Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BQ8582

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
162995 - HA ZA 07-1601
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verwijtbaarheid, verhaalsrecht schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 162995 / HA ZA 07-1601

Vonnis van 15 juli 2009

in de zaak van

de naamloze vennootschap

VERENIGDE ASSURANTIEBEDRIJVEN NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Rijswijk,

eiseres,

advocaat mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen

[Gedaage],

wonende te [adres],

gedaagde,

advocaat mr. J.R. Ali.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 mei 2008

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 26 augustus 2008

- het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 2 september 2008

- het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 4 september 2008

- het proces-verbaal van tegenverhoor van 7 mei 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Overschrijding van de wettelijke norm van het alcoholgebruik

2.1. Bij tussenvonnis van 7 mei 2008 heeft de rechtbank [eiseres] opdragen te bewijzen dat [[XXXX], als bestuurder van de auto van [......] [gedaagde] op [00/00/00] ten tijde van het ongeval, de wettelijke norm voor het alcoholgebruik heeft overschreden, en zo ja, in welke mate.

2.2. Ter beoordeling staat de vraag of [eiseres] in het bewijs is geslaagd. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Daartoe overweegt zij als volgt.

2.3. [eiseres] heeft na het tussenvonnis bij brief van [00/00/00] het resultaat van het bloedonderzoek van [XXXX] door het Nederlands Forensisch Instituut, neergelegd in een rapport van [00/00/00], in het geding gebracht. In dit rapport wordt - voor zover van belang - het volgende geconcludeerd:

“De bepaling van het alcoholgehalte in het bloed, waarvan de gegevens hieronder zijn vermeld, geschiedde door twee onafhankelijk van elkaar werkende analisten volgens ADH methode. Het resultaat van de analyse bedroeg, na aftrek van de wettelijke voorgeschreven correctie, 1.23 milligram alcohol per milliliter bloed.”

2.4. [eiseres] heeft voorts acht getuigen doen horen. Eén van deze getuigen[XXXX], van beroep politieagent, werkzaam bij de technische recherche, heeft met betrekking tot het bloedonderzoek - voor zover hier van belang - verklaard dat hij op [00/00/00] om ongeveer 11.00 uur à 11.30 uur ter plaatse was in het mortuarium in [adres], waar het lichaam van [XXXX] zich bevond. Omdat de kleding van [XXXX] naar alcohol rook, heeft [XXXX] de officier van justitie toestemming gevraagd om een bloedproef te doen afnemen. Ook de kennis van [XXXX] over het (rij)gedrag van [XXXX] toen hij nog in leven was, die hij meerdere malen had zien rijden, en de wijze waarop het ongeval was ontstaan, gaven [XXXX] aanleiding om het betreffende verzoek bij de officier van justitie te doen. De bloedafname heeft, aldus [XXXX], om 13.30 uur door de dienstdoende GGD-arts plaatsgevonden, waarbij twee buisjes bloed uit de linkerlies van [XXXX] zijn afgenomen, die zijn verzegeld en - na invulling en ondertekening van een formulier - in een pakket, het zogeheten bloedblok, zijn opgestuurd naar het Nederlands Forensisch Instituut voor onderzoek. [XXXX] verklaart dat het NFI schriftelijk verslag heeft uitgebracht van het onderzoek en dat daaruit bleek dat het alcoholgehalte in het onderzochte bloed van [XXXX] 1,23 promille bedroeg. [XXXX] verklaart verder nog dat de omstandigheid dat er geruime tijd heeft gelegen tussen mogelijk alcoholgebruik door [XXXX] en de bloedafname, niet relevant is voor de uitslag van de bloedafname, omdat na het overlijden van een slachtoffer de alcohol in het bloed niet meer wordt afgebroken.

2.5. De rechtbank is van oordeel dat met het resultaat van het bloedonderzoek door het NFI, bezien in samenhang met hetgeen politieagent [XXXX] hierover heeft verklaard, het vereiste bewijs reeds is geleverd. De overige getuigenverklaringen kunnen thans dan ook buiten beschouwing blijven.

2.6. Gelet op het vorenstaande is vast komen te staan dat [XXXX] ten tijde van het ongeval op [00/00/00] als bestuurder van de auto van [gedaagde] de wettelijke norm voor het alcoholgebruik - te weten 0,5 dan wel 0,2 promille ingevolge artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 - heeft overschreden, omdat hij een alcoholgehalte van 1.23 promille in zijn bloed had.

Verwijtbaarheid [gedaagde] terzake de overschrijding van de wettelijke norm voor het alcoholgebruik en terzake het rijden zonder rijbewijs

2.7. Vervolgens is aan de orde de vraag of [gedaagde] terzake het rijden onder invloed van [XXXX] redelijkerwijs een verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 7 mei 2008 om proceseconomische redenen reeds op voorhand overwogen dat - in het geval [eiseres] zou slagen in het bewijs van het te hoge alcoholpercentage van [XXXX] - [gedaagde] dient te bewijzen dat het rijden onder invloed van [XXXX] zich buiten zijn weten en tegen zijn wil heeft voorgedaan en dat hem terzake die omstandigheid in redelijkheid niets te verwijten valt. Deze bewijsopdracht zal thans worden verstrekt.

2.8. Tevens is thans met betrekking tot het zonder rijbewijs rijden van [XXXX] aan de orde het verweer van [gedaagde] dat ook deze omstandigheid zich buiten zijn weten en tegen zijn wil heeft voorgedaan en dat hem terzake van deze omstandigheid in redelijkheid niets te verwijten valt. Ook op dit punt zal [gedaagde] de in het tussenvonnis van 7 mei 2008 op voorhand geformuleerde bewijsopdracht worden verstrekt.

2.9. In het kader van het door [gedaagde] te leveren bewijs wenst de rechtbank volledigheidshalve nog het volgende op te merken.

2.10. Een aantal van de in het kader van de eerdere bewijsopdracht gehoorde getuigen heeft reeds verklaard over het alcoholgebruik door [XXXX]. Voorop staat dat [gedaagde] bewijs kan leveren op de door hem gewenste wijze door alle middelen rechtens. Het staat hem derhalve vrij deze verklaringen te gebruiken voor het thans te leveren bewijs, in het bijzonder het bewijs ten aanzien van de vraag of hem terzake het rijden onder invloed door [XXXX] een verwijt kan worden gemaakt. Het staat [gedaagde] daarentegen echter ook vrij om de betreffende getuigen opnieuw te doen horen. Eerder ging het immers uitsluitend om de vraag of [XXXX] ten tijde van het ongeval een te hoog alcoholgehalte in zijn bloed had, terwijl thans een geheel andere vraag aan de orde is, namelijk de vraag of [gedaagde] dat kon weten, of het tegen zijn wil is gebeurd en of hem terzake redelijkerwijs een verwijt kon worden gemaakt. Bovendien geldt nu een andere bewijslastverdeling, nu bij de eerdere bewijsopdracht de bewijslast rustte op [eiseres], terwijl thans [gedaagde] het bewijs van zijn stelling opgedragen is.

2.11. Met betrekking tot de door [gedaagde] in het eerdere tegenverhoor als getuige opgeroepen verslavingsarts van Novadic te Eindhoven, F. [XXX], die heeft verklaard over relatie tussen alcoholgebruik en het gedrag van de alcoholgebruiker, geldt in het bijzonder dat deze verklaring - gelet op het onderwerp en de inhoud daarvan - desgewenst kan worden aangewend voor de bewijslevering in het kader van de thans gegeven bewijsopdracht met betrekking tot de verwijtbaarheid van [gedaagde] terzake het rijden onder invloed van [XXXX]. [gedaagde] is derhalve uitdrukkelijk niet gehouden om [XXX] opnieuw als getuige te doen horen. Het staat hem echter anderzijds vrij om, indien hij daartoe aanleiding ziet, [XXX] opnieuw als getuige op te roepen.

Verdere verloop procedure

2.12. Ten slotte overweegt de rechtbank dat indien [gedaagde] niet slaagt in één van beide gegeven bewijsopdrachten, [eiseres] op grond van artikel 5 van de Algemene Voorwaarden dan wel artikel 23 van de Bijzondere Voorwaarden Aansprakelijkheidsdekking, in samenhang met artikel 24 lid 1, in beginsel gerechtigd is om de schade op hem te verhalen. In dat geval komt vraag naar de omvang van de schade aan de orde.

2.13. In het geval dat [gedaagde] in beide bewijsopdrachten slaagt, is [eiseres] - gelet op het bepaalde in artikel 24 lid 2 van de Bijzondere Voorwaarden Aansprakelijkheidsdekking - niet gerechtigd om de schade op hem te verhalen en dient de vordering te worden afgewezen.

2.14. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. draagt [gedaagde] op te bewijzen dat het rijden onder invloed van [XXXX] op [00/00/00] ten tijde van het ongeval zich buiten zijn weten en tegen zijn wil heeft voorgedaan en dat hem terzake die omstandigheid in redelijkheid niets te verwijten valt,

3.2. draagt [gedaagde] op te bewijzen dat het rijden zonder rijbewijs van [XXXX] op [00/00/00] ten tijde van het ongeval zich buiten zijn weten en tegen zijn wil heeft voorgedaan en dat hem terzake die omstandigheid in redelijkheid niets te verwijten valt,

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juli 2009 voor uitlating door [gedaagde] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

3.4. bepaalt dat [gedaagde], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

3.5. bepaalt dat [gedaagde], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden september tot en met november 2009 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

3.6. bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. O.R.M. van Dam in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8,

3.7. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

3.8. wijst de advocaten erop dat de namen en woonplaatsen der getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier dienen te worden opgegeven,

3.9. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2009.