Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BK6310

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
01/995009-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van het medeplegen van valselijk opmaken van rapporten 'verkennend bodemonderzoek'.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte een erkend en gecertificeerd bedrijf had dat door particulieren, instellingen en overheden werd ingeschakeld voor het verrichten van bodemonderzoek en het opstellen van rapportages. Verdachte heeft de onderliggende regelgeving, die nauw samenhangt met de bescherming van het milieu en volksgezondheid, in ernstige matige gefrustreerd. Op tal van locaties moet opnieuw of alsnog bodemonderzoek worden gedaan terwijl die grond inmiddels is bebouwd of wordt gebruikt voor onder andere land-en tuinbouw. Opgelegd een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/995009-09

Datum uitspraak: 15 december 2009

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op (geboortedatum) 1963,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 december 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 november 2009.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 13 januari 2009 in de gemeente Vught, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk het/een rapport "verkennend bodemonderzoek", zijnde dat rapport (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft laten opmaken, althans heeft opgemaakt, althans heeft laten vervalsen, althans heeft vervalst hebbende hij, verdachte toen daar tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in dat/die rapporten (telkens) analysewaarde(s) van de grond van de in dat/die rapporten genoemde locatie(s), opgenomen, althans laten opnemen, met het oogmerk om voormelde rapport(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of

anderen te doen gebruiken, immers heeft hij tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

- op 29 mei 2007, in elk geval op een tijdstip gelegen in genoemde periode, te Vught, een rapport "verkennend bodemonderzoek" opgemaakt of laten opmaken voor de [locatie 1], met daarin vermeld de analysewaarde(s) van de grond op deze locatie, terwijl geen bodemonderzoek had plaatsgevonden, althans andere analyse-uitslagen in genoemd rapport werden opgenomen dan uit de analyse(s) van de monsters van die grond was/waren gebleken (ordner 2) en/of

- op 21 augustus 2007, in elk geval op een tijdstip gelegen in genoemde periode, te Vught, een rapport "verkennend bodemonderzoek" opgemaakt of laten opmaken voor de [percelen 1], met daarin vermeld de analysewaarde(s) van de grond en/of grondwater op deze locatie(s), terwijl geen bodemonderzoek/althans grondwateronderzoek had(den) plaatsgevonden, althans andere analyse-uitslagen in genoemd rapport werden opgenomen dan uit de analyse(s) van de/het monster(s) van die grond was/waren gebleken (ordner 18) en/of

- op 6 september 2007, in elk geval op een tijdstip gelegen in genoemde periode, te Vught, een rapport "verkennend bodemonderzoek" opgemaakt of laten opmaken voor de [locatie 2], met daarin vermeld de analysewaarde(s) van de grond op deze locatie, terwijl geen bodemonderzoek had plaatsgevonden, althans andere analyse-uitslagen in genoemd rapport werden opgenomen dan uit de analyse(s) van de monsters van die grond was/waren gebleken (ordner 11);

(artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht)

Bovendien wordt bij de vordering van de straf betrokken dat zij, verdachte, zoals zij tegenover de opsporingsambtena(a)r(en) heeft toegegeven, zich ook nog heeft schuldig gemaakt aan het opnemen van onjuiste analyseresultaten in de navolgende rapporten "verkennend bodemonderzoek", te weten locatie

-[locatie 3]

-[locatie 4]

-[locatie 5]

-[locatie 6]

-[locatie 7]

-[locatie 8]

-[locatie 9]

-[locatie 10]

-[locatie 11]

-[locatie 12]

-[locatie 13]

-[locatie 14]

-[locatie 15]

-[locatie 16]

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmotivering.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de aan verdachte tenlastegelegde strafbare feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen op grond van de hierna genoemde bewijsmiddelen.

* Verdachte heeft ter zitting van 1 december 2009 een bekennende verklaring afgelegd. Hij heeft toegegeven dat hij in de tenlastegelegde zaken, alsmede in de ad informandum gevoegde zaken, gegevens van grondmonsteranalyses en de gegevens van de grondwatermonsteranalyses onjuist, namelijk geheel of ten dele verzonnen heeft weergegeven in de rapporten 'verkennend bodemonderzoek'.

* Ten aanzien van het rapport van 29 mei 2007 voor de [locatie 1] geldt voor het bewijs voorts:

1. de verklaring van [persoon 1], die heeft verklaard dat het door verdachte opgemaakte rapport onjuistheden bevat;

2. het rapport verkennend bodemonderzoek [locatie 1];

3. het analysecertificaat 2007053813 afkomstig van [bedrijf 1];

4. het proces-verbaal van verbalisant [persoon 2] van 4 juli 2008 waarin staat gerelateerd waaruit de valsheden in het verkennend bodemonderzoek [locatie 1] bestaan;

* Ten aanzien van het rapport van 21 augustus 2007 voor de locatie [de percelen 1] geldt voor het bewijs voorts:

1. het rapport verkennend bodemonderzoek [de percelen 1];

2. het analysecertificaat 200794166 afkomstig van [bedrijf 1];

3. het analysecertificaat 2007098688 afkomstig van [bedrijf 1];

4. het proces-verbaal van [verbalisant 1] van 12 februari 2009 waarin staat gerelateerd waaruit de valsheden in het verkennend bodemonderzoek [de percelen 1] bestaan;

* Ten aanzien van het rapport van 6 september 2007 voor de [locatie 2] geldt voor het bewijs voorts:

1. het rapport verkennend bodemonderzoek (locatie 2);

2. het analysecertificaat 2007111248 afkomstig van [bedrijf 1];

3. het analysecertificaat 2007115230 afkomstig van [bedrijf 1];

4. het proces-verbaal van [verbalisant 1] van 30 januari 2009 waarin staat gerelateerd waaruit de valsheden in het verkennend bodemonderzoek (locatie 2) bestaan.

Gelet op het bepaalde in artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet nader uitgewerkt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven genoemde bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op tijdstippen gelegen in de periode van 1 mei 2007 tot en met 30 september 2007 in de gemeente Vught, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk een rapport "verkennend bodemonderzoek", zijnde dat rapport een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende hij, verdachte toen daar tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in die rapporten analysewaarden van de grond van de in die rapporten genoemde locaties opgenomen, met het oogmerk om voormelde rapporten als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, immers heeft hij tezamen en in vereniging met een ander

- op 29 mei 2007 te Vught een rapport "verkennend bodemonderzoek" opgemaakt voor de [locatie 1], met daarin vermeld de analysewaarden van de grond op deze locatie, terwijl andere analyse-uitslagen in genoemd rapport werden opgenomen dan uit de analyses van de monsters van die grond waren gebleken en

- op 21 augustus 2007 te Vught een rapport "verkennend bodemonderzoek" opgemaakt voor de [percelen 1], met daarin vermeld de analysewaarden van de grond en grondwater op deze locaties, terwijl geen grondwateronderzoek had plaatsgevonden en andere analyse-uitslagen in genoemd rapport werden opgenomen dan uit de analyses van de monsters van die grond waren gebleken en

- op 6 september 2007 te Vught een rapport "verkennend bodemonderzoek" opgemaakt voor de [locatie 2], met daarin vermeld analysewaarden van de grond op deze locatie, terwijl geen bodemonderzoek had plaatsgevonden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57, 225.

De strafmotivering.

De eis van de officier van justitie.

Verdachte heeft een blanco strafblad, maar de ernst van de feiten, het stelselmatig en over een langere periode plegen van de feiten, maken dat verdachte niet in aanmerking komt voor een werkstraf. De officier van justitie realiseert zich hierbij dat de impact van een vrijheidstraf op het gezin van verdachte groot zal zijn.

De officier van justitie vordert ten aanzien van de tenlastelegde en ad informandum gevoegde feiten een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat aan verdachte geen vrijheidsstraf of geldboete maar een werkstraf moet worden opgelegd. Verdachte is zelf gestopt met het valselijk opmaken van rapporten. Hij had een begrijpelijk motief voor het plegen van de strafbare feiten. Hij heeft een forse schikking van anderhalve ton euro moeten treffen met twee voormalige opdrachtgevers en door berichtgeving in de media in deze zaak heeft hij reputatieschade en omzetverlies geleden. Het gezin van verdachte staat onder druk indien hem een gevangenisstraf wordt opgelegd. Hij is niet eerder in aanraking gekomen met de politie of met justitie. Voorts wordt door de reclassering het recidiverisico als laag tot zeer laag ingeschat. Met name vanwege het laatste is een voorwaardelijke straf niet geïndiceerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de bewezenverklaarde periode waarin de feiten zijn gepleegd, de aard van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen de door de verdachte bekende, onder de tenlastelegging opgenomen, ad informandum gevoegde feiten welke zaken hiermee zijn afgedaan.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Als strafverzwarend gelden naar het oordeel van de rechtbank de volgende omstandigheden. Verdachte exploiteerde een erkend en gecertificeerd bedrijf dat door particulieren, instellingen en overheden werd ingeschakeld voor het verrichten van bodemonderzoek en het opstellen van daarop betrekking hebbende rapportages. Door het valselijk opmaken van de rapportages 'verkennend bodemonderzoek' heeft verdachte de onderliggende regelgeving die nauw samenhangt met de bescherming van het milieu en volksgezondheid in ernstige mate gefrustreerd. Hij heeft daarbij -voor geldelijk gewin- misbruik gemaakt van het maatschappelijk vertrouwen dat in een bedrijf als het zijne moet worden gesteld. Dit bedrijf vervult immers een sleutelfunctie tussen opdrachtgevers en bestuur waarbij beide partijen moeten vertrouwen op de juistheid van rapportages betreffende bodemonderzoeken. Zijn handelen heeft veel onrust veroorzaakt en grote gevolgen gehad binnen de bodembranche en voor degenen die van zijn diensten gebruik hebben gemaakt. Op tal van locaties moet opnieuw of alsnog bodemonderzoek worden gedaan terwijl die grond, uitgaande van de juistheid van de eerder door verdachte opgestelde rapportages, inmiddels is bebouwd of wordt gebruikt voor onder andere land- en tuinbouw.

Verdachte heeft de rechtbank geen blijk gegeven dat hij beseft wat zijn handelwijze feitelijk heeft betekend. Verdachte stelt immers dat hij ondanks het vervalsen of niet uitvoeren van bodemonderzoek op grond van 'historisch bodemonderzoek' geen onjuiste onderzoeksconclusies heeft gerapporteerd, terwijl het nemen van bodemmonsters en/of grondwatermonsters juist is voorgeschreven om te bepalen of er zich verontreinigingen in de bodem bevinden.

Daarentegen houdt de rechtbank er in strafmatigende zin rekening mee dat verdachte de tot voor kort enige inkomstenbron van zijn gezin is kwijtgeraakt en hij als gevolg van zijn handelen nog geruime tijd met een grote schuldenlast zal zitten. Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft erkend en dat hij heeft meegewerkt aan het opsporingsonderzoek. Verdachte heeft binnen zijn mogelijkheden reeds een schaderegeling getroffen met enkele benadeelden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Gelet op het gemak waarmee verdachte de valsheden heeft gepleegd, het ontbreken van het besef van de ernst hiervan en het gegeven dat verdachte thans weer werkzaam is in een administratieve werkomgeving is de rechtbank van oordeel dat een deel van de aan verdachte op te leggen vrijheidsstraf voorwaardelijk moet worden opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Dit moet verdachte ervan weerhouden wederom in strijd met de regelgeving te handelen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

medeplegen van:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. C.B.M. Bruens en mr. M.Th. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 15 december 2009.