Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BK3987

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
01/821682-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht voor mishandeling (feit 2) en poging tot zware mishandeling (feit 4 primair).

Een beroep op putatieve noodweer(exces) wat betreft deze feiten verwerpt de rechtbank.

Voor wat betreft de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte in de veronderstelling verkeerde te handelen ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Voor wat betreft deze twee feiten slaagt het beroep van de raadsman op putatieve noodweer. Voor feit 1 en feit 3 volgt ontslag van rechtsvervolging, zijnde de verdachte voor deze twee feiten niet straf baar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/821682-08

Datum uitspraak: 25 november 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 november 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 oktober 2009.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 januari 2008 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk

een ruit van het motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 1], geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte , heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

(artikel 350 wetboek van Strafrecht)

(incident 2 eind proces-verbaal)

2.

hij op of omstreeks 04 januari 2008 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met

kracht) voornoemde [slachtoffer 2] op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestoten

en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid.

(artikel 302/45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 januari 2008 te Eindhoven opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer 2]), (met kracht) heeft geslagen en/of gestoten

en/of gestompt en/of vastgepakt en/of geduwd, waardoor deze letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

(incident 3 eind pv)

3.

hij op of omstreeks 06 januari 2008 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk

de motorkap en/of een zijscherm van het motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 3],

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte (incident 4) en/of

een ruit van het motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 4], geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte (incident 5) en/of

een ruit van het motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 5], geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte (incident 6) en/of

een ruit van een motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 6], geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte (incident 7) en/of

een ruit van een motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 7], geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 7 (eigenaar)] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte (incident 9) en/of

een ruit en/of de bumpers van een motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 8], geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte (incident 10) en/of

een ruit van een motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 9], geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 9] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte (incident 11) en/of

een ruit en/of een portierdeur van een motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 10],

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 10], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte (incident 14)

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

(artikel 350 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 06 januari 2008 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 11],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een hamer,

althans een zwaar voorwerp, tegen de schouders, althans het lichaam, van die

[slachtoffer 11] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid.

(artikel 302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 januari 2008 te Eindhoven opzettelijk mishandelend een

hamer, althans een zwaar voorwerp, tegen de schouder, althans het lichaam, van

[slachtoffer 11] heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden.

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

(incident 8 eind pv)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Verdachte heeft op 4 januari 2008 in Eindhoven met een hamer een autoruit vernield. 1 Diezelfde dag heeft hij ook [slachtoffer 2] geslagen en geduwd die daardoor op de grond is gevallen.2 Zij heeft daardoor een bloeduitstorting en een schaafwond op haar hoofd en een verstuikte enkel opgelopen.3 Vervolgens heeft verdachte op 6 januari 2008 in Eindhoven bij een reeks auto’s, wederom met een hamer, ruiten ingeslagen en/of onderdelen van de auto’s beschadigd.4 Kort daarna heeft verdachte deze hamer ook nog naar [slachtoffer 11] gegooid. De hamer is tegen haar schouder aangekomen, waardoor zij letsel aan haar schouder heeft opgelopen. 5

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht feit 2, primair, niet wettig en overtuigend bewezen en verzoekt de rechtbank verdachte daarvan vrij te spreken. De officier van justitie acht feit 1, feit 2, subsidiair, feit 3 en feit 4, primair, wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de eigen verklaring van verdachte, de aangiftes en de verklaringen van de aangevers en getuigen omtrent het signalement van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte tenlastegelegde feiten niet kunnen worden bewezen, omdat bij verdachte opzet op zijn handelen ontbrak. Immers, verdachte verkeerde ten tijde van het plegen ervan in een psychotische waan en heeft zijn wil dus niet kunnen bepalen. Om die reden heeft de raadsman algehele vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2, primair, tenlastegelegde feit (poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2]). De klap (zoals tenlastegelegd) die verdachte op het hoofd van [slachtoffer 2] heeft gegeven en waarbij zij ten val is gekomen, is onvoldoende voor het aannemen van een poging tot zware mishandeling. Hiervan zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de overige aan verdachte tenlastegelegde feiten overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank deelt niet het standpunt van de raadsman dat bij verdachte opzet op zijn handelen ontbrak en om die reden moet worden vrijgesproken.

Uit vaste rechtspraak volgt dat een zodanig door de raadsman gevoerd verweer slechts kan slagen indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 14 december 2004, www.rechtspraak.nl, LJN: AR3226).

De rechtbank stelt vast dat in het rapport van de psychiater 6 staat vermeld dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten alle contact met de realiteit had verloren, zijn directe omgeving als extreem bedreigend en onvoorspelbaar ervoer en hier ook naar handelde, en dat hij door uitgebreide wanen en hallucinaties de werkelijkheid uit het oog verloor (blz. 12 en 13). Het rapport vermeldt tevens dat verdachte, mits schuldig bevonden aan het bewezenverklaarde, op zijn minst verminderd toerekeningsvatbaar is geweest ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde (blz. 15).

Echter, uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte 7 blijkt dat verdachte zich herinnert dat hij met een hamer autoruiten heeft ingeslagen en dat hij een vrouw in een zwarte jas heeft aangevallen. Ook uit het rapport van de psychiater 8 blijkt dat verdachte zich kan herinneren dat hij met een hamer autoruiten heeft ingeslagen en dat hij iemand heeft aangevallen (blz. 5). Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard 9 dat hij autoruiten heeft ingeslagen, dat hij een hamer naar een vrouw heeft gegooid en dat hij een vrouw met een notenkraker tegen haar hoofd heeft geslagen.

Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat geen grond bestaat voor de conclusie dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. De verdachte heeft dus ten aanzien van de hierna bewezenverklaarde en hem tenlastegelegde feiten opzettelijk gehandeld.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank ten aanzien van feit 4, primair, dat verdachte door met kracht een hamer tegen (de linkerschouder van) [slachtoffer 11] te gooien bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 11] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De gedraging van verdachte moet naar uiterlijke verschijningsvorm beschouwd worden als te zijn gericht op zware mishandeling. In dit verband is van belang dat [slachtoffer 11] in haar aangifte 10 heeft verklaard dat zij zich voor haar woning bevond, dat verdachte langs deze woning liep, gemeen naar haar keek en ‘kankerwijf’ tegen haar zei, waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte de hamer gericht naar en tegen [slachtoffer 11] heeft gegooid. Voorts is van belang dat [slachtoffer 11] hierdoor veel pijn heeft ondervonden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 04 januari 2008 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van het motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 1], toebehorende aan [slachtoffer 1], heeft vernield.

2. Subsidiair

op 04 januari 2008 te Eindhoven opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 2], met kracht heeft geslagen en geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

3.

op 06 januari 2008 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk

de motorkap en een zijscherm van het motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 3], toebehorende aan [slachtoffer 3], en

een ruit van het motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 4], toebehorende aan [slachtoffer 4], en

een ruit van het motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 5], toebehorende aan [slachtoffer 5], en

een ruit van een motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 6], toebehorende aan [slachtoffer 6], en

een ruit van een motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 7], toebehorende aan [slachtoffer 7 (eigenaar)], en

een ruit en de bumpers van een motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 8], toebehorende aan [slachtoffer 8], en

een ruit van een motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 9], toebehorende aan [slachtoffer 9], en

een ruit en een portierdeur van een motorrijtuig met [kenteken slachtoffer 10], toebehorende aan [slachtoffer 10],

heeft vernield en/of beschadigd.

4. Primair

op 06 januari 2008 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 11] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een hamer tegen de schouder van die [slachtoffer 11] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht zowel het feit als de dader strafbaar.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft voorts een beroep gedaan op putatieve noodweer(-exces). De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij werd aangevallen door auto’s. De raadsman heeft betoogd dat verdachte niet strafbaar is, omdat verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar is. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat de psychiater in het rapport aan de rechtbank overlaat of het tenlasteglegde aan verdachte kan worden toegerekend, althans openlaat of verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is. Het rapport vermeldt immers dat ‘mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het tenlastegelegde enigermate aan betrokkene kan worden toegerekend’ (blz. 14) en dat ‘betrokkene, mits schuldig bevonden aan het tenlastegelegde, op zijn minst verminderd toerekeningsvatbaar is geweest ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde’(blz. 15).

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot het beroep van de raadsman op putatieve noodweer(-exces) ziet de rechtbank aanleiding een onderscheid te maken tussen – kort gezegd – enerzijds het vernielen dan wel beschadigen van de auto’s en anderzijds de mishandeling en de poging tot zware mishandeling. Immers, verdachte heeft blijkens meergenoemd rapport van de psychiater 11 (blz. 5 en 8) en ter terechtzitting 12 verklaard dat hij het idee had dat auto’s hem achtervolgden en dat auto’s het op hem hadden gemunt, terwijl hij niet heeft verklaard dat hij dacht dat personen hem aanvielen dan wel bedreigden.

Om deze reden kan het beroep op putatieve noodweer(exces) wat betreft laatstgenoemde feiten (feit 2, subsidiair, en feit 4, primair, op de tenlastelegging) dan ook niet slagen.

Wat betreft de vernielingen van de auto’s (feit 1 en feit 3 op de tenlastelegging) acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte in de veronderstelling verkeerde te handelen ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. In het bijzonder verwijst de rechtbank naar het rapport van de psychiater 13, waarin staat dat verdachte lijdt aan schizofrenie, paranoïde type, dat ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde sprake was van een psychotische ontregeling in het kader van schizofrenie, paranoïde type, bij periodiek cannabis gebruik en dat deze problematiek van invloed was op

het gedrag van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde en dat dit daaruit kan worden verklaard (blz. 14 en 15). Voorts vermeldt het rapport dat verdachte zich op 6 januari 2008 en de weken daarvoor erg onveilig heeft gevoeld en ervan overtuigd was dat hij werd achtervolgd door allerlei auto’s, maar niet goed te weten welke auto’s het op hem hadden gemunt (blz. 5 en 8). Weliswaar heeft verdachte ter terechtzitting 14 verklaard dat hij voorafgaand aan het plegen van de tenlastegelegde feiten heeft geblowd, maar, aangezien het rapport van de psychiater niet eenduidig concludeert omtrent de invloed van het gebruik van cannabis bij verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten, is niet komen vast te staan dat het aan verdachte zelf te wijten is geweest dat hij zich in die noodweersituatie heeft gebracht. In zoverre slaagt het beroep op putatieve noodweer.

Een en ander betekent dat verdachte bij de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten geen schuld treft en dat verdachte daarvan zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Resteert de vraag of verdachte ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard. De rechtbank stelt vast dat de psychiater in het rapport niet heeft geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van deze feiten geheel ontoerekeningsvatbaar is geweest. Ook de rechtbank ziet in het rapport geen aanleiding tot die conclusie te komen. Wel komt de rechtbank, gezien het rapport, tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van deze feiten sterk verminderd toerekeningsvatbaar is geweest. Verdachte is dus strafbaar aan de onder 2, subsidiair, en 4, primair, bewezenverklaarde feiten. Dit betekent dat het subsidiaire verweer van de raadsman faalt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 41, 45, 57, 300, 302, 350.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken van feit 2 primair. De officier van justitie acht feit 1, feit 2, subsidiair, feit 3 en feit 4, primair, wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie acht verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar voor de tenlastegelegde feiten. De officier van justitie eist een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een behandeling bij de GGZ. Voorts verzoekt de officier van justitie de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] in het geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman refereert zich voor wat betreft de door de officier van justitie gevorderde straf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank acht het kwalijk dat verdachte twee gewelddadige strafbare feiten heeft gepleegd. Bij één feit heeft hij zelfs een hamer naar het slachtoffer gegooid. Verdachte mag van geluk spreken dat het slachtoffer daardoor niet zwaar gewond is geraakt. Verdachte is er niet voor teruggeschrokken om geweld tegen zijn medemens te gebruiken en heeft zich om het lot van zijn slachtoffers niet bekommerd.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met het volgende. Het door de rechtbank besloten ontslag van alle rechtsvervolging van de feiten 1 en 3 en de omstandigheid dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, verdachte, gezien het rapport, ten tijde van het plegen van de strafbare feiten sterk verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht, leidt tot matiging van de straf. Voorts zal de rechtbank overnemen de volgende in het rapport vermelde adviezen:

“Advies is een langer durende ambulante GGZ-begeleiding eventueel in combinatie of aangevuld met het circuit verslavingszorg teneinde toekomstige recidieven van psychotische ontregelingen bij betrokkene’s psychotische kwetsbaarheid te couperen c.q. te voorkomen, met aandacht voor betrokkene’s cannabismisbruik. Advies is een voorwaardelijk kader met ambulante GGZ-begeleiding onder toezicht van de reclassering teneinde de kans op recidive doelmatig te beïnvloeden”.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt alsmede omdat verdachte - in tegenstelling tot de officier van justitie heeft gevorderd - van de feiten 1 en 3 zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank zal een werkstraf van na te melden duur opleggen. Met betrekking tot de op te leggen werkstraf zal de rechtbank bepalen dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarde naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien verdachte ten aanzien van feit 3, waarop deze vordering betrekking heeft, zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 2 primair:

- Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en

overtuigend bewezen.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen

T.a.v. feit 2 subsidiair:

mishandeling

T.a.v. feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd

en

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een

ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 4 primair:

poging tot zware mishandeling

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 3:

- Ontslag van alle rechtsvervolging, zijnde de verdachte niet strafbaar.

T.a.v. feit 2 subsidiair, feit 4 primair:

- Werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis voorwaardelijk

met een proeftijd van 2 jaren

en de bijzondere voorwaarde:

dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de

aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio

's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze

instelling zulks noodzakelijk acht, ook als dat inhoudt een ambulante

GGZ-begeleiding eventueel in combinatie of aangevuld met het circuit

verslavingszorg. Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 3:

- Niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 4] in haar vordering. Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, voorzitter,

mr. K. Visser en mr. A. Venekamp, leden,

in tegenwoordigheid van mr. B.J. van Vugt-Jansen, griffier,

en is uitgesproken op 25 november 2009.

1 Pv aangifte [slachtoffer 1] d.d. 4 januari 2008 (blz. 54 e.v. pv), pv verhoor verdachte d.d. 25 maart 2008 (blz. 56 e.v. pv), verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 november 2009

2 Pv aangifte [slachtoffer 2] d.d. 4 januari 2008 (blz. 59 e.v. pv), pv verhoor [getuige 1] d.d. 8 januari 2008 (blz. 68 e.v. pv), pv verhoor [getuige 2] d.d. 7 januari 2008 (blz. 72 e.v. pv), verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 november 2009

3 Medische informatie d.d. 12 januari 2008 (blz. 66 e.v. pv),

4 Pv aangifte [slachtoffer 3] d.d. 6 januari 2008 (blz. 78 e.v. pv), pv aangifte [slachtoffer 4] d.d. 6 januari 2008 (blz. 82 e.v. pv), pv verhoor [getuige 3] d.d. 6 januari 2008 (blz. 84 e.v. pv), pv aangifte [slachtoffer 5] d.d. 6 januari 2008 (blz. 89 e.v. pv), pv aangifte [echtgenote slachtoffer 6] d.d. 6 januari 2008 (blz. 94 e.v. pv), pv aangifte [slachtoffer 7 (bestuurder)] d.d. 6 januari 2008 (blz. 110 e.v. pv), pv aangifte [slachtoffer 8] d.d. 6 januari 2008 (blz. 115 e.v. pv), pv aangifte [slachtoffer 9] d.d. 6 januari 2008 (blz. 120 e.v. pv), pv aangifte [slachtoffer 10] d.d. 8 januari 2008 (blz. 135 e.v. pv), pv verhoor verdachte d.d. 25 maart 2008 (blz. 56 e.v. pv), verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 september 2009

5 Pv aangifte [slachtoffer 11] d.d. 6 januari 2008 (blz. 100 e.v. pv), pv verhoor verdachte d.d. 25 maart 2008 (blz. 107 e.v. pv), foto’s verwondingen (blz. 104 e.v. pv), verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 september 2009

6 Psychiatrisch onderzoek d.d. 12 augustus 2009, opgemaakt en ondertekend door drs. (naam psychiater)

7 Pv verhoor verdachte d.d. 25 maart 2008 (blz. 56 e.v. pv)

8 Zie voetnoot 6

9 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 november 2009

10 Pv aangifte [slachtoffer 11] d.d. 6 januari 2008 (blz. 100 e.v. pv)

11 Zie voetnoot 6

12 Zie voetnoot 9

13 Zie voetnoot 6

14 Zie voetnoot 9