per persoon) en is de zaak voor wat betreft de gevorderde schadevergoeding verwezen naar de schadestaatprocedure. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. Omdat de uitkomst van de procedure in hoger beroep tussen [eisers] en [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] van belang is voor de vaststelling van de omvang van de door [eisers] geleden schade en deze uitkomst de rechtbank onbekend is, zal zij partijen voor dit onderdeel van de vordering naar de schadestaatprocedure verwijzen.

Kosten

3.39.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] in de hoofdzaak worden begroot op:

  • -

    dagvaarding EUR 85,60

  • -

    vast recht 1.220,00

  • -

    getuigenkosten 0,00

  • -

    deskundigen 1.195,00 (1/3 deel voorschot)

  • -

    overige kosten 0,00

  • -

    salaris advocaat 3.129,00 (3,5 punten × factor 1,0 × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 5.629,60

In de vrijwaringszaak

In conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

3.40.

In de vrijwaringszaak is de rechtsverhouding tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de orde. Vaststaat dat [gedaagde 1] (als opdrachtgever) en [gedaagde 2] (als opdrachtnemer) een overeenkomst van opdracht hebben gesloten. Tussen partijen is niet in geschil dat in de offerte van [gedaagde 2] staat vermeld dat de algemene voorwaarden van [gedaagde 2], die zijn afgedrukt op de achterzijde van het voorblad van de offerte, alsmede de aanvullende voorwaarden, die zijn toegevoegd aan het door [gedaagde 2] opgestelde onderzoeksvoorstel, van toepassing zijn op de overeenkomst tussen partijen.

3.41.

Artikel 3 van die algemene voorwaarden (prod. 4 hoofdzaak [gedaagde 2]) luidt:

“Opdrachtgever is verplicht het adviesbureau te vrijwaren voor alle aanspraken van derden, voortvloeiende uit of verband houdende met de uitvoering van de werkzaamheden van het adviesbureau.”

3.42.

Verder luidt artikel 4.1. van die voorwaarden:

“(…) Indien een fout wordt gemaakt doordat de opdrachtgever aan het adviesbureau onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, is het adviesbureau voor de daardoor ontstane schade niet aansprakelijk. Indien de opdrachtgever aantoont dat hij schade heeft geleden door een fout van het adviesbureau, die bij zorgvuldig handelen zou zijn vermeden, is het adviesbureau bij opdrachten met een honorarium van EUR 12.000,00 of lager, voor die schade slechts aansprakelijk tot maximaal het bedrag van het honorarium voor de betreffende opdracht, tenzij er aan de zijde van het adviesbureau sprake is van opzet of daarmee gelijk te stellen grove nalatigheid.”

3.43.

In de aanvullende voorwaarden staat verder nog vermeld:

“Historische gegevens welke voor bodemonderzoek van belang zijn worden door de opdrachtgever verstrekt.”

3.44.

Zoals vorenstaand is weergegeven (r.o. 3.11.) heeft het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch inmiddels geoordeeld dat [gedaagde 1] ermee bekend was dat in het verleden een ondergrondse benzinetank aanwezig is geweest op het perceel dat zij in verband met de verkoop wenste te laten onderzoeken door [gedaagde 2]. Dit arrest is in kracht van gewijsde gegaan. Het mag duidelijk zijn, hetgeen door [gedaagde 1] ook niet is weersproken, dat het feit dat vanaf 1976 tot 1994 (derhalve gedurende 18 jaar) een benzinetank aanwezig is geweest in de ondergrond van het te onderzoeken perceel, moet worden beschouwd als een historisch gegeven dat voor bodemonderzoek van belang kan zijn. Dit geldt eens te meer nu op de door [bedrijf] aan [gedaagde 1] gerichte checklist (zie hiervoor r.o. 3.29.) staat vermeld dat op alle door [naam] gecontroleerde punten verontreiniging is aangetroffen. Nu niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde 1] [gedaagde 2] heeft geïnformeerd over de (sanering van de) tank, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] niet heeft voldaan aan de onder 3.43. genoemde aanvullende voorwaarde. In dat verband neemt de rechtbank mede in aanmerking dat [ingenieur] bij zijn aanvullende opmerkingen aangeeft dat de opdrachtgever voor een vooronderzoek een belangrijke informatiebron vormt, waarbij het gebruikelijk is dat hierop vertrouwd mag worden.

3.45.

Nu vast staat dat [gedaagde 1] in het geheel geen informatie heeft verschaft over de benzinetank, wordt haar verweer dat zij geen onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft als bedoeld in artikel 4.1. van de algemene voorwaarden verworpen. Het behoeft immers geen betoog dat het in het geheel geen informatie verschaffen de overtreffende trap vormt van het verstrekken van onvolledige of onjuiste informatie, waarop genoemd artikel ziet. Overigens is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van [gedaagde 1] had gelegen om [gedaagde 2] erop te attenderen dat zij zowel in de offerte als in haar onderzoeksvoorstel ten onrechte enkel nr. [nummer] (met perceelsnummer 5489) heeft vermeld, terwijl het onderzoek eveneens betrekking diende te hebben op nr. [nummer] en perceelsnummer 4717. In dat verband acht de rechtbank mede van belang dat [gedaagde 2] op 2 mei 2001 12 handboringen heeft verricht op perceel 5489 (waarvan de locatie is aangegeven op een kadastrale kaart (prod. 7 [eisers] hoofdzaak). Op basis van de analyse van de betreffende monsters heeft [gedaagde 2] haar rapport opgesteld, dat zij op 25 mei 2001 aan [gedaagde 1] heeft toegezonden. Ook daarin wordt [adres][adres] genoemd, alsmede de kadastrale aanduiding T 5489. Wederom wordt gewezen op de door haar gehanteerde onderzoekshypothese “niet- verdachte locatie”. Onder 2.2. van de rapportage vermeldt [gedaagde 2] dat in de omgeving van de onderzoekslocatie in het verleden geen bodemonderzoeken hebben plaatsgevonden. [gedaagde 1] was er echter van op de hoogte dat deze veronderstelling aantoonbaar onjuist was.

3.46.

Naar aanleiding van de analyse van de genomen monsters heeft [gedaagde 2] onder 5.4. van haar rapport vermeld:

“Uit het verrichte bodemonderzoek blijkt dat de hypothese “niet-verdachte locatie” verworpen moet worden. De nieuwe hypothese luidt “verdachte locatie met in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan cadmium, koper, lood, zink, minerale olie en PAK’s, in de ondergrond een licht verhoogd gehalte aan minerale olie en in het ondiepe grondwater een licht verhoogd gehalte aan lood.”

Ook in deze bevindingen heeft [gedaagde 1] geen aanleiding gezien om contact op te nemen met [gedaagde 2] om haar nader te informeren omtrent de mogelijke oorzaak van de aangetroffen verontreiniging. Nu [gedaagde 1] derhalve geen enkele informatie aan [gedaagde 2] heeft verstrekt die had kunnen leiden tot een meer passende onderzoeksstrategie is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] in beginsel niet aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade.

3.47.

[gedaagde 1] stelt evenwel dat [gedaagde 2] verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld, als gevolg waarvan de in artikel 4.1. van de algemene voorwaarden genoemde exoneratieclausule in ieder geval buiten toepassing dient te worden verklaard als zijnde kennelijk onredelijk, zulks op grond van eigen schuld aan de zijde van [gedaagde 2]. Subsidiair stelt [gedaagde 1] dat [gedaagde 2] op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid geen beroep op de exoneratieclausule kan doen (II3 antwoordconclusie na deskundigenbericht [gedaagde 1] in vrijwaring).

3.48.

Bij de beoordeling van dat verweer stelt de rechtbank voorop dat ingevolge de

algemene voorwaarden enkel geen beroep op de exoneratieclausule kan worden gedaan indien sprake is van opzet of daarmee gelijk te stellen grove nalatigheid aan de zijde van [gedaagde 2]. Dat sprake zou zijn van opzet is niet gesteld of gebleken, zodat de vraag aan de orde is of de handelwijze van [gedaagde 2] moet worden aangemerkt als “met opzet gelijk te stellen grove nalatigheid”. Gelet op de hiervoor weergegeven omissies in de informatieverstrekking van [gedaagde 1] aan [gedaagde 2], is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop [gedaagde 2] de haar opgedragen werkzaamheden heeft verricht, niet als zodanig kan worden aangemerkt. Dit betekent dat daarin geen aanleiding wordt gezien om de exoneratieclausule buiten toepassing te laten.

3.49.

Vervolgens is de vraag aan de orde of het door [gedaagde 2] gedane beroep op het

exoneratiebeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Vorenstaand (in r.o. 3.44.) heeft de rechtbank overwogen dat het op de weg van [gedaagde 1] had gelegen om [gedaagde 2] te informeren omtrent het feit dat gedurende 18 jaar een ondergrondse benzinetank aanwezig was geweest in de bodem van het door [gedaagde 2] op verontreiniging te onderzoeken perceel. Nu [gedaagde 1] dat niet heeft gedaan, acht de rechtbank het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat [gedaagde 2] zich op de door haar bedongen exoneratieclausule beroept.

3.50.

Hoewel [gedaagde 2] in de niet-contractuele rechtsverhouding met [eisers] wel

hoofdelijk aansprakelijk werd geoordeeld, is zij dat in de contractuele relatie met [gedaagde 1] aldus slechts in beperkte mate. Op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden van [gedaagde 2] dient [gedaagde 1] [gedaagde 2] te vrijwaren voor haar aansprakelijkheid jegens [eisers] en is [gedaagde 2] slechts beperkt aansprakelijk voor de eigen schade van [gedaagde 1].

3.51.

Resteert de vraag of [gedaagde 1], zoals zij stelt, schade heeft geleden als gevolg van

een fout van [gedaagde 2], die bij zorgvuldig handelen zou zijn vermeden. Bij de beoordeling van dat verweer stelt de rechtbank voorop dat niet is gesteld of gebleken dat de in het besluit BOOT voorgeschreven schriftelijke rapportage omtrent de sanering aanwezig was in het dossier dat de heer [naam medewerker], medewerker van [gedaagde 2], in het voorjaar van 2001 bij de Gemeentelijke Milieudienst regio Eindhoven te Helmond heeft ingezien. Nu vaststaat dat de benzinetank ná inwerkingtreding van BOOT is gesaneerd, terwijl de van overheidswege voorgeschreven schriftelijke rapportage omtrent de sanering niet aanwezig was, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] er alleen al om die reden niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de sanering deugdelijk was verricht. Op basis daarvan sluit de rechtbank zich aan bij de bevindingen van [ingenieur] en neemt zij deze over. Dit betekent dat het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [gedaagde 2] had gelegen om, zeker nu het een benzinetank betrof die doorgaans bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij nadere informatie op te vragen bij haar opdrachtgever [gedaagde 1] en/of bij de milieudienst, hetzij bij de opzet van het bodemonderzoek (de positie van boringen en peilbuizen) rekening te houden met een potentiële bron van bodemverontreiniging, al dan niet gelegen op het (vermeende) buurperceel. Nu zij dit heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een fout van het adviesbureau in de zin van artikel 4.1. van de algemene voorwaarden, welke fout bij zorgvuldig handelen zou zijn vermeden. Nu vaststaat dat het honorarium dat [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] in rekening heeft gebracht minder heeft bedragen dan EUR 12.000,00, is [gedaagde 2] in beginsel slechts aansprakelijk tot maximaal het bedrag van het honorarium voor de betreffende opdracht, zijnde EUR 1.066,38. Dit betekent dat [gedaagde 1] in conventie zal worden veroordeeld tot betaling van al hetgeen waartoe [gedaagde 2] als gedaagde in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met inbegrip van rente en proceskosten, en dat [gedaagde 2] in reconventie zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van EUR 1.066,38 aan [gedaagde 1].

Proceskosten

3.52.

Het hof heeft [gedaagde 1] veroordeeld in de kosten van het hoger beroep van de

vrijwaringszaak. De vordering van [gedaagde 2] in de vrijwaringszaak omvat mede veroordeling van [gedaagde 1] tot vergoeding van haar proceskosten in de hoofdzaak. De rechtbank is van oordeel dat de proceskosten die in de hoofdzaak voor rekening van [gedaagde 2] zijn gekomen, door [gedaagde 1] dienen te worden vergoed. De rechtbank begroot deze kosten aan de zijde van [gedaagde 2] op:

  • -

    dagvaarding EUR 0,00

  • -

    vast recht 1.220,00

  • -

    getuigenkosten 0,00

  • -

    deskundigen 1.195,00 (1/3 deel voorschot)

  • -

    overige kosten 0,00

  • -

    salaris advocaat 3.129,00 (3,5 punten x factor 1,0 x tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 5.544,00

Als de overwegend in het ongelijk gesteld partij zal [gedaagde 1] tevens worden veroordeeld in de kosten van de procedure in de vrijwaringszaak, welke kosten aan de zijde van [gedaagde 2] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding EUR 71,93

  • -

    vast recht 0,00

  • -

    getuigenkosten 0,00

  • -

    deskundigen 0,00

  • -

    overige kosten 0,00

  • -

    salaris advocaat 3.129,00 (3,5 punten x factor 1,0 x tarief EUR 894,00)

Totaa EUR 3.200,93

4 De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak

4.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eisers] te betalen een bedrag van EUR 37.240,00 (zevenendertigduizend en tweehonderd en veertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 oktober 2004 tot de dag van volledige betaling,

4.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot vergoeding van de overige schade,

op te maken bij staat,

4.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van

[eisers] tot op heden begroot op EUR 5.629,60,

4.4.

verklaart dit vonnis in hoofdzaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

In de vrijwaring

In conventie

4.6.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [gedaagde 2] te betalen al datgene waartoe [gedaagde 2] als

gedaagde in de hoofdzaak in de procedure tussen [eisers] als eisers in de hoofdzaak en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als gedaagden in de hoofdzaak (bij deze rechtbank bekend onder 122208 / HA ZA 05-378) bij vonnis ten behoeve van [eisers] mocht worden veroordeeld, die van de nog te voeren schadestaatprocedure daaronder begrepen, met inbegrip van rente en proceskosten,

In reconventie

4.4.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan [gedaagde 1] te betalen een bedrag van EUR 1.066,38

(eenduizend en zesenzestig euro en achtendertig eurocent),

In conventie en in reconventie

4.5.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 2] in de hoofdzaak

en in de vrijwaring tot op heden begroot op EUR 8.744,93, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.6.

verklaart dit vonnis in vrijwaring tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.7.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W. Rullmann en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2010.