Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BK3467

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/2152, AWB 09/2162 en AWB 09/2175
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM8013
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen verleende vrijstelling en bouwvergunning voor de uitbreiding van het Noordbrabants Museum, het renoveren van het Waterstraatcomplex, de nieuwbouw van het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch en de bouw van zes woningen. Terecht vrijstellingsprocedure gevolgd. Geen wettelijke regeling die wijziging van het bestemmingsplan dwingend voorschrijft.

De locatiekeuze is een politieke keuze, die in de procedure niet ter toetsing voorligt.

In de ruimtelijke onderbouwing zijn met betrekking tot het bouwvlak waarop het Stedelijk Museum gevestigd moet worden, onjuiste maten gehanteerd. Het bouwvlak is feitelijk kleiner dan in de ruimtelijke onderbouwing beschreven. De conclusie in de ruimtelijke onderbouwing dat het bouwplan op de desbetreffende locaties vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is, is gebaseerd op de foutieve aanname dat het bouwvlak groter is dan het in werkelijkheid is. Geen sprake van een goede ruimtelijke onderbouwing in de zin van artikel 19, eerste lid, van de WRO.

De grieven van eisers gericht tegen de onderdelen financiële haalbaarheid, horeca, parkeren en verkeer van de bestreden besluiten slagen niet.

Beroepen gegrond. Besluiten vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/2152, AWB 09/2162 en AWB 09/2175

Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 november 2009

inzake

1. [eiser A] en [eiser B] (AWB 09/2152),

te 's-Hertogenbosch,

gemachtigde: mr. J. Schoneveld,

2. [eiser C] en [eiser D] (AWB 09/2162),

te 's-Hertogenbosch,

3. de Vereniging van Eigenaars “De Mortelkazerne” (AWB 09/2175),

te 's-Hertogenbosch,

gemachtigde: mr. J. Schoneveld,

tezamen: eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder,

gemachtigden: mr. J.J.H. van Goch en P.W.G.M. Christophe.

Aan het geding heeft – op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) – als partij deelgenomen:

het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

te 's-Hertogenbosch,

belanghebbende,

gemachtigden: mr. dr. O.J.D.M.L. Jansen en mr. M.A.L. Verhoeven.

Eisers zullen hierna, ieder afzonderlijk, worden aangeduid als ‘[eiser A] en [eiser B]’, ‘[eiser C] en [eiser D]’ en ‘de VVE’. Verweerder zal hierna worden aangeduid als ‘het college’. De belanghebbende zal hierna ‘GS’ worden genoemd.

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2008 heeft het college een bouwvergunning en vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verleend voor het uitbreiden van het Noordbrabants Museum, het renoveren van het Waterstraatcomplex en het bouwen van het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch (hierna het Stedelijk Museum) en 6 woningen op de locatie De Mortel (Waterstraat, Verwersstraat en Beurdsestraat).

Bij brieven van respectievelijk 23 december 2008, 17 december 2008 en 23 december 2008 hebben [eiser A] en [eiser B], [eiser C] en [eiser D] en de VVE tegen het besluit van 11 november 2008 bezwaar gemaakt.

Het college heeft bij afzonderlijke besluiten van 15 mei 2009 het bezwaar van [eiser A] en [eiser B], van [eiser C] en [eiser D] en van de VVE gegrond verklaard, de motivering aangevuld en het bestreden besluit gehandhaafd.

Bij brief van 25 juni 2009 hebben [eiser A] en [eiser B] tegen het besluit van 15 mei 2009 beroep ingesteld, bij brief van 23 juni 2009 hebben [eiser C] en [eiser D] tegen het besluit van 15 mei beroep ingesteld en op 25 juni 2009 heeft de VVE tegen het besluit van 15 mei 2009 beroep ingesteld.

De zaken zijn gezamenlijk behandeld op de zitting van 6 oktober 2009. Hierbij zijn verschenen:

- [eiser A] in persoon, bijgestaan door de gemachtigde;

- [...] namens de VVE, bijgestaan door de gemachtigde;

- [eiser C] in persoon;

- de gemachtigden van het college

en

- [...], projectleider van de provincie Noord-Brabant, namens GS, bijgestaan door de gemachtigden.

Overwegingen

1. In deze procedure is aan de orde de vraag of het college in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO heeft kunnen verlenen en tevens terecht een bouwvergunning heeft verleend.

2. Bij de beoordeling van deze vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, welke overigens tussen partijen niet ter discussie staan.

3. Het bouwplan voorziet in het uitbreiden van het Noordbrabants Museum, het renoveren van het Waterstraatcomplex, het bouwen van het Stedelijk Museum aan de Mortel, alsmede de nieuwbouw van een centrale verbindingsgang tussen de entree van het Noord Brabants Museum aan de Verwersstraat en de entree van het Stedelijk Museum aan de Mortel. Voorts voorziet het bouwplan in de bouw van 6 woningen aan de Beurdsestraat en de nieuwbouw van een parkeergarage, deels onder de uitbreiding van het Noord Brabants Museum, deels onder de nieuw te bouwen woningen.

4. Ten aanzien van het plangebied geldt het bestemmingsplan “Zuidwal”. Het bouwplan is op onderdelen in strijd dit bestemmingsplan. Om het bouwplan toch te kunnen realiseren heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling verleend.

5. Het college en GS stellen – kort gezegd – dat de juiste procedure is gevolgd, dat in redelijkheid vrijstelling is verleend van het bestemmingsplan ten behoeve van het bouwplan en dat terecht een bouwvergunning is verleend.

6. Door de VVE en [eiser A] en [eiser B] is – samengevat – naar voren gebracht dat het bouwplan te veel afwijkt van het bestemmingsplan om de vrijstellingsprocedure te volgen en dat het college te kort is geschoten waar het betreft de motivering van het bestreden besluit ten aanzien van de onderwerpen horeca en parkeren. Op deze laatste punten is namelijk sprake van strijd met het bestemmingsplan. Verder verwachten de VVE en [eiser A] en [eiser B] problemen met betrekking tot toegenomen verkeersstromen en zijn de kosten van het project dermate hoog, dat getwijfeld moet worden aan de financiële haalbaarheid van het plan. Voorts hebben zij aangevoerd dat in de ruimtelijke onderbouwing voor het bouwvlak aan De Mortel is uitgegaan van onjuiste maten.

7. [eiser D] en [eiser C] stellen – kort gezegd – dat de verkeerde procedure is gevolgd. Er wordt in grote mate afgeweken van het bestemmingsplan en daarom had het bestemmingsplan gewijzigd moeten worden. Daarnaast brengen zij naar voren dat ten aanzien van het Stedelijk Museum wordt afgeweken van het bestemmingsplan waar het betreft het bouwvlak en de hoogte en ten aanzien van het Noordbrabants Museum voor zover het betreft de bestemming, de omvang van het bouwvlak, de hoogte van het plandeel en de functies detailhandel en horeca. Daarnaast zetten [eiser D] en [eiser C] vraagtekens bij de zorgvuldigheid en de noodzakelijkheid van het plan.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. De stelling van eisers dat ten onrechte de vrijstellingsprocedure is gevolgd vindt geen steun in het recht. Voor gevallen als het onderhavige, waarin een ingediend bouwplan afwijkt van hetgeen mogelijk is op basis van het geldende bestemmingsplan, is de vrijstellingsprocedure in het leven geroepen. Er is geen wettelijke regeling die in deze gevallen wijziging van het bestemmingsplan dwingend voorschrijft. Het betoog faalt daarom.

10. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede of derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben.

Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel gemotiveerd aangegeven waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige ontwikkeling van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

11. Op 8 december 2008 hebben GS de in artikel 19, eerste lid, van de WRO bedoelde verklaring van geen bezwaar afgegeven. GS vermelden hierbij dat het project niet stuit op provinciaal planologische bezwaren en dat geen belemmeringen zijn geconstateerd aangaande de uitvoering van het project. GS vermelden voorts nog dat de projectlocatie is gelegen binnen beschermd stadsgezicht.

12. Bij de stukken bevindt zich een “Ruimtelijke onderbouwing inzake vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, lid 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ten behoeve van het realiseren van een uitbreiding van het Noord-Brabants Museum, nieuwbouw ten behoeve van het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch en de bouw van woningen langs de Beurdsestraat en het Nieuwe plein”. Deze onderbouwing vermeldt onder meer dat de gemeenteraad heeft besloten om in de Binnenstad in de directe omgeving van het Noordbrabants Museum een Museumkwartier te vestigen waarbij behalve uitbreiding van dit museum ook nieuwbouw van het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch is betrokken. Deze clustering leidt, behalve tot synergie, tot de mogelijkheid voor bezoekers om kennis te nemen van diverse vormen en perioden van kunst. Door de locatiekeuze ontstaat een Museumkwartier dat enerzijds een oriëntatie heeft op de Verwersstraat, met een functioneel programmatisch milieu dat zich in de loop van de tijd hieraan heeft gespiegeld, zoals galeries, mode en antiekzaken, speciaalzaken en horeca. Een tweede belangrijke lijn is die vanuit het hart van de stad, De Markt, of vanuit Achter het Stadhuis via de Wolvenhoek naar De Mortel en naar het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch. Door realisering van het project wordt een bijdrage geleverd om het gebied, dat in het verleden sterk is aangetast vanwege verkeerskundige ingrepen, weer te helen. Het nieuw te bouwen Stedelijk Museum sluit qua hoogte aan bij het bestaande KPN complex. Voorts wordt nog ingegaan op de archeologische, historische en stedenbouwkundige aspecten, de groenstructuur, de horecavoorziening, het verkeer, het milieu en de financieel-economische uitvoerbaarheid van het project.

13. Voor zover eisers hebben willen betogen dat de gemeenteraad bij haar locatiekeuze op het verkeerde been is gezet, overweegt de rechtbank dat de beoordeling door de rechtbank in deze procedure zich beperkt tot het bouwplan op de locatie zoals is aangevraagd. De locatiekeuze is een politieke keuze, welke in deze procedure niet ter toetsing voorligt.

14. Door [eiser C] en [eiser D], de VVE en [eiser A] en [eiser B] is aangevoerd dat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte wordt uitgegaan van een bouwvlak van 30 x 117 meter, waar dit in werkelijkheid 15 x 60 bedraagt. Uit het bouwplan blijkt dat de afmetingen van het Stedelijk Museum op de begane grond 20 x 80 meter bedragen. Aangezien op grond van het bestemmingsplan voor het bouwvlak een bebouwingspercentage geldt van 75%, is er sprake van een forse overschrijding van het bouwvlak.

15. In het gemeentelijk commentaar op de ingebrachte zienswijzen, dat onderdeel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing, wordt het volgende opgemerkt:

<i>“Overigens wordt opgemerkt dat in het beoogde gebied het vigerende bestemmingsplan ook al bouwmogelijkheden toestaat. Aan de Mortel (waar de nieuwbouw van het Stedelijk Museum wordt gerealiseerd) is een bebouwingsstrook opgenomen van ca. 30 x 117 meter met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden". De afmetingen van het Stedelijk Museum bedragen op de begane grond circa 20 x 80 meter, hetgeen past binnen de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" van het vigerende plan.

(...)

Na een totale belangenafweging is de gemeente van mening dat aan de realisering van een uniek museumcluster op de beoogde locatie een groter belang mag worden toegekend dan aan het individuele belang, temeer omdat het bouwplan op een alleszins acceptabele stedenbouwkundige manier in de directe omgeving is ingepast (...).”</i>

(p. 22 van de ruimtelijke onderbouwing)

In de ruimtelijke onderbouwing wordt vervolgens de volgende conclusie getrokken:

<i>“Geconcludeerd wordt dat na afweging van alle relevante (planologische) belangen het bouwplan op de desbetreffende locaties vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.”</i>

(p. 16 van de ruimtelijke onderbouwing)

16. In zijn algemeenheid geldt dat hoe meer wordt afgeweken van het bestemmingsplan, hoe uitgebreider de motivering ten aanzien van de (planologische) aanvaardbaarheid van deze afwijking zal moeten zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor geciteerde conclusie in de ruimtelijke onderbouwing gebaseerd op de aanname dat het bouwvlak waarop het Stedelijk Museum dient te worden gerealiseerd een afmeting van 30 x 117 meter (3510 m2) heeft, waardoor de nieuwbouw van het Stedelijk Museum - gelet op de afmetingen daarvan (1600 m2) - geheel binnen het bouwvlak zou vallen. Dit is kennelijk ook de conclusie die het college trekt in zijn 'gemeentelijk commentaar' zoals hierboven geciteerd.

Ter zitting is echter aan de hand van de plankaart vastgesteld dat het bouwvlak 60 x 15 meter (900 m2) is. Met inachtneming van de planvoorschriften dat dit vlak voor 75% (=675 m2) bebouwd mag worden en de museumtuin voor 10% is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een forse overschrijding van hetgeen maximaal mag worden bebouwd. Deze overschrijding is aan te merken als een substantiële planologische inbreuk op het geldende bestemmingsplan. Om die reden moet worden geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom die afwijking van het bestemmingsplan in dit geval aanvaardbaar is en dat GS bij de afgifte van de verklaring van geen bezwaar is uitgegaan van onjuiste gegevens.

Dat de gemachtigden van het college en GS ter zitting hebben aangegeven dat in de ruimtelijke onderbouwing eerder een foute maat is opgenomen en dat kan/moet worden uitgegaan van de maten in de bouwtekeningen, maakt dit oordeel niet anders, nu in de zich in het dossier bevindende stukken telkens sprake is van een bouwvlak van 30 x 117 meter en bovendien in de bouwtekeningen ook een maat van 20 x 80 meter voor het Stedelijk Museum wordt gehanteerd.

Voorts blijkt bij nameting naar aanleiding van de bouwtekeningen dat de bouw van het Stedelijk Museum is gepland op een gedeelte waarop op de plankaart de bestemming “kantoordoeleinden” rust en waarop bovendien geen bouwvlak is voorzien, waarover in de ruimtelijke onderbouwing niets is terug te vinden.

17. De rechtbank is daarom van oordeel dat op dit punt geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, zodat niet is voldaan aan de formele vereisten en het college niet bevoegd was om vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan.

18. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, de bestreden besluiten vernietigen en bepalen dat het college nieuwe besluiten dient te nemen. Het college dient daarbij tevens in te gaan op de invloed van het bouwplan op de woon- en leefomgeving in relatie tot de forsere overschrijding dan die waarvan tot op heden werd uitgegaan.

19. Door eisers zijn voorts nog grieven naar voren gebracht met betrekking tot de geplande horecavoorziening, de benodigde parkeerplaatsen, het toenemen van de verkeersstromen en de financiële haalbaarheid van het project.

20. Hoewel de bestreden besluiten reeds op grond van het voorgaande geen stand kunnen houden, overweegt de rechtbank ter voorkoming van overbodige procedures nog het volgende.

<u>Horeca</u>

21. Ten aanzien van de uitbreiding van het Noordbrabants museum wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij onder meer om het vestigen van de functie zachte horeca in het bestaande gebouw achter de bebouwing in de Waterstraat en het toelaten van zachte horeca ten dienste van de museumfunctie.

Eisers grieven richten zich erop dat in dit deel van de binnenstad geen horeca is toegestaan. Dit zou onder meer blijken uit het beleidsplan 1994. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hiervoor, in strijd met het beleid, in de vergunning toch ontheffing wordt verleend.

22. In de ruimtelijke onderbouwing wordt ten aanzien van dit punt als volgt overwogen:

<i>“<b>Noordbrabants Museum</b>:

In het Noordbrabants Museum wordt zelfstandige horeca gewenst in het nieuwe restaurant. De statenzaal en twee vergaderruimten nabij het restaurant zullen ook bij de horeca worden betrokken. De beoogde functie van de statenzaal omvat congressen, seminars, presentaties, huwelijken, recepties en diners met een frequentie van 3 tot 4 x per week. Gewenst wordt een maximale bezetting. De beoogde functie van de twee salons heeft betrekking op dezelfde activiteiten als hiervoor bij de statenzaal zijn genoemd, in een frequentie van 2 x per week, met een maximale bezetting. De twee vergaderzalen (begane grond en achtervleugel Waterstraatcomplex grenzend aan het restaurant) zullen zowel binnen als buiten openingstijden van de musea worden gebruikt voor vergaderingen, voor ca 20 dagdelen per week. Het is de bedoeling dat de centrale verbindingsgang ondersteunend gebruikt wordt als uitloop en ontmoetingscentrum bij recepties e.d. Hier komen geen vaste voorzieningen. Ook hier wordt uitgegaan van een maximale bezetting. Het terras is gelegen op eigen erf en wordt straks gebruikt in combinatie met de statenzaal en het restaurant. De bedoeling is dat de tentoonstellingsruimten 10 – 12 keer per jaar gebruikt voor bijeenkomsten in het kader van openingen van exposities.

<b>Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch</b>:

Het restaurant is bedoeld voor beide musea en is via het Anne Frankplein ook buiten de openingstijden van de beide musea toegankelijk. De publiekshal en de projectieruimte (die ook als auditorium gebruikt kan worden) worden gebruikt als overloop voor activiteiten (congressen, recepties, diners, feesten, presentaties, manifestaties), die de omvang van het restaurant te boven gaan (te denken valt aan een maximum van 300 personen). Het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch wil hiervoor een openstelling op vrijdag en zaterdag tot maximaal 02.00 uur. De catering in de bedoelde ruimten wordt verzorgd vanuit het restaurant. Een mobiele barinrichting wordt gewenst. In de hoek bij de doorgang naar het Noordbrabants Museum aan de zuidzijde wordt een koffiecorner ingericht. Elke vorm van harde horeca in de sfeer van een café of dancing, waar de hoofdzaak is gericht op het ter plaatse verstrekken van dranken is uitgesloten. ”</i>

(p. 8 van de ruimtelijke onderbouwing)

In de ontwikkelingsvisie Stadscentrum van de gemeente ’s-Hertogenbosch wordt ten aanzien van het gebied Zuidwal e.o. overwogen:

<i>“Dit gebied ligt ten zuiden van de hoofdas Vughterstraat/Markt/Hinthamerstraat en tussen Kuipertjeswal en Papenhulst. In het centrale deel van dit gebied ontstaat van twee kanten een toenemende druk om de samenhang in het gebied te vergroten en het gebied beter in te richten op toenemende (vooral recreatieve en toeristische) bezoekersstromen. Enerzijds wordt deze druk ontwikkeld vanuit het zwerfwinkelgebied en de daarop aansluitende nieuwbouw van het Stadskantoor en uitbreiding van het Noordbranbants Museum. (…) De ontwikkeling van winkels en horecagelegenheden zal daardoor in deze omgeving worden gestimuleerd (met name aansluitend op het Lombardje en richting Anne Frankplein)”.</i>

(p. 89 van de Ontwikkelingsvisie Stadscentrum)

23. Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het beleid in het gebied “Zuidwal” juist is gericht op stimulering van horeca (niet zijnde “harde” horeca) zoals voorzien in het bouwplan en daarom past binnen de ontwikkelingsvisie van de gemeente

’s-Hertogenbosch en de provincie Noord-Brabant. Aangezien er geen sprake is van “harde” horeca, is er bovendien geen sprake van strijd met het beleidsplan 1994.

24. De rechtbank overweegt voorts dat niet is gebleken dat de bewoners van de Mortelkazerne en het Anne Frankplein, gezien de ligging van de straten ten opzichte van de in dit gebied reeds bestaande horeca, door het vestigen van de horecafunctie als hiervoor omschreven meer overlast zullen ervaren dan in de huidige situatie.

25. Het betoog faalt.

<u>Parkeren</u>

26. Ter verduidelijking van hetgeen in de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen met betrekking tot parkeren heeft het college ter zitting nog het volgende naar voren gebracht. In het bouwplan is voorzien in 25 parkeerplaatsen ten behoeve van het personeel van de musea. Als uitgangspunt voor de berekening van het aantal parkeerplaatsen geldt de Nota parkeernormen 2003. Hierin wordt uitgegaan van 1 parkeerplaats per 4 werknemers, waarbij bezoekersplaatsen zijn inbegrepen. Uitgaande van deze Nota zijn 29 parkeerplaatsen nodig. In afwijking van de Nota is het beleid van de gemeente thans gericht op een autoluwe binnenstad en in die zin gewijzigd dat de gemeente geen bezoekersparkeermogelijkheden op eigen terrein eist. Voor de uiteindelijke berekening is voor het onderhavige bouwplan aansluiting gezocht bij het Regionaal Verkeers- en Vervoersplan en bij het bestemmingsplan “Stadskantoor” waarin bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen de norm is bijgesteld naar 1 parkeerplaats per 5 werknemers exclusief het bezoekersparkeren.

De rechtbank acht daarmee het aantal voorziene parkeerplaatsen deugdelijk onderbouwd, zodat het betoog van eisers faalt.

<u>Verkeer</u>

27. Eisers hebben naar voren gebracht dat zij vrezen voor een toename van de verkeersstromen, waaronder ook vrachtwagens in verband met de bevoorrading van de musea. De straten rondom de musea zijn, volgens eisers, niet op deze verkeersstromen berekend.

28. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat verweerder geen toename van de verkeersstromen verwacht als gevolg van de realisatie van het project: door het gevoerde parkeerbeleid, dat is gericht op een autoluwe binnenstad, zullen veel bezoekers er juist voor kiezen hun auto buiten de binnenstad te parkeren of om met het openbaar vervoer te komen. Daarnaast zal bevoorrading van de musea voor wisseling van tentoonstellingen, expedities en aan- en afvoer van museumstukken plaatsvinden via een aparte route en ingang aan het nieuwe plein aan de Beurdsestraat om problemen te voorkomen en zal autoverkeer in de Mortelstraat geminimaliseerd worden.

29. Nog daargelaten dat eisers hun stellingen op dit punt niet aannemelijk hebben gemaakt acht de rechtbank de besluiten ook op dit punt voldoende onderbouwd, zodat het betoog faalt.

<u>Financiële haalbaarheid</u>

30. Ten aanzien van de Financiële haalbaarheid is in de ruimtelijke onderbouwing het volgende opgenomen:

<i>“De realisering van het onderhavige project is een initiatief van de provincie en de gemeente. De aanleg en exploitatie van de verbouw en uitbreiding van het Noordbrabants Museum wordt bekostigd door de provincie Noord-Brabant met een investeringsbijdrage van de gemeente ’s-Hertogenbosch van 2.3 mln. Dit bedrag is reeds in voorgaande jaren gereserveerd binnen het structuurfonds. Voor de nieuwbouw en de inrichting van de openbare ruimte van het Stedelijk Museum is een investeringskrediet van € 13.8 mln opgenomen. In het actuele overzicht structuurfonds is voor deze nieuwbouw € 6.9 mln gereserveerd. De realisatie van de 6 woningen in dit gebied is een rendabele ontwikkeling.”</i>

(p. 16 van de ruimtelijke onderbouwing)

31. Voorts heeft het college ter zitting nog aangegeven dat de gelden voor de exploitatie van het museum al gereserveerd waren door de gemeente en de provincie op het moment dat het besluit in heroverweging genomen werd.

32. De rechtbank acht het besluit op dit punt voldoende onderbouwd, zodat ook dit betoog faalt.

33. Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het college - behalve ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing - genoegzaam heeft gemotiveerd waarom vrijstelling wordt verleend van het bestemmingsplan. De overige aangevoerde grieven leiden daarom niet tot het oordeel dat het college in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen.

34. Nu de beroepen gegrond verklaard worden, acht de rechtbank termen aanwezig het college te veroordelen in de door [eiser A] en [eiser B] en de VVE gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage ten aanzien van deze beide eisers afzonderlijk begroot op in totaal

€ 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

35. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door het college aan [eiser A] en [eiser B], [eiser C] en [eiser D] en aan de VVE het door ieder van hen gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

36. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

ten aanzien van AWB 09/2152

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast het college aan [eiser A] en [eiser B] te vergoeden het door hen gestorte griffierecht ad € 150,00;

- veroordeelt het college in de door [eiser A] en [eiser B] gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

ten aanzien van 09/2162

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast het college aan [eiser C] en [eiser D] te vergoeden het door hen gestorte griffierecht ad € 150,00;

ten aanzien van 09/2175

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast het college aan de VVE te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 297,00;

- veroordeelt het college in de door de VVE gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als voorzitter en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. M. van 't Klooster als leden in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schreurs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2009.

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: