Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BK8209

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
640702
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Waterschap valt onrechtmatig handelen te verwijten, niet vanwege het leggen van beslag als zodanig maar wel vanwege het feit dat het beslag zonder enige beperking is gelegd en dat het beslag niet onmiddellijk na de betaling is opgeheven. [Eiser] vordert schadevergoeding wegens het niet kunnen beschikken over de tegoeden op zijn rekeningen voor zijn huishoudelijke uitgaven een bedrag van € 150,00. [Eiser] heeft met instemming van zijn compagnon vervroegd geld van de kantoorrekening opgenomen. Het komt de kantonrechter redelijk en billijk voor dat hij daarover rente vergoedt. de kantonrechter zal deze rentevergoeding naar redelijkheid en billijkheid begroten op € 11,11.

De vordering tot vergoeding van immateriele schadevergoeding vanwege het missen van carnaval zal worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 252
Belastingblad 2010/527

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 640702

Rolnummer : 09-7583

Uitspraak : 24 december 2009

in de zaak van

[eiser]

wonende te [adres]

eiser

gemachtigde Mr. P.A. Blaas

tegen

Waterschap De Dommel

gevestigd te Boxtel

gedaagde

gemachtigde Mr. J.K. Lanser.

Partijen zullen “[eiser]” en “Het Waterschap ” worden genoemd.

De procedure

[eiser] heeft dit geschil aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 juli 2009.

Het Waterschap heeft schriftelijk verweer gevoerd.

Bij rolbeslissing heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft plaatsgevonden op 2 november 2009.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

Vaststaande feiten

Op 31 maart 2008 heeft het Waterschap aan [eiser] een aanslag Waterschapsbelastingen 2008 opgelegd tot een bedrag van € 22,74.

Op 18 juli 2008 is aan [eiser] een aanmaning in de zin van artikel 11 Invorderingswet 1990 gezonden.

Op 15 september 2008 is aan [eiser] een dwangbevel in de zin van artikel 12 Invorderingswet 1990 gezonden.

Op 17 november 2008 is een exploot met een hernieuwd bevel tot betaling aan [eiser] betekend.

Op 30 januari 2009 is executoriaal derdenbeslag gelegd op de bankrekeningen van [eiser] bij de Postbank.

Op 11 februari 2009 heeft [eiser] het bedrag van de aanslag vermeerderd met de inmiddels verschuldigde kosten, tot een totaalbedrag van € 91,74 van zijn kantoorrekening aan het Waterschap overgemaakt.

[eiser] heeft daarna bij herhaling aan het Waterschap om opheffing van het beslag gevraagd. Het beslag is op 25 februari 2009, daags na carnaval, opgeheven.

De vordering en het verweer

[eiser] bestrijdt niet de rechtmatigheid van het gelegde beslag als zodanig.

Hij stelt dat volkomen onnodig beslag is gelegd op de volledige saldo's van al zijn bankrekeningen met een gezamenlijk tegoed van enige duizenden euro's terwijl de vordering van het Waterschap nog geen € 100,00, inclusief kosten, bedroeg. Hij acht het beslag disproportioneel.

Voorts verwijt [eiser] het Waterschap het beslag niet onmiddellijk na de betaling te hebben opgeheven maar dit nog twee weken te hebben laten liggen.

Dit had tot gevolg dat [eiser], na de betaling van het aan het Waterschap verschuldigde, twee weken in het geheel geen beschikking heeft kunnen hebben over zijn financiële middelen en niet aan zijn verplichtingen jegens derden heeft kunnen voldoen. Hij heeft geld uit de kas van zijn kantoor moeten lenen om zijn boodschappen te kunnen doen.

Hij stelt dat dit alles onrechtmatig is en dat hij ter zake schade heeft geleden welke hij begroot op € 150,00.

[eiser] stelt ook, dat hij als gevolg van het feit, dat het Waterschap het beslag niet onmiddellijk na de betaling heeft opgeheven, geen carnaval heeft kunnen vieren, hetgeen voor hem belangrijk is. Hij stelt dat hij dientengevolge een immateriële schade heeft geleden van € 750,00, vijf dagen à € 150,00.

[eiser] vordert de veroordeling van het Waterschap tot betaling van het totaal van deze bedragen ad € 900,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2009 en vermeerderd met de proceskosten.

Het Waterschap bestrijdt de vordering van [eiser] en de gronden waarop deze berust.

Hij voert de volgende verweren:

- [eiser] heeft ten onrechte het Waterschap gedagvaard. Hij had bij de functionaris als bedoeld in artikel 123 derde lid, aanhef en onder c Waterschapswet moeten zijn. Het Waterschap heeft middels attributie de bevoegdheid beslag te leggen bij de Ontvanger neergelegd;

- Het Waterschap bestrijdt de stelling van [eiser] dat het onnodig was om beslag te leggen op het volledige saldo van alle bankrekeningen. Hij stelt dat het beslag werd gelegd ter hoogte van de gestelde vordering vermeerderd met 30% voor rente en kosten. Dat het beslag een veel hoger bedrag heeft geraakt is niet aan hem te wijten. Volgens het Waterschap mag de Postbank slechts de vordering waarvoor beslag is gelegd onder het beslag aanmerken;

- Het Waterschap stelt na ontvangst van het verschuldigde bedrag de Postbank daarvan direct in kennis te hebben gesteld met het verzoek het beslag op te heffen. Bij de Postbank is, aldus het Waterschap, intern iets misgegaan als gevolg waarvan het opheffen van het beslag enige vertraging heeft opgelopen. Voor een dergelijke interne communicatiestoornis bij de bank kan het Waterschap niet aansprakelijk worden gehouden;

- Het Waterschap bestrijdt dat voldaan is aan de vereisten voor immateriële schadevergoeding. Er is geen levensvreugde gederfd.

Bovendien, kennelijk subsidiair, beroept het Waterschap zich op verrekening. Het Waterschap stelt in dit verband dat het een feit van algemene bekendheid is dat de carnavalsviering met consumptie van alcoholhoudende dranken gepaard gaat, hetgeen schadelijk is voor het menselijk lichaam. Door het niet vieren van carnaval is het lichaam van [eiser] begunstigd. Het Waterschap stelt dat [eiser] als gevolg daarvan een langere levensverwachting heeft en dus in het algemeen meer levensvreugde zal kunnen genieten;

- Het Waterschap beroept zich, subsidiair, op de eigen schuld van [eiser]; het zou voor hem een kleine moeite moeten zijn om een kortlopend consumptieve krediet af te sluiten om in zijn financiële behoeften te voorzien gedurende de periode van het beslag;

- Ten slotte merkt het Waterschap nog op, dat [eiser] advocaat is en dat de onderhavige vordering strijdig is met de advocateneed, in het bijzonder de laatste zinsnede daarvan waarin de advocaat zweert dan wel belooft dat hij "geen zaak zal aanraden of verdedigen", die hij "in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn".

Op hetgeen partijen ter onderbouwing van hun vordering en hun verweer verder mocht hebben gesteld zal de kantonrechter voor zoveel nodig onder de beoordeling ingaan.

De beoordeling

Verweer waterschap, onjuiste partij gedagvaard

Het Waterschap heeft betoogd, dat zij de bevoegdheid om beslag te leggen bij de ontvanger heeft neergelegd. [eiser] had haar pijlen op deze ontvanger moeten richten.

Met dit verweer gaat het Waterschap eraan voorbij, dat haar een onrechtmatig handelen wordt verweten. De ontvanger moge een eigen bestuursrechtelijke bevoegdheid en verantwoordelijkheid hebben, hij is aan het waterschap ondergeschikt. Wat er zij van mogelijke fouten en onrechtmatig handelen van de ontvanger, civielrechtelijk is het Waterschap aansprakelijk voor onrechtmatig handelen van zijn ondergeschikten.

Dit verweer faalt.

Verweer waterschap, omvang beslag

Het Waterschap heeft betoogd, dat het beslag is gelegd ter hoogte van de door de ontvanger gestelde vordering vermeerderd met ongeveer 30% voor rente en kosten en dat het aan de bank te wijten is geweest dat deze het beslag heeft laten gelden op alle tegoeden van [eiser] bij de bank.

Ook dit verweer is onjuist.

Uit het exploot van beslag blijkt dat beslag is gelegd op

"vorderingen, die de geëxecuteerde op de derde-beslagene mocht hebben of uit (een) ten tijde van het beslag reeds bestaande rechts verhouding(en) rechtstreeks zal verkrijgen".

Verder vermeldt het exploot van beslag:

" Onder het beslag valt/vallen ook:

……

Alle rekeningen ten name van de geëxecuteerde en in het bijzonder op rekeningnummer…..".

De Postbank heeft gedaan, wat het Waterschap haar heeft opgedragen en alle tegoeden geblokkeerd.

Het Waterschap heeft onbeperkt beslag gelegd op alle tegoeden van [eiser] bij de Postbank. Het Waterschap had de mogelijkheid het bedrag waarvoor zij beslag legde te beperken (HR 29 november 1974, NJ 1975, 426) en gezien het zeer beperkte bedrag van haar vordering had zij dit ook moeten doen. Naar het oordeel van de kantonrechter is het in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt om voor een dergelijk klein bedrag een onbeperkt beslag te leggen. Uit het verweer van het Waterschap begrijpt de kantonrechter dat het Waterschap kennelijk de bedoeling had de omvang van het beslag te beperken tot het bedrag van haar vordering, vermeerderd met rente en kosten. Deze bedoeling echter heeft hij niet gerealiseerd.

Hier komt nog bij, dat het beslag niet onmiddellijk na de betaling van het verschuldigde bedrag is opgeheven. Dat dit aan een interne communicatiestoornis bij de Postbank zou liggen is door het Waterschap niet onderbouwd. Reeds hierom faalt ook dit verweer.

Het Waterschap valt dus onrechtmatig handelen te verwijten, niet vanwege het leggen van beslag als zodanig maar wel vanwege het feit dat het beslag zonder enige beperking is gelegd en dat het beslag niet onmiddellijk na de betaling is opgeheven. Van een rechtvaardigingsgrond is niet gebleken.

Verweerder waterschap, schade

[eiser] vordert aan schadevergoeding wegens het niet kunnen beschikken over de tegoeden op zijn rekeningen voor zijn huishoudelijke uitgaven een bedrag van € 150,00. Dit bedrag is niet onderbouwd.

Hij heeft gesteld en bij de comparitie ook toegelicht, dat hij met instemming van zijn compagnon vervroegd geld van de kantoor rekening heeft opgenomen. Het komt de kantonrechter redelijk en billijk voor dat hij daarover rente vergoedt. Omtrent de omvang van deze rente verplichting is niets gesteld of gebleken. De kantonrechter zal deze rentevergoeding naar redelijkheid en billijkheid begroten op € 11,11.

De kantonrechter neemt zonder meer aan, dat [eiser], net als vele andere zuiderlingen, enorm veel plezier beleeft aan het jaarlijkse carnaval.

De stelling van het Waterschap , dat het missen van het carnaval vanwege het niet nuttigen van alcoholhoudende dranken [eiser] ten voordele heeft gesterkt is niet erg op de praktijk en de werkelijkheid van het carnaval gestoeld.

Anderzijds is [eiser] er ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij zodanig onder het optreden van het Waterschap heeft geleden dat dientengevolge geestelijk letsel is ontstaan dat grond geeft voor een vordering tot vergoeding van immateriële schade. In zoverre treft het verweer van het Waterschap doel. De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen.

Subsidiair verweer waterschap, eigen schuld

Bij wege van subsidiair verweer heeft het Waterschap nog aangevoerd, dat sprake is van eigen schuld aan de kant van [eiser]. Hij zou de schade hebben kunnen beperken door het aangaan van kortlopend consumptieve krediet.

Wat er zij van de juridische houdbaarheid van deze stelling, [eiser] heeft geld geleend van zijn kantoor rekening om zijn daagse uitgaven te kunnen doen en heeft daarmee de schade zoveel als mogelijk is beperkt. Zoals hiervoor overwogen dient het Waterschap de rente over deze lening, althans vervroegde opname te vergoeden.

Slotopmerking waterschap, advocateneed

De slotopmerking van het Waterschap komt de kantonrechter ongepast voor, temeer nu het oordeel van de kantonrechter moet zijn, dat het Waterschap onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Als de kantonrechter deze opmerking als een verweer van het Waterschap zou moeten aanmerken wordt ook dit verweer verworpen.

Proceskosten

Omdat het Waterschap voor het grootste deel ongelijk krijgt zal zij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt het Waterschap om tegen kwijting aan [eiser] een bedrag te betalen van € 11,11 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2009 tot aan de betaling;

veroordeelt het Waterschap in de kosten van het geding tot vandaag aan de kant van [eiser] begroot op € 85,98 dagvaardingskosten, € 158,00 griffierecht en € 100,00 salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door Mr. J.P.M. van der Ham en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 december 2009 in aanwezigheid van de griffier.