Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BR4396

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
01/825653-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezen is poging tot doodslag gevolgd van een strafbaar feit (poging tot afpersing) en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Verdachte dient zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825653-08

Datum uitspraak: 10 februari 2009

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd te: [P.I.].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 februari 2009.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 2 november 2008 tot en met 3 november 2008

te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven

met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een

hamer tegen diens hoofd en/of tegen diens lichaam, heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of

voorafgegaan van een strafbaar feit, te weten:

dat hij in of omstreeks de periode van 2 november 2008 tot en met 3 november

2008 te Nuenen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld

en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte, met dat

oogmerk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een hamer,

tegen diens hoofd en/of tegen diens lichaam heeft geslagen en/of die [slachtoffer]

een mes en/of een knuppel heeft voorgehouden/getoond en/of (daarbij) tegen die

[slachtoffer] heeft gezegd: "Geef mij je geld en je bankpas", terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

[artikel 288 jo 45 Wetboek van Strafrecht];

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 2 november 2008 tot en met 3 november 2008 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of een bankpas, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met dat oogmerk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een hamer tegen diens hoofd en/of tegen diens lichaam heeft geslagen en/of die [slachtoffer] een mes en/of een knuppel heeft voorgehouden/getoond en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd; "Geef mij je geld en je bankpas", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 317 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging, is tussen de woorden 'door geweld'(regel 12) en '[slachtoffer]' (regel 12) weggevallen: 'en/of bedreiging met geweld'. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

In de nacht van 2 november op 3 november 2008 heeft verdachte te Nuenen [slachtoffer] meerdere malen (in diens woning) met een hamer geslagen, waarvan ten minste eenmaal op het hoofd.1 2 3 Ook heeft verdachte deze [slachtoffer] dreigend een honkbalknuppel voorgehouden en daarbij onder meer geroepen 'geef mij je geld en je bankpas'.4 5

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie voert aan dat verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer] met een hamer op diens hoofd heeft geslagen terwijl deze [slachtoffer] lag te slapen. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] bewusteloos wilde slaan zodat hij hem kon beroven. Door iemand hard met een hamer op het hoofd te slaan ontstaat de aanzienlijke kans dat die persoon overlijdt. De officier van justitie acht bewezen dat verdachte door aldus te handelen welbewust de aanzienlijke kans dat [slachtoffer] zou komen te overlijden heeft geaccepteerd. Verdachte heeft daarop nog verschillende malen geprobeerd met de hamer op het hoofd van [slachtoffer] te slaan. Daarnaast heeft verdachte tijdens dit slaan en de aansluitende bedreiging met de knuppel tegen [slachtoffer] geroepen dat hij geld en de bankpas van [slachtoffer] wilde. De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair tenlastegelegde feit. De verdediging voert hiertoe aan dat verdachte zich, op het moment dat [slachtoffer] wakker werd, realiseerde dat hij een fout maakte. Het lijkt erop dat verdachte zich daarna wat "inhield" met zijn handelen. Vervolgens heeft verdachte zich om het slachtoffer bekommerd. Uit deze omstandigheden leidt de verdediging af dat verdachte niet het opzet heeft gehad om [slachtoffer] te doden.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de hierboven genoemde en de navolgende bewijsmiddelen is de rechtbank tot de overtuiging gekomen, dat verdachte heeft gehandeld als hierna bewezen zal worden verklaard.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte met een hamer tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] bewusteloos wilde slaan zodat hij hem kon beroven. Op het moment dat [slachtoffer] wakker werd heeft verdachte nog een aantal malen met de hamer richting het hoofd van die [slachtoffer] geslagen. Hij raakte [slachtoffer] daarbij elders op diens lichaam.6 7

De rechtbank is van oordeel dat het slaan met een hamer op en in de richting van [slachtoffer]s hoofd reeds naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op en geschikt is voor de levensberoving van deze [slachtoffer] dat hieruit valt af te leiden dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte zich hiervan bewust was en dat hij de aanmerkelijke kans op dit gevolg willens en wetens heeft aanvaard. Op grond hiervan acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van opzet in voorwaardelijke zin op de dood van aangever.

De rechtbank stelt vast dat de poging tot doodslag werd gevolgd door een poging tot afpersing van deze [slachtoffer]. Verdachte heeft [slachtoffer] namelijk aansluitend een knuppel voorgehouden. Verdachte riep hierbij dat hij het geld en de bankpas van [slachtoffer] wilde.8 9

Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte de poging tot doodslag van [slachtoffer] pleegde met het oogmerk om deze poging tot afpersing voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken. Verdachte heeft immers verklaard dat hij [slachtoffer] bewusteloos wilde slaan opdat hij hem kon beroven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de periode van 2 november 2008 tot en met 3 november 2008 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met kracht met een hamer tegen diens hoofd en/of tegen diens lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd van een strafbaar feit, te weten:

dat hij in de periode van 2 november 2008 tot en met 3 november 2008 te Nuenen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en een bankpas toebehorende aan die [slachtoffer], met dat

oogmerk die [slachtoffer] een knuppel heeft voorgehouden en daarbij tegen die

[slachtoffer] heeft gezegd: "Geef mij je geld en je bankpas", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van deskundige P.J. Vervoort (psychiater) d.d. 12 januari 2009. Dit rapport houdt, kort en zakelijk weergeven, onder meer het volgende in:

'Bij betrokkene is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en afhankelijkheid van cannabis. De antisociale persoonlijkheidsstoornis en de afhankelijkheid van cannabis zijn in de tijd stabiel aanwezig en dus ook ten tijde van het ten laste gelegde. Betrokkene's handelen is bij het plegen van de ten laste gelegde feiten in enige mate beïnvloed door de antisociale persoonlijkheidsstoornis en de afhankelijkheid van cannabis. Op grond hiervan concludeert rapporteur dat betrokkene bij het plegen van de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.'

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het rapport van deskundige M.J.G.M. Wetsteyn (psycholoog) d.d. 17 januari 2009. Dit rapport houdt, kort en zakelijk weergeven, onder meer het volgende in:

'Bij betrokkene kan worden gesproken van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, hoogstwaarschijnlijk in gang gezet door een onveilige hechting in de kinderjaren.

Deze stoornis was ten tijde van het ten laste gelegde ook aanwezig. Dit beïnvloedde in aanzienlijke mate de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Gedacht wordt aan een (licht) verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare.

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie dan ook van oordeel dat het feit verdachte in verminderde mate is toe te rekenen.

Voorts zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 287, 288.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en aftrek van de reeds in voorarrest doorgebrachte dagen. Zij verzoekt de rechtbank hierbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht op te leggen. De officier van justitie heeft hierbij gelet op de ernst van het feit en de persoon van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van het primair tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken. Nu het subsidiair tenlastegelegde feit van een geringere ernst is, stelt de verdediging dat de straf moet worden gematigd. Voorts bepleit de verdediging dat, gelet op de achtergrond en de persoon van verdachte, zo spoedig mogelijk met de behandeling van verdachte moet worden begonnen. De verdediging stelt zich daarom op het standpunt dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum, en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Ten bezware van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft, door met een hamer op het hoofd van [slachtoffer] te slaan, een ernstige inbreuk op diens lichamelijke integriteit gepleegd. Door zijn handelen heeft hij een levensbedreigende situatie in het leven geroepen. Hij heeft zijn slachtoffer daarbij veel leed berokkend. Daarnaast heeft verdachte bij het plegen van het feit gehandeld uit puur winstbejag en heeft hij zich niets aangetrokken van de belangen van [slachtoffer]. Voorts heeft verdachte ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem stelde. Verdachte heeft [slachtoffer] immers in zijn eigen woning, terwijl deze sliep, onverwacht aangevallen.

In het voordeel van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank houdt er rekening mee dat uit de door P.J. Vervoort d.d. 12 januari 2009 en M.J.G.M. Wetsteyn d.d. 17 januari 2009 omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapporten blijkt, dat de door hem gepleegde strafbare feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend.

De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat verdachte nog niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld, hoewel hij blijkens genoemde rapporten vanaf zeer jonge leeftijd uit huis is geplaatst en een zeer moeilijke en instabiele jeugd heeft gehad.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Bovengenoemd rapport van deskundige P.J. Vervoort houdt, kort en zakelijk weergeven, onder meer het volgende in:

'Betrokkene is niet in staat zelf een dak boven zijn hoofd, een inkomen en/of bewindvoering te regelen. Een verplicht reclasseringstoezicht is dus aangewezen. Rapporteur adviseert daarom betrokkene deels een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een reclasseringstoezicht. Tevens adviseert rapporteur betrokkene al in detentie deel te laten nemen aan het project terugdringen recidive.'

Bovengenoemd rapport van deskundige M.J.G.M. Wetsteyn houdt, kort en zakelijk weergeven, onder meer het volgende in:

'Idealiter zou betrokkene in een vorm van begeleid wonen moeten worden ondergebracht, met daarop een stevige begeleiding en toeleiding naar bijv. werk en een eigen inkomen. Aan de Rechtbank wordt in overweging gegeven aan [verdachte] een (deels) voorwaardelijke detentiestraf op te leggen, waarbij als voorwaarde geldt dat hij zich houdt aan de afspraken en aanwijzingen van Reclassering met betrekking tot onderdak en het verwerven van loonvormende arbeid.'

Met betrekking tot de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank gelet op die rapporten bepalen dat een gedeelte van 6 maanden van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarde naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

primair

Poging tot doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het

oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren

en de bijzondere voorwaarde:

dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de

aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio

's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze

instelling zulks noodzakelijk acht, ook indien zulks inhoudt medewerking

verlenen aan het toewerken naar begeleid wonen.

verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d

van het Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M.P. Willemse, voorzitter,

mr. Ch. Dunnewijk en mr. W. Overbosch, leden,

in tegenwoordigheid van C.W.J. Raaimakers, griffier,

en is uitgesproken op 10 februari 2009.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 januari 2009 en eindproces-verbaal p. 39

2 De verklaring van [slachtoffer], eindproces-verbaal p. 29

3 De medische informatie betreffende [slachtoffer], eindproces-verbaal, p. 38

4 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 januari 2009 en eindproces-verbaal p. 40 en 45

5 De verklaring van [slachtoffer], eindproces-verbaal p. 29

6 De verklaring van [slachtoffer], eindproces-verbaal p. 25 en 29

7 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 januari 2009 en eindproces-verbaal p. 40

8 De verklaring van [slachtoffer], eindproces-verbaal p. 25 en 29

9 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 januari 2009 en eindproces-verbaal p. 40

??

??

2

Parketnummer: 01/825653-08

[verdachte]