Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BK2974

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
AWB 08-793
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is in dienst bij het werkvoorzieningschap, en gedetacheerd bij de IBN-groep. Eiser heeft gedurende de detachering naast zijn ambtelijke rechtsverhouding met het werkvoorzieningschap ook een tijdelijke ambtelijke rechtsverhouding met IBN verkregen. De inhoud van deze laatste rechtsverhouding, uit hoofde waarvan er ook tussen eiser en IBN een gezagsrelatie is ontstaan, wordt bepaald door het karakter van de detacheringovereenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank kan de bevoegdheid van het werkvoorzieningschap niet zover gaan dat deze bevoegd is een organieke functiebeschrijving te maken voor IBN-facilitair B.V., de inlener van eiser. Het vaststellen van de organieke functiebeschrijving is naar het oordeel van de rechtbank een bevoegdheid van (het bestuur van) IBN-facilitair B.V. zelf, daar het hier immers gaat om de organisatieopbouw bij dit bedrijf. Anders dan hiervoor is overwogen met betrekking tot de organieke functiebeschrijving, oordeelt de rechtbank dat verweerder bevoegd moet worden geacht te beslissen of eiser dient te worden geplaatst in de referentiefunctie van KAM-functionaris. Eiser is immers als ambtenaar in dienst bij het werkvoorzieningschap, die ook de bezoldiging van eiser betaalt. Naar het oordeel van de rechtbank moet uit dien hoofde verweerder als bevoegd orgaan worden aangemerkt om eiser te plaatsen in een functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/793

Uitspraak van de meervoudige kamer van 30 oktober 2009

inzake

[eiser],

te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. R.G.A.M. Theunissen,

tegen

Het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap Noord-Oost Noord-Brabant,

te Oss,

verweerder,

gemachtigde mr. J.F.H.P. Canton.

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2005 heeft [directeur IBN-kader], werkzaam bij de groep Integrale Bedrijven Noordoost-Brabant (hierna: IBN) als directeur IBN-kader, besloten om aan eiser de referentiefunctie medewerker KAM (Kwaliteit, Arbo en Milieu), bandbreedte niveau A toe te kennen met de bijbehorende salarisschaal 8. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit op bezwaar van 27 april 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard voor zover het zich richt tegen de keus van de organisatie om aan eiser op te dragen de werkzaamheden die behoren bij de referentiefunctie medewerker KAM met daaraan toegevoegd de in het ‘A-supplement’ genoemde taken. Voorts heeft verweerder het bezwaar ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen de waardering en daarbij het bezwaar gegrond verklaard voor zover betrokkene stelt dat de ‘A-variant’ niet als referentiefunctie is aangemerkt. Verweerder overweegt dat de functie van medewerker KAM met de daarbij behorende bandbreedte A dient te worden aangemerkt als referentiefunctie en per kenmerkscore volgens het fuwa-sys dient te worden gewaardeerd.

Bij besluit van 30 oktober 2006 heeft [directeur IBN-kader], voornoemd, eiser bericht dat de functie van medewerker KAM opnieuw is beschreven en dat de functiebeschrijving, die de benaming KAM-functionaris heeft gekregen, als bijlage is toegevoegd. De functie is gewaardeerd met schaal 8.

Blijkens de notulen van de vergadering van verweerder van 24 januari 2007 heeft verweerder dit besluit bekrachtigd.

Eiser heeft bij brief van 6 december 2006 tegen het besluit van 30 oktober 2006 bezwaar aangetekend, door verweerder als beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank, bij deze rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 07/1872.

In een inhoudelijk gelijke zaak van een collega van eiser, de heer [collega], heeft de rechtbank bij uitspraak van 29 augustus 2007 overwogen dat het besluit van 30 oktober 2006 een nieuw primair besluit behelst zodat het beroepschrift van de heer [collega] naar verweerder moet worden doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift. Het beroep van de heer [collega] is niet-ontvankelijk verklaard.

Verweerder heeft, ervan uitgaande dat de rechtbank in onderhavige zaak tot hetzelfde oordeel zou komen als in de zaak [collega] bij besluit van 23 januari 2008 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen de keus van de organisatie om aan de werknemer op te dragen de werkzaamheden die behoren bij de referentiefunctie KAM-functionaris. Voorts heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de waardering en/of inpassing.

Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 28 februari 2008, bij de rechtbank ingekomen op 4 maart 2008, beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 1 juli 2008 heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 30 oktober 2006 een nieuw primair besluit behelst. Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De zaak is behandeld op de zitting van 17 maart 2009, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is de gemachtigde van verweerder verschenen.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst om partijen de gelegenheid te bieden hun geschil in onderling overleg te regelen.

Partijen hebben de rechtbank bericht dat het overleg niet tot een minnelijke regeling heeft geleid.

Partijen hebben toestemming verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting, als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb. De rechtbank heeft het onderzoek op 27 oktober 2009 gesloten.

Overwegingen

1. Gelet op het advies van de adviescommissie van 6 december 2007 en het verweerschrift van 16 april 2008, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder het bezwaar “voor zover het zich richt tegen de keus van de organisatie om aan de werknemer op te dragen de werkzaamheden die behoren bij de referentiefunctie KAM-functionaris” niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij van mening is dat tegen een organieke functiebeschrijving geen bezwaar kan worden gemaakt.

2. Deze motivering is onjuist, aangezien uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak van 30 oktober 2008, LJN: BG4622) volgt dat tegen een organieke functiebeschrijving wel degelijk bezwaar of beroep mogelijk is. Wel is het zo dat bij het vaststellen van de organieke functiebeschrijving, beleidsvrijheid toekomt aan de werkgever. Het gaat hier niet om de beschrijving van de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden, maar om de door de werkgever aan de betrokken functionaris opgedragen werkzaamheden, gegeven de inrichting van de organisatie zoals die de werkgever voor ogen staat. Dit brengt mee dat de rechterlijke toetsing van de organieke functiebeschrijving met terughoudendheid moet plaatsvinden. Voor vernietiging van de functiebeschrijving kan slechts aanleiding bestaan indien deze in rechte onhoudbaar moet worden geacht.

3. Ten onrechte is derhalve het bezwaar tegen de organieke functiebeschrijving niet-ontvankelijk verklaard. Reeds om die reden zou het bestreden besluit op dit onderdeel niet in stand kunnen blijven.

4. De rechtbank oordeelt evenwel dat verweerder niet het bevoegde orgaan is om op het bezwaarschrift van 6 december 2006 te beslissen. De rechtbank is van oordeel dat (het bestuur van) IBN-facilitair B.V. het bevoegde orgaan is en overweegt daartoe als volgt.

5. Blijkens de gedingstukken is eiser als ambtenaar in dienst bij het werkvoorzieningschap. Het werkvoorzieningschap voert in de regio Noordoost-Brabant de Wet sociale werkvoorziening uit voor 13 gemeenten. Eiser is in de praktijk gedetacheerd bij de IBN-groep. De IBN-groep is een B.V.-structuur met aan het hoofd een Holding en daaronder drie dochter-B.V.’s. Eiser is feitelijk gedetacheerd bij een van de drie dochter-B.V.’s, te weten IBN-facilitair B.V.. Een van de andere dochter B.V.’s is IBN-arbeidsintegratie B.V., waarvan IBN-kader een onderdeel is. Het werkvoorzieningschap heeft 100% van de aandelen van de IBN-groep in handen.

6. Ingevolge vaste jurisprudentie van de CRvB (zie de uitspraak van 17 april 2003, LJN: AF8422) blijft tijdens de detachering van een ambtenaar het dienstverband met het bestuursorgaan dat de ambtenaar heeft aangesteld, bestaan. De gelegenheid tot detachering die verweerder aan eiser heeft geboden, impliceert dat het werkvoorzieningschap aan eiser voor de duur van de detachering buitengewoon verlof verleent. De gezagsrelatie die tussen het werkvoorzieningschap als bevoegd gezag en eiser bestond, blijft tijdens de detachering bestaan. Verweerder is uit dien hoofde bevoegd jegens eiser rechtpositionele besluiten te nemen, voor zover een en ander met de detachering verenigbaar is. Eiser heeft gedurende de detachering naast zijn ambtelijke rechtsverhouding met verweerder ook een tijdelijke ambtelijke rechtsverhouding met IBN verkregen. De inhoud van deze laatste rechtsverhouding, uit hoofde waarvan er ook tussen eiser en IBN een gezagsrelatie is ontstaan, wordt bepaald door het karakter van de detacheringovereenkomst.

7. Naar het oordeel van de rechtbank kan de bevoegdheid van verweerder niet zover gaan dat deze bevoegd is een organieke functiebeschrijving te maken voor IBN-facilitair B.V., de inlener van eiser. Het vaststellen van de organieke functiebeschrijving is naar het oordeel van de rechtbank een bevoegdheid van IBN-facilitair B.V. zelf, daar het hier immers gaat om de organisatieopbouw bij dit bedrijf.

8. De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit een beslissing heeft genomen op het bezwaarschrift van eiser van 6 december 2006. Verweerder had dit bezwaarschrift ingevolge artikel 6:15 van de Awb dienen door te zenden aan (het bestuur van) IBN-facilitair B.V., zijnde het bevoegde bestuursorgaan.

9. Met betrekking tot de verdere omvang van het geding, overweegt de rechtbank dat eiser in zijn beroepschrift expliciet heeft gesteld dat zijn beroep niet is gericht tegen de functiewaardering. Deze maakt dan ook geen onderdeel uit van dit geding.

10. Wat partijen wel verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of de functie van KAM-medewerker, gelet op de door eiser verrichte werkzaamheden, als passend kan worden aangemerkt.

11. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 30 oktober 2006 niet tevens ziet op de plaatsing van eiser in de referentiefunctie van KAM-functionaris. Eerst bij de beslissing op bezwaar is eiser door verweerder in deze functie geplaatst (verweerder gebruikt de term ingepast). Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een primair besluit, waartegen eiser niet direct beroep bij de rechtbank kan instellen. Op grond van artikel 6:15 van de Awb zal de rechtbank het bezwaarschrift doorzenden naar verweerder teneinde een beslissing op bezwaar te nemen.

12. Anders dan hiervoor is overwogen met betrekking tot de organieke functiebeschrijving, oordeelt de rechtbank dat verweerder bevoegd moet worden geacht te beslissen of eiser dient te worden geplaatst in de referentiefunctie van KAM-functionaris. Eiser is immers als ambtenaar in dienst bij het werkvoorzieningschap, die ook de bezoldiging van eiser betaalt. Naar het oordeel van de rechtbank moet uit dien hoofde verweerder als bevoegd orgaan worden aangemerkt om eiser te plaatsen in een functie. De rechtbank tekent daarbij aan dat verweerders gemachtigde ter zitting heeft verklaard dat hij geen schriftelijke detacheringovereenkomst heeft kunnen vinden en dat hij vermoedt dat deze niet bestaat. Het is de rechtbank derhalve niet mogelijk op basis van de inhoud van de detacheringovereenkomst in dezen te oordelen.

13. De conclusie van de rechtbank omtrent de organieke functiebeschrijving brengt evenwel mee dat nog niet vast staat of de organieke functiebeschrijving stand houdt. Verweerder zal naar aanleiding van hetgeen wordt besloten door (het bestuur van) IBN-facilitair B.V. met betrekking tot de organieke functiebeschrijving in de herbeoordeling op bezwaar dienen te beoordelen of eiser op juiste gronden is geplaatst in de referentiefunctie van KAM-functionaris.

14. Verweerder zal in het kader van dit onderzoek dienen in te gaan op hetgeen eiser naar voren heeft gebracht. Verweerder zal daarbij aandacht dienen te besteden aan de werkzaamheden die aan eiser in het kader van diens detachering zijn opgedragen en aan de werkzaamheden die door IBN-facilitair B.V. feitelijk aan eiser worden opgedragen. Eiser heeft aangevoerd dat hij feitelijk werkzaamheden verricht als KAM-coördinator, waarbij hij heeft verwezen naar een interne dienstenovereenkomst. Verweerder zal dienen in te gaan op deze stelling.

15. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover verweerder het bezwaar tegen de functiebeschrijving niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder zal niet worden opgedragen een nieuw besluit te nemen, omdat wat betreft de organieke functiebeschrijving (het bestuur van) IBN-facilitair B.V. bevoegd is een besluit op bezwaar te nemen en wat betreft de plaatsing in de referentiefunctie, verweerder op het beroepschrift van 28 februari 2008, als ware het een bezwaarschrift, zal dienen te beslissen.

16. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

17. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 143,00 dient te vergoeden.

18. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de in het bestreden besluit vervatte inpassing in de referentiefunctie KAM-functionaris;

- verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de functiebeschrijving;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 143,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00.

Aldus gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman als voorzitter en mr. Y.S. Klerk en mr. I. Ravenschlag als leden in tegenwoordigheid van mr. P.D.H. Selhorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2009.

<i>Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</i>

Afschriften verzonden: