Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BK3464

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
AWB 09-1641, AWB 09-1683, AWB 09-1685 en AWB 09-1688
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM8013
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie afzonderlijke kapvergunningen voor de kap van diverse bomen, waaronder een paardenkastanje, in de museumtuin van het Noordbrabants Museum.

Stichting Boom & Bosch en de Bomenstichting zijn belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb.

Geen weigeringsgronden in APV. Algemene belangenafweging. Gemeentelijk beleid is niet onredelijk. Economische redenen op grond waarvan wordt afgeweken van het uitgangspunt dat kapvergunning voor waardevolle boom niet wordt verleend, zijn voldoende onderbouwd. Het college heeft zorgvuldig onderzoek gedaan naar de drie door eisers aangedragen alternatieven. Het college heeft kunnen besluiten dat de alternatieven niet leiden tot een gelijkwaardig resultaat met minder bezwaren. Vierde alternatief pas in beroepsfase ingebracht, zodat het buiten beschouwing blijft. Het college heeft zijn besluiten voldoende gemotiveerd. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 13

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 09/1641, AWB 09/1683, AWB 09/1685 en AWB 09/1688

Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 november 2009

inzake

1. stichting “Stichting Boom & Bosch” (AWB 09/1641),

te ’s-Hertogenbosch,

gemachtigde: mr. I.L. van Geel,

2. vereniging van eigenaars “De Mortelkazerne” (AWB 09/1683),

te ’s-Hertogenbosch,

gemachtigde: mr. J. Schoneveld,

3. [eiser A] en [eiser B] (AWB 09/1685),

te ’s-Hertogenbosch,

gemachtigde: mr. J. Schoneveld,

4. stichting “Bomenstichting” (AWB 09/1688),

te Utrecht,

gemachtigde: drs. E.R. Koot,

tezamen: eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder,

gemachtigden: mr. J.J.H. van Goch en mr. P.W.G.M. Christophe.

Aan het geding heeft – op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) – als partij deelgenomen:

de Provincie Noord-Brabant,

te ’s-Hertogenbosch,

vergunninghoudster,

gemachtigden: mr. dr. O.J.D.M.L. Jansen en mr. M.A.L. Verhoeven.

Eisers zullen hierna, ieder afzonderlijk, worden aangeduid als ‘Boom & Bosch’, ‘de VVE’, ‘[eiser A] en [eiser B]’ respectievelijk ‘de Bomenstichting’. Verweerder zal hierna worden aangeduid als ‘het college’. Vergunninghoudster zal hierna ‘de Provincie’ worden genoemd.

Procesverloop

Bij drie afzonderlijke besluiten van 11 november 2008 heeft het college aan de Provincie kapvergunningen verleend voor het kappen van:

- zesenveertig bomen in de tuin van het Noordbrabants Museum aan de Verwersstraat 41 te ’s-Hertogenbosch (vergunning SO/ORV 082030245), onder de voorwaarde dat negen bomen worden verplaatst zoals aangegeven op een bij het besluit gevoegde tekening;

- één paardenkastanje in de tuin van het Noordbrabants Museum aan de Verwersstraat 41 te ’s-Hertogenbosch (vergunning SO/ORV 082030246);

- vier linden in het Oud Bogardenstraatje en zes platanen, één esdoorn en twee acacia’s in de Beurdsestraat te ’s-Hertogenbosch (vergunning SO/ORV 082030244).

Boom & Bosch heeft hiertegen bij brief van 22 december 2008 bezwaar gemaakt.

De VVE heeft bij brief van 23 december 2008 bezwaar gemaakt.

[eiser A] en [eiser B] hebben bij brief van 23 december 2008 bezwaar gemaakt.

De Bomenstichting heeft bij brief van 31 december 2008 bezwaar gemaakt.

Bij vier afzonderlijke besluiten van 3 april 2009 heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de besluiten van 11 november 2008 in stand gelaten, met dien verstande dat aan alle drie de kapvergunningen tevens een herplantverplichting is verbonden zoals aangegeven op de bij de besluiten van 3 april 2009 gevoegde situatietekening.

Boom & Bosch heeft bij brief van 12 mei 2009 beroep ingesteld.

De VVE heeft bij brief van 14 mei 2009 beroep ingesteld.

[eiser A] en [eiser B] hebben bij brief van 14 mei 2009 beroep ingesteld.

De Bomenstichting heeft bij brief van 15 mei 2009 beroep ingesteld tegen het haar betreffende besluit op bezwaar, voor zover dit besluit ziet op het in stand laten van de kapvergunning voor de paardenkastanje.

De zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 6 oktober 2009. Hierbij zijn verschenen:

- [...] namens Boom & Bosch, bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans, kantoorgenoot van de gemachtigde;

- [...] namens de VVE, bijgestaan door de gemachtigde;

- [eiser A] in persoon, bijgestaan door de gemachtigde;

- de gemachtigde van de Bomenstichting;

- de gemachtigden van het college

en

- [...], namens de Provincie, bijgestaan door de gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet allereerst aanleiding ambtshalve te beoordelen of de beroepen van Boom & Bosch en de Bomenstichting, bezien in het licht van de recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) inzake het statutair belanghebbendebegrip, ontvankelijk zijn. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2008 (LJN: BD2647).

2. Het statutaire doel van Boom & Bosch is – blijkens artikel 2, eerste lid, van de statuten – het bevorderen van de zorg, het behoud en de aandacht voor bomen en de natuur in ’s-Hertogenbosch en omstreken en voorts al hetgeen met één en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.

3. De feitelijke werkzaamheden waarmee Boom & Bosch haar doelstelling tracht te bereiken zijn opgesomd in een brief van Boom & Bosch aan de secretaris van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van 26 februari 2009, welke opsomming ter zitting nader is toegelicht. Deze werkzaamheden omvatten onder andere het meewerken aan een initiatiefvoorstel van de gemeentelijke GroenLinks-fractie voor een bomenbeleidsplan, het verrichten van een kwaliteitsonderzoek naar de waarde van de bomen in de museumtuin, het organiseren van een bomenwandeling of fietsroute langs bomen, het schrijven van korte artikelen in een huis-aan-huisblad en het fungeren als gesprekspartner met – kort gezegd – de lokale overheid.

4. Het statutaire doel van de Bomenstichting is – blijkens artikel 2, eerste lid, van de statuten – het bevorderen van de zorg en aandacht voor bomen, omdat deze een onmisbare schakel vormen in het leven op aarde en dus onmisbaar zijn voor de mens, en voorts al hetgeen met één en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.

5. De feitelijke werkzaamheden waarmee de Bomenstichting haar doelstelling tracht te bereiken zijn talrijk. De Bomenstichting heeft in samenwerking met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onder andere een landelijk register van monumentale bomen opgesteld, in welke register ook de museumtuin van het Noordbrabants Museum is opgenomen. Daarnaast heeft de Bomenstichting een boekje opgesteld over hoe zorgvuldig om te gaan met bomen tijdens de uitvoering van bouwplannen. Voor het overige organiseert de Bomenstichting in heel Nederland veel verschillende activiteiten.

6. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de feitelijke werkzaamheden van zowel de Bomenstichting als Boom & Bosch voldoende aanknopingspunten voor een inzichtelijke afbakening van de – in de statuten neergelegde – belangen die deze stichtingen in het bijzonder behartigen. Het statutaire doel van Boom & Bosch is in functioneel en territoriaal opzicht begrensd, waardoor het een voldoende onderscheidende werking heeft. Het statutaire doel van de Bomenstichting is weliswaar slechts in functioneel en niet in territoriaal opzicht afgebakend, maar de Bomenstichting heeft hierover ter zitting aangevoerd dat zij in het land vele afdelingen heeft die lokaal werkzaam zijn. In dat geval acht de rechtbank het feit dat de (landelijk geldende) statutaire doelstellingen van de Bomenstichting territoriaal weinig begrensd zijn, minder relevant.

7. Gelet op het voorgaande zijn Boom & Bosch en de Bomenstichting aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb. Hun beroepen zijn ontvankelijk.

8. Aan de orde is thans de vraag of het college in redelijkheid vergunning heeft kunnen verlenen voor het kappen van de hierboven genoemde bomen.

9. Het college en de Provincie stellen zich op het volgende standpunt. Er heeft een juiste afweging van de bij de kapvergunningen betrokken belangen plaatsgevonden. Het college is gehouden aan de door de gemeenteraad gemaakte keuze voor het realiseren van zowel het Noordbrabants Museum als het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch (hierna: het Stedelijk Museum) op de locatie waar nu alleen het Noordbrabants Museum gevestigd is. In het kader van de verlening van de kapvergunningen kunnen slechts marginale aanpassingen in het bouwplan worden aangebracht. Het college heeft bij de gehele planontwikkeling steeds de museumtuin als belangrijk aspect meegenomen. Er is onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit en stabiliteit van de betreffende bomen. Naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek is het bouwplan van het Noordbrabants Museum en het Stedelijk Museum aangepast, waardoor een waardevolle beuk, een tulpenboom en een esdoorn behouden kunnen blijven. De naar voren gebrachte alternatieve bouwplannen ten behoeve van het behoud van de paardenkastanje leiden, nog los van het feit dat ze niet stroken met de architectonische uitgangspunten van het voorliggende bouwplan, tot een onacceptabele verkleining van het bouwplan en tot problemen met het expeditiepunt. Gelet hierop is het niet mogelijk gebleken de paardenkastanje te behouden. Bovendien kan de kastanje niet succesvol verplaatst worden. Het college stelt dat hij, gelet op het voorgaande, voldoende gewicht heeft toegekend aan het belang dat is gediend met het behoud van (andere) aanwezige bomen in de museumtuin. De realisatie van een museumkwartier in de binnenstad is anderzijds echter van voldoende zwaarwegend economisch belang om de kap van waardevolle bomen te kunnen rechtvaardigen.

10. Boom & Bosch, de VVE en [eiser A] en [eiser B] hebben zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat het college de bestreden besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd, dat het college onvoldoende belang heeft gehecht aan het behoud van de waardevolle bomen en dat het college de aangedragen alternatieven niet zorgvuldig heeft onderzocht. De bestreden besluiten dienen daarom vernietigd te worden, aldus deze eisers. De Bomenstichting heeft dezelfde beroepsgronden aangevoerd als de overige eisers, maar zij heeft slechts beroep ingesteld tegen het in bezwaar in stand laten van de kapvergunning voor de paardenkastanje.

11. De rechtbank overweegt het volgende.

12. Ingevolge artikel 103, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening ’s-Hertogenbosch 1996 (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders te vellen of te doen vellen:

a. houtopstand, in de door burgemeester en wethouders aangewezen gebieden;

b. houtopstand ouder dan 50 jaar.

13. Onder houtopstand wordt – ingevolge artikel 102, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV – verstaan: hakhout, een houtwal of een of meer bomen.

14. De APV bevat geen voorschriften waarin weigeringsgronden voor het verlenen van een kapvergunning zijn neergelegd. Er is derhalve geen dwingend wettelijk toetsingskader.

15. Bij Besluit van 8 oktober 1991 heeft het college – ter invulling van het bepaalde in artikel 103, eerste lid, onder a, van de APV – gebieden aangewezen waarbinnen voor het vellen van bomen een kapvergunning nodig is. Ten behoeve van de leesbaarheid van deze uitspraak zal genoemd besluit hierna het ‘Besluit aanwijzing gebieden’ worden genoemd. Een van de aangewezen gebieden betreft ‘De Binnenstad’. Daarnaast heeft het college in het Besluit aanwijzing gebieden een aantal bomen en/of boomgroepen waardevol verklaard en ten aanzien van deze waardevolle bomen beleid geformuleerd op grond waarvan getoetst wordt of een kapvergunning kan worden verleend.

16. Dit beleid luidt als volgt:

“Een boom voorzien van het predikaat “waardevol” zal niet gekapt mogen worden. Een kapvergunning wordt daarvoor in principe niet verleend. Om “veiligheids-” danwel “economische” (waarde van een bepaalde locatie) of “historische” (aantasting van waardevolle gebouwen of bouwwerken) redenen kan daarvan afgeweken worden en alsnog een kapvergunning worden verleend.”

17. De rechtbank acht bovengenoemd beleid niet kennelijk onredelijk.

18. Tussen partijen is niet in geschil dat de bomen waarvoor kapvergunningen zijn verleend in het door het college aangewezen gebied ‘De Binnenstad” liggen. De betreffende bomen zijn derhalve kapvergunningplichtig.

19. Bij gebreke van een wettelijk toetsingskader kan het college bij de besluitvorming omtrent het al dan niet verlenen van een kapvergunning volstaan met het maken van een algemene belangenafweging. Ten aanzien van de bomen die het predicaat ‘waardevol’ hebben, waarvan de paardenkastanje de meest in het oog springende is, geldt voorts dat op het college een verdergaande motiveringsplicht rust, waarbij hij in ieder geval dient in te gaan op de vraag wat de economische redenen zijn op grond waarvan in redelijkheid kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat voor ‘waardevolle’ bomen geen kapvergunning wordt verleend.

20. De onderhavige zaak spitst zich derhalve toe op de vraag of het college de besluiten tot het verlenen van de kapvergunningen voldoende heeft gemotiveerd.

21. Vooraf wordt overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat bij de totstandkoming van de bouwplannen voor de musea als uitgangspunt diende te gelden dat de museumtuin in zijn geheel behouden diende te blijven. Boom & Bosch heeft in dit verband ten onrechte verwezen naar het Structuurplan binnenstad ’s-Hertogenbosch, nu het college heeft aangegeven dat dit structuurplan is achterhaald door het thans ter plaatse geldende bestemmingsplan. Op grond van dit bestemmingsplan is het reeds mogelijk om 75% van het bouwblok waarbinnen de rododendrons en hulsten staan en 10% van de museumtuin te bebouwen.

22. Het college heeft aangevoerd en ter zitting nader toegelicht dat de locatie waarop de uitbreiding van het Noordbrabants Museum en de nieuwbouw van het Stedelijk Museum zijn voorzien, gelegen in de binnenstad, in financieel/ economisch opzicht van grote waarde is. Voorts ontstaat door het bijeenbrengen van de musea op één locatie synergie tussen beide musea, hetgeen zowel in financieel opzicht als voor het museumbezoek aantrekkelijk is. De rechtbank acht dit een voldoende onderbouwing van de ‘economische redenen’, als bedoeld in het hierboven aangehaalde beleid.

23. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is bovendien vast komen te staan dat het college en de Provincie het belang van de museumtuin en de zich daarin bevindende bomen in de bouwplanontwikkeling hebben meegenomen als element waarmee rekening dient te worden gehouden. Zo heeft Pius Floris Boomverzorging Vught reeds in 2006 een onderzoek uitgevoerd naar een tweetal bomen in de museumtuin van het Noordbrabants Museum, te weten een grote rode beuk in het centrum van de tuin en een nabijgelegen tulpenboom. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het rapport ‘Bomen Effect Analyse 2 bomen Nieuwbouw Brabantsmuseum’ van 23 juni 2006. Naar aanleiding van – onder andere – dit onderzoek is het bouwplan op diverse punten gewijzigd ten behoeve van het behoud van enkele waardevolle bomen. Zo wordt bijvoorbeeld een deel van de vloer van het Noordbrabants Museum zwevend uitgevoerd. Ook is de kelderbak van het Stedelijk Museum verkleind om zo de rode beuk en de tulpenboom te kunnen behouden.

24. Boom & Bosch en de Bomenstichting hebben diverse alternatieve uitvoeringen van het bouwplan aangedragen, waardoor in hun visie de monumentale paardenkastanje behouden kan blijven. Deze eisers stellen dat het college de alternatieven niet zorgvuldig heeft onderzocht.

25. De rechtbank overweegt dat zij de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 november 2007 (LJN: BB8484) niet volgt, voor zover de voorzieningenrechter heeft overwogen dat op het college steeds de plicht rust om nader te onderzoeken of alternatieven voor kap mogelijk zijn alvorens tot het vellen van een boom over te gegaan. Anderzijds geldt, naar analogie van de vaste rechtspraak in zaken waarin vrijstelling van een bestemmingsplan wordt verleend, in het onderhavige geval wel dat het college dient te beslissen op de aanvraag tot het verlenen van een kapvergunning tegen de achtergrond van het voorliggende bouwplan. Indien op zichzelf de verlening van een kapvergunning aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieve bouwplannen slechts dan aanleiding geven tot het niet verlenen van een kapvergunning, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanzienlijk minder bezwaren.

26. Anders dan eisers is de rechtbank van oordeel dat het college de aangereikte alternatieven ter behoud van de paardenkastanje heeft onderzocht en betrokken bij de besluitvorming. Het college heeft de drie alternatieven ter beoordeling voorgelegd aan Henket & partners architecten, de architect van de verbouwing van het Noordbrabants Museum en de nieuwbouw van het Stedelijk Museum. Het betreft hier de zogenaamde ‘binnendoor variant’ (alternatief 1), het verplaatsen van de kastanje (alternatief 2) en de zogenaamde ‘buitenom variant’ (alternatief 3). Henket & partners architecten hebben het volgende geconcludeerd. De tweede variant blijkt technisch onmogelijk vanwege het grote gewicht van de boom en de beperkte manoeuvreerruimte. De eerste en derde variant zijn om verschillende redenen niet aanvaardbaar. De expeditieroute (de route waarlangs het vervoer van goederen ten behoeve van beide musea zal gaan plaatsvinden) krijgt in beide alternatieven twee extra bochten. Hierdoor kan de expeditie niet goed verlopen. Daarnaast verliest het Noordbrabants Museum zijn depotruimte en de kantoorruimte en gezamenlijke kantine. Deze ruimte kan niet elders in het museum worden teruggevonden. Bovendien moet, om de uitvoering van deze alternatieven mogelijk te maken, de kelderbak van het Stedelijk Museum verder worden verkleind, hetgeen onacceptabel is. Ten aanzien van de ‘buitenom variant’ hebben Henket en partners nog geconcludeerd dat de route voor museumbezoekers zeer problematisch wordt, omdat de verbinding tussen beide musea in die variant onlogisch wordt. Daarom is deze variant ruimtelijk en architectonisch niet acceptabel, aldus nog steeds Henket en partners. Het college heeft aan het voorgaande nog toegevoegd dat het ongewijzigd handhaven van de expeditieroute om diverse redenen, waaronder veiligheidsredenen en verzekeringstechnische redenen, zeer belangrijk is. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke alternatieven voor kap van de paardenkastanje en dat het college op grond daarvan heeft kunnen besluiten dat deze alternatieven niet leiden tot een gelijkwaardig resultaat met minder bezwaren. Het enkele feit dat, zoals ter zitting is vastgesteld, het college aanvankelijk er vanuit is gegaan dat de paardenkastanje wel verplaatsbaar zou zijn, hetgeen later onjuist bleek, doet aan de voorgaande conclusie niet af.

27. Ten aanzien van het door de Bomenstichting later genoemde vierde alternatief – het plaatsen van een koker om de paardenkastanje – moet worden geconstateerd dat dit alternatief pas in de beroepsfase is ingebracht. Nu dit alternatief eerst na het nemen van het bestreden besluit te berde is gebracht, kan het college niet verweten worden dat hij dit alternatief niet in de besluitvorming heeft meegenomen. De rechtbank zal dit alternatief dan ook buiten beschouwing laten.

28. Gelet op het voorgaande heeft het college het belang van het (verder) ongewijzigd uitvoeren van het bouwplan en de in verband daarmee te kappen bomen in redelijkheid kunnen laten prevaleren boven het belang van het behoud van de bomen. Het college heeft zijn besluiten voldoende gemotiveerd. De rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren.

29. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als voorzitter en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. M. van ’t Klooster als leden in tegenwoordigheid van mr. M.A. Bijl als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2009.

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: